De Boeck, August

Merchtem, 09/05/1865 > Merchtem, 09/10/1937

Biografie

De Boeck, August

door Luc Leytens

Een rustig leven
August de Boeck werd op 9 mei 1865 geboren in het Brabantse Merchtem. Heel zijn leven lang bewaarde hij de band met zijn geboortedorp. Hij woonde het grootste deel van zijn leven in de hoofdstad, maar toch bleef hij zich een "man van de buiten" voelen. Op latere leeftijd, nadat hij de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt en alle functies neerlegde, keerde hij trouwens naar Merchtem terug.

Zijn vader, Florimond de Boeck, was er koster-organist en heeft ook wel eens een stukje gecomponeerd. Toen de muzikale gaven van "onze Gust" aan het licht kwamen, werd hij naar het Koninklijk Muziekconservatorium van Brussel gestuurd. Dat gebeurde in 1880, hij was dus 15 jaar. Het Conservatorium lag op ongeveer drie uren gaans van huis. Aangezien geen spoorlijn Merchtem bereikte, deed de jongen enkele malen per week de lange tocht te voet, heen en terug.

Hij studeerde er notenleer, harmonie, contrapunt en fuga, en kwam terecht in de orgelklas van de befaamde Alphonse Mailly. Hier kaapte hij in 1881 de virtuositeitsprijs weg (toen "diplôme de capacité" genoemd). Mailly beschouwde hem als zijn opvolger en had hem al in 1886 als assistent gekozen. Maar toen Mailly met rust ging, kreeg De Boeck de benoeming niet. Naar het schijnt, was dit te wijten aan de invloed van de gezagvolle Edgar Tinel die zijn beschermeling Alfons Desmet wist op te dringen. Het was voor De Boeck een grote tegenvaller die hij nooit helemaal verteerd heeft.

Ondertussen had hij zijn professionele loopbaan aangevat als organist. Van 1892 tot 1895 volgde hij zijn vader op te Merchtem; vanaf 1894 was hij organist-titularis van Sint-Bonifacius te Elsene, vanaf 1900 tevens van de Karmelietenkerk te Brussel. Zijn hele verdere loopbaan verliep erg gelijkmatig en bestond uit een opeenvolging van benoemingen in het muziekonderwijs.

Als componist is De Boeck eerder laat tot volle ontplooiing gekomen. Beslissend was het contact in 1889 met zijn jaargenoot, de briljante Paul Gilson, die over deze ontmoeting in zijn memoires heeft verteld. Er ontstond een hechte vriendschap waarbij de Boeck in feite Gilsons privé-leerling voor orkestratie en vormleer werd.

Met de korte maar vurige Dahomese Rapsodie (1893), nog altijd een van de meest geliefde stukken uit het Vlaamse orkestrepertoire, vestigde hij zijn faam. Een Symfonie in sol klein volgde in 1896. Maar die werd helaas pas zowat 25 jaar later voor de eerste maal uitgevoerd. [1] Toen, net als vandaag, was het Belgisch concertleven in de hoofdstad weinig gastvrij voor eigen toondichters. Het is bekend dat zelfs Gilson op een bepaald moment de moedeloos werd en nog nauwelijks belangrijke werken componeerde. Waarschijnlijk is de laattijdige creatie van wat De Boecks enige symfonie zou blijven, er de oorzaak van dat hij de volgende jaren de zuivere orkestmuziek links liet liggen. Maar de grote symfonische vorm lag hem blijkbaar niet zo erg.

Aan de andere kant was er het groeiend aanzien van de prille Vlaamse Opera te Antwerpen. Na de successen van Jan Blockx en Emile Wambach ging er geen seizoen voorbij zonder de creatie van Vlaamse werken. De Boeck ging zich dus toeleggen op de opera. Nog voor de eerste Wereldoorlog bracht de Vlaamse Opera niet minder dan vier van zijn partituren voor het voetlicht: Théroigne de Méricourt (libretto van Léonce du Catillon) in 1901; Winternachtsdroom(idem) in 1902, Rijndwergen (Pol de Mont) in 1906, en Reinaert de Vos (Raf Verhulst) in 1909. Bij deze laatste zong de nog jonge componist en bariton Robert Herberigs de titelrol.

In 1909 werd De Boeck benoemd tot harmonieleraar aan het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium van Antwerpen, als opvolger van Paul Gilson. Onder de leerlingen die mede door hem gevormd werden, vinden wij de namen van Renaat Veremans, August L. Baeyens en Renaat van Zundert. In 1920 vroeg en bekwam hij zijn overplaatsing in dezelfde functie naar het Koninklijk Muziekconservatorium van Brussel. Dat jaar werd hij tevens verkozen tot lid van de Koninklijke Academie van België. Een laatste benoeming volgde in 1921 toen hij directeur werd van de Stedelijke Muziekacademie (bij die gelegenheid bevorderd tot Stedelijk Conservatorium) van Mechelen. Onder zijn beleid kende deze instelling een vernieuwde bloei. Hij dirigeerde er eveneens de concerten, al was hij naar het schijnt voor orkestdirectie niet in de wieg gelegd.

Volgens zijn biograaf François Rasse drong de toenmalige Minister van Onderwijs, Camille Huysmans, er in 1926 bij August de Boeck op aan om de benoeming te aanvaarden tot directeur van het Koninklijk Muziekconservatorium in Brussel, als opvolger van Léon du Bois, maar hij weigerde.

Tijdens en onmiddellijk na de Eerste Wereldoorlog ontstond zijn laatste opera: La Routed'Emeraude (libretto van Max Houtier naar de gelijknamige roman van Eugène de Molder). Hoewel het verhaal zich in Nederland afspeelt, werd het zijn enige opera op Franse tekst. Mede om die reden waarschijnlijk weigerde de toenmalige directeur van de Koninklijke Vlaamse Opera het stuk op te voeren. De creatie vond plaats in het 'Grand Théâtre' te Gent in 1921. Nog datzelfde jaar volgde het 'Théâtre Royal' in Antwerpen. Telkens was de bijval zeer groot. In 1926 nam ook de Koninklijke Muntschouwburg te Brussel het werk op zijn repertoire. Later zou het werk, onder de benaming Francesca, dan toch in Nederlandse vertaling burgerrecht verkrijgen in de Koninklijke Vlaamse Opera in Antwerpen.

Opmerkelijk is dat August De Boeck na La Route d'Emeraude teruggekeerd is naar het orkest, met titels als de Fantasie op twee Vlaamse Volkswijzen (1923), een sprankelende bladzijde, het Concerto voor Hans-klavier en orkest (1929), de Nocturne (1931), het Vioolconcerto (1932) en het symfonisch gedicht In de Schuur (1937). Dit laatste geraakte niet geheel voltooid, maar Paul Gilson zorgde voor de slotmaten.

In 1930 trok De Boeck zich, zoals al vermeld, terug in zijn geboortedorp. Hij legde er zich toe op de kweek van bloemen en planten. Bloemen waren steeds zijn grote liefhebberij. Hij was vrijgezel gebleven en woonde met een eveneens ongehuwde zuster. Met epicuristisch genoegen waardeerde hij een goede keuken, een uitgelezen glas wijn, een sigaar of een geurige pijp. Hij nam ook deel aan het dorpsleven. Als populaire figuur liet hij zich zelfs verkiezen tot gemeenteraadslid. Heel onverwacht overleed hij aan een hartaanval, op 10 oktober 1937 te Merchtem.

Na zijn dood werd in zijn geboortedorp een De Boeck Fonds opgericht waarvan de activiteiten nogal beperkt bleven.

Een veelzijdig oeuvre
August de Boeck heeft een uitgebreid oeuvre van zowat 350 titels nagelaten, die door René de Maeyer rond 1950 in cataloog werden gebracht. Op basis hiervan zou het opstellen van een wetenschappelijke thematische kataloog erg wenselijk zijn, zeker omdat er veel werk onuitgegeven bleef.

Een bondig overzicht toont aan dat bij hem (evenals bij de meeste Vlaamse tijdgenoten) de vocale muziek de grootste plaats inneemt. De opgesomde opera's zijn wel zijn omvangrijkste werken. Helaas worden zelfs de meest geslaagde opera's van landgenoten nog maar zelden uitgevoerd.

Drie van De Boecks operapartituren kenden, naar Vlaamse normen afgemeten, een schitterende bijval. Vooreerst vernoemen wij de korte sprookjesopera Winternachtsdroom die, ondanks een zwak libretto, een zeldzame charme vertoont; vervolgens het vrijheidsepos Reinaert de Vos, en ten slotte La Route d'Emeraude, dat door de meeste kenners als zijn meesterwerk wordt beschouwd. Deze stukken werden ook na hun creatie vele malen in onze schouwburgen terug opgevoerd. Alle andere echter zijn volledig in de vergetelheid geraakt, een lot dat eveneens zijn balletten en, eerder begrijpelijk, zijn operettes trof.

Cantates zijn in onze tijd helemaal uit de mode. Hierdoor verdwenen een hele reeks composities van De Boeck uit het gezichtsveld. Een speciale aandacht zouden zeker zijn kindercantates verdienen: met Gloria Flori (Nestor de Tière) (1913) en De Zangers in het Woud (Eugeen De Ridder) (1923) heeft hij op een persoonlijke wijze een traditie - wij zouden haast zeggen een Vlaamse specialiteit die door Benoit was ingeluid - voortgezet.

Vrij uitgebreid is ook het aandeel van de godsdienstige werken, met zeker heel wat verbleekte gebruiksmuziek, maar toch ook met pareltjes zoals het motet O Beata Mater of de op de hoogzalen nog immer geliefde en zeer zangerige Mis in si klein voor gelijke stemmen. Maar nu er in de kerken nog maar zelden in het Latijn gezongen wordt, dreigen deze stukken eveneens te worden vergeten.

Meer dan de koorwerken lijken de liederen dikwijls interessant. Wij tellen er een honderdtal, gedeeltelijk op Nederlandse en Franse teksten. In hun geheel beschouwd mogen de Franse liederen als beter geslaagd beschouwd worden. Enkele ervan behoren tot zijn beste stukken zoals de Instantanées op teksten van Emile Polak, l'Eglise paysanne (tekst van Paul Fierens, maar beter bekend als Het Kerkske van te lande, in een mooie vertaling van Maurits Sabbe), en vooral zijn laatste bundel, Stances de Marilyse (G. Verrycken). Vergeten we evenmin zijn kinderliederen, waaronder het bekende Het groetend Kindje (Lambrecht Lambrechts).

Bij de instrumentale muziek zijn de pianowerken het talrijkst. Geen grote sonates zijn het, maar bondige, soms bijzonder stemmige stukjes onder diverse benamingen als Humoresque, Menuet, Prelude, Scherzo en Toccata. Ook hier bedacht hij de jeugd met zeer eenvoudige Enfantines.

Hoewel De Boeck zelf een uitmuntend organist en improvisator was, heeft hij heel weinig voor zijn instrument geschreven. Eén stuk mag echter niet onvermeld blijven, met name het Allegro con fuoco (1897), dat tot het beste uit onze literatuur behoort en met internationale maatstaven mag beoordeeld worden.

Voor kamermuziek heeft hij evenmin veel belangstelling betoond (net zomin als zijn vriend Gilson trouwens). Zij bleef beperkt tot een Cellosonate en een aantal korte bladzijden voor solo-instrumenten (viool, altviool, cello, hobo, Engelse hoorn, klarinet) met pianobegeleiding. Daarentegen componeerde hij heel wat voor harmonie en fanfare, met name ook voor de dorpsfanfare Sint-Cecilia van Merchtem. Last but not least zijn er dan de reeds opgesomde orkestwerken, niet zeer talrijk maar relatief nog het meest gespeeld en doorgaans van uitmuntende kwaliteit.

Stijl
Talrijke, vooral kleinere werken van August de Boeck zijn niet gedateerd, wat in zekere mate een gedetailleerd inzicht over zijn ontwikkeling bemoeilijkt.

Zoals al zijn Vlaamse generatiegenoten bleef hij een romanticus in hart en nieren. In zijn beginperiode, en vooral zijn Symfonie (die het enig nadeel heeft dat ze misschien met iets te nadrukkelijk aan Borodin herinnert) staat hij overduidelijk onder de bekoring van de Russische nationale school. Paul Gilson die in persoonlijk contact stond met verschillende van haar vertegenwoordigers (en die bij voorbeeld de pianoreducties van Sheherazade en het Groot Russisch Paasfeest van Nicolai Rimski-Korsakov verzekerde), was er zeker niet vreemd aan.

Uit sommige van De Boecks operabladzijden uit het eerste decennium van de eeuw, kan afgeleid worden dat hij niet ongevoelig was voor Wagner, maar vergeleken bij vele tijdgenoten (zoals Gilson in Prinses Zonneschijn) bleven de sporen van het Wagnerisme toch verrassend gering. Minstens even sterk was de invloed van het verisme die tot in La Route d'Emeraude nawerkt.

Sommige liederen - en geleidelijk sterker - verwijzen in zekere mate naar het Frans impressionisme. Deze laatste strekking triomfeert in de prachtige Nocturne voor orkest die tot voor kort haast onbekend was gebleven. Maar er is natuurlijk ook een typisch "Vlaams" aspect. Zijn bewondering voor Peter Benoit heeft hij nooit onder stoelen of banken gestoken.

Zijn oeuvre vertoont geen grote schokken of sensationele vernieuwingen, maar alles bij elkaar is hij evenmin een slaafs epigoon geweest van een of andere mode.

Over de kwaliteit van zijn werken werd vaak gezegd en geschreven dat ze nogal ongelijk is. Gezien het grote aantal was dat enigszins onvermijdelijk, temeer omdat De Boeck zijn vrienden moeilijk iets kon weigeren en dikwijls inging op het verzoek van een gelegenheidswerk te schrijven. Hij was voorzeker geen zoeker of iemand die gekweld werd door artistieke of metafysische problemen. Hem is dan ook een tekort aan breed intellectuele belangstelling verweten en een gebrek aan kritische zin, bij voorbeeld bij de keuze van literaire teksten. De Boeck had trouwens uitsluitend een Conservatoriumopleiding genoten en deze was in zijn tijd op zijn zachts gezegd nogal eenzijdig. Benoit had dit ingezien, maar zijn hervormingsvoorstellen waren op grote tegenstand gestuit en werden na zijn dood zorgvuldig weggeborgen. Nu was De Boeck ongetwijfeld Vlaamsvoelend, maar het debat rond de Vlaamse cultuurstrijd interesseerde hem maar matig. Hij bezat nu eenmaal geen strijdersnatuur.

Hij moest het dus hebben van zijn grote begaafdheid, terwijl hij het zuiver muzikale métier verfijnd had bij Gilson. Als gevoelsmens en natuurvriend lag zijn grote kracht in het spontane. Hij munt uit in korte bladzijden en hem ontbreekt wel enigszins de brede adem of de krachtige opbouw. Zijn opera's bij voorbeeld boeien eerder door lyrische passages dan door dramatische kracht, en ook op het gebied van de symfonische muziek zijn het gebalde of beknopte stukken met vrije vormgeving als de Dahomese Rapsodie, de Fantasie op Vlaamse Volkswijzen of de Nocturne die terecht het meest blijven aanspreken. In klavierminiaturen en liederen voelde hij zich het best thuis. Zijn argwaan tegenover "grote" vormen komt onder meer tot uiting in enkele anecdotes, waarin hij de spot drijft met de symfonieën van zijn vriend Martin Lunssens, die berucht was om zijn "eindeloosheid".

Nu moet er natuurlijk wel rekening mee gehouden worden dat de keuze van de genres in niet geringe mate bepaald wordt door uitvoeringsmogelijkheden. In die bloeitijd van liederenavonden bestond er ook grote macht op dit terrein. Ook voor volkse cantates en fanfaremuziek werd een dankbaar publiek gevonden. De Vlaamse Opera schonk prachtige kansen aan Vlaamse toondichters. (Het is trouwens opvallend hoe, sedert deze opera het "nationalistisch" standpunt verlaten heeft, het aantal Vlaamse operacomposities bijna tot het nulpunt daalde). Piano- en instrumentale solostukjes vonden o.m. in de muziekscholen een goede afzet. Maar voor kamermuziek bestond er minder belangstelling en het aantal beroepsorkesten dat de grote symfonische literatuur aankon, was eerder gering.

De Boeck heeft zich uitstekend weten aan te passen aan de geboden mogelijkheden. Een ongedwongen muzikaliteit, een ongezochte uitdrukkingskracht, zin voor humor en voor kleur, een flinke dosis gezond verstand ook, bezorgden hem een verdiend succes bij een vrij groot publiek.

Vijftig jaar na zijn dood [2] blijken zijn beste werken betere kansen te maken om af en toe te worden geprogrammeerd, dan menige zwaarwichtige, zij het misschien méér geconstrueerde of "progressieve" muziek.

© Luc Leytens 

NOTEN
[1] Frank Teirlinck plaatst hierbij de volgende kanttekening: "Graag wil ik jullie attent maken op een misverstand dat sinds 1952 werd verspreid en leidde tot verkeerde conclusies: de symfonie in g werd inderdaad gecomponeerd in 1896 maar De Boeck moest geen 25 jaar wachten op de uitvoering ervan. De tot nu toe gevonden vroegste uitvoering was in 1904 tijdens een concert van de Dierentuin te Antwerpen o.l.v. Edward Keurvels, waar een volledig concert werd uitgevoerd gewijd aan werken van De Boeck." [30 mei 2009]
[2] Om zo dicht mogelijk bij de originele tekst van Luc Leytens te blijven, heeft de redactie dit jaartal laten staan. Intussen staat de teller op meer dan 70.

Leytens, L.: August De Boeck, in: Kaderblad Jeugd en Muziek Vlaanderen, juni 1987, p. 1-7.