De Pauw, Jean-Baptiste

Brussel, 30/03/1852 > Bussum (NL), 10/06/1924

Historische teksten

Daniël de Lange over De Pauw

door Daniël de Lange

Heden, 8 December [1904], is 't juist vijf-en-twintig jaren geleden dat onze voortreffelijke kunstbroeder Jan Baptiste Charles de Pauw voor het eerst als organist van het Paleis voor Volksvlijt hier te stede optrad.

't Mag een gelukkig toeval genoemd worden, dat dit eerste optreden op 8 December 1879 plaats had. Daardoor werd aan het bestuur van het Concertgebouw de gelegenheid gegeven, den zoo hooggewaardeerden organist uit te nodigen na vijf-en-twintig jaren voor zijn vele vereerders, leerlingen en oud-leerlingen op te treden. Dankbaar zijn wij dit bestuur, ons op die wijze dezen dag tot een feestdag te hebben gemaakt.

Des te meer verheugen wij ons allen er over, dat aan dezen herdenkingsdag daardoor een zuiver artistiek karakter gegeven is, omdat wij allen, die De Pauw van nabij hebben leeren kennen, weten, dat zijn onbedorven hart, zijn naar binnen gekeerd gevoelen, hem een afkeer doen koesteren van alles wat zweemt naar uiterlijk vertoon. Hedenavond zal hij niets vernemen van de feestvreugde, die de harten zijner talrijke vrienden vervult, maar, gezeten op de plaats, welke hij altoos behoorde in te nemen, zal zijn kunstenaarsziel in gloed gezet worden door de klanken van de heilige uiting van het ideaal. Zij, die De Pauws kunstenaarsziel hebben leeren verstaan, zullen door zijn spel in extase gebracht worden en zoo zal men het wonder zien gebeuren, dat een geestelijk gastheer zijn gasten onthaalt op het beste dat hij in zich heeft, dat hij zijn gasten een feest bereidt, dat hij met hen feest viert, zonder dat hij zelf het vermoeden heeft “de gastheer, de feestvierende” te zijn.

* * *

Hoe groot ook het aantal vereerders en leerlingen van De Pauw moge zijn, toch kennen slechts zeer weinige personen dezen buitengewoon grooten kunstenaar. Wie kent b.v. iets van zijne compositiën? Nu ja, zoo wel hier als elders heeft men de voor eenige jaren verschenen Suite voor klavier en viool gespeeld. Ieder kenner zag daarin het groote talent van den componist, maar wat beteekenen zulke kleine werken in vergelijk met werken voor soli, koor en orkest, zooals b.v. de Cantate “Camoëns”, met welk werk De Pauw den Prix de Rome te Brussel verwierf.

Men zal de vraag stellen: waarom werden van De Pauw de werken niet uitgegeven, of waarom werden zij althans niet ten gehoore gebracht? Met deze vraag raken wij het geheim van het zieleleven van dezen kunstenaar aan.

Is het geoorloofd dat geheim te openbaren? Ik geloof het niet. Er zijn gewaarwordingen, die niet onder woorden te brengen zijn; zij zouden alle bekoorlijkheid, alle waarheid verliezen, wanneer men ze vorm wilde verleenen. Zij, die hebben leeren gevoelen, wat een kunstenaar weerhoudt om zijn werken in het openbaar tot uitvoering te brengen, zullen er hem des te hooger om achten. De kunst is voor den waarachtigen kunstenaar een cultus. De vereering van het Ideaal, zooals de kunstenaar haar vorm verleent, raakt de geheimste roerselen van zijn zieleleven. De ware kunstenaar schept intuïtief, bijna onbewust. Heeft hij eenmaal het kunstwerk voortgebracht, ontwaakt hij als 't ware uit zijn toestand van extase, dan eerst kan hij zelf beoordeelen, wat hij in zijn geestvervoering gewrocht heeft, dan eerst kan hij met bewustzijn zijn werk beschouwen. De halve kunstenaars loopen dan met hun geesteskinderen te koop, de werkelijke kunstenaars daarentegen wagen het tenauwernood die meest intieme uitingen van hun hart aan anderen mede te deelen. Slechts aan personen, wier zielen aan de eigene het meest verwant zijn, zullen zij die lievelingen hunner ziel aarzelend doen kennen. De waarlijk helder ziende zal echter ook met een meedoogenloozen kunstenaarsblik zijn eigen geesteskinderen vergelijken met die zijner groote geestverwanten. En eerst wanneer 't blijkt, dat zijn kunstgewrochten een volkomen eigene physionomie bezitten, zal hij ze waardig keuren om in zijn portefeuille te worden opgeborgen en bewaard.

Wellicht zal menigeen deze voorstelling van het voelen eens kunstenaars overdreven achten. Wanneer men zich echter eens duidelijk voor den geest stelt wat de gewaarwordingen van Bach geweest moeten zijn toen hij zijn passies schreef, dan zal men wel tot de overtuiging komen, dat in de waarlijk groote oogenblikken van het zieleleven eens kunstenaars de geestestoestand is zooals wij hem hierboven aanduidden.

De niet groote oogenblikken in ’s kunstenaars leven zijn daarentegen voor de wereld van weinig of geen belang. Dat een kunstenaar werken uit de laatstbedoelde oogenblikken zou kunnen openbaar maken, spreekt van zelf, maar welk kunstenaar zou daarmede willen of kunnen volstaan?

De Pauw nu heeft zich in zichzelf opgesloten, zoodat alleen zij, die hem van zeer nabij leeren kennen, iets uit zijn binnenste te weten komen. Wien dat geluk te beurt valt, zal vol bewondering voor dit karakter en met niet minder bewondering voor dit talent vervuld worden. Een meer eerlijk, meer oprecht, meer naïef, meer gevoelig karakter, kan men tenauwernood voorstellen. En wat het talent betreft, mag men veilig verklaren, dat De Pauw in de allereerste rangen der kunstenaars een plaats inneemt.

Is het te verwonderen, dat wij, zijn vrienden, den dag, waarop deze kunstenaar vóór vijf-en-twintig jaren in ons midden verscheen, tot een feestdag gemaakt hebben? Wij hebben echter zorg gedragen dat die feestviering een karakter droeg geheel in overeenstemming met het karakter van den man dien wij willen eeren.

Geen feestcommissiën, geen toespraken en aanbiedingen van geschenken in 't openbaar, niets wat naar uiterlijk vertoon zweemt. De Pauw zal spelen, zal ons doen genieten van zijn groot spelen, zal ons doen genieten van zijn groot talent en zijn getrouwen zullen vol aandacht naar hem luisteren, misschien zal een bijzonder warme toejuiching iets verraden van wat in de harten der aanwezigen omgaat.

***

Ongetwijfeld zal het menigen lezer belang inboezemen eenige korte mededeelingen te vernemen over het leven van dezen merkwaardigen man. De vader van De Pauw, Fortuné Liarin [sic] Désiré geenaamd, was een in artistiek opzicht buitengewoon begaafd man. Niet alleen was hij een zeer ontwikkeld musicus, hij was ook een literator van verdienste, medestander van Hendrik Conscience, en buitendien was hij een etser aan wien de illustratie van menig boekwerk werd toevertrouwd. Ook op het gebied van schilderkunst was hij met succès werkzaam; er bestaan verschillende portretten van de hand van dezen hoogbegaafden man. Dat de kleine Jean dus van zijn eerste jeugd af de kunst als een der levensvoorwaarden leerde waardeeren, is niet te verwonderen. Dit was des te natuurlijker als men verneemt, dat ook de moeder van onzen kunstenaar een muzikaal talent bezat, groot genoeg om haar als zangeres in haar eigen land en ook in den vreemde, meer bepaald in Italië, een roemrijke carrière te verzekeren. Van zijn vader ontving de kleine het eerste muziekonderricht. Dit leverde zulke goede uitkomsten op, dat hij reeds op zevenjarigen leeftijd de “Variatiën op een Thema van Bellini”, van Burgmüller, in 't openbaar speelde. De hoorders waren verrukt door de artistieke, gevoelvolle wijze waarop dat kleine ventje met bloote beentjes het werkje voordroeg. Dit had plaats in 1859, te Brussel, in welke stad Jean op 3 Maart 1852 geboren was.

Niet lang daarna kwam het kind onder de leiding van de groote Belgische kunstenaars Fétis, Gevaert, Samuel, Mailly, enz. Na volbrachten studietijd in het Conservatorium verwierf De Pauw achtereenvolgens eerste prijzen: voor harmonie en partituurlezen in 1868; voor klavier in 1869; voor contrapunt en compositie in 1870; voor orgel in 1872. Een jaar later verwierf De Pauw den Prijs voor uitnemendheid als organist.

Wat zulk een examen te beteekenen heeft, moge blijken uit de mededeling van het daarvoor vastgestelde programma, dat wij hier laten volgen:
1. Passacaglia van Bach. (Voor de studie van dit werk werd den candidaat veertien dagen tijd gelaten.)
2. Van ‘t blad lezen van een gevarieerd koraal met obligaat pedaal.
3. Van 't blad lezen van een onder het spelen uit te werken becijferden bas, van een der oude componisten.
4. Begeleiden van een Gregoriaanschen zang.
5. Transpositie van een op te geven stuk.
6. Improvisatie voor een kerkelijke plechtigheid.

Er behoeft wel niet op te worden gewezen, dat het voldoen aan de, in dit programma gestelde eischen, voor een publiek van eenige honderden van toeschouwers, in zich sluit, dat de candidaat een volledige ontwikkeling als kunstenaar moet bezitten, en dat alleen geboren kunstenaars zich aan zulk een proef kunnen onderwerpen. Als een opmerking worde hierbij vermeld, dat bij zulk een spelen voor den prijs van uitnemendheid geheel het muzikale Brussel aanwezig is en dat bij dit spelen ook H. M. de Koningin de plechtige zitting bijwoonde. In 1879 dong De Pauw mede naar den "Prix de Rome" en verwierf hij met zijn hierboven reeds noemde cantate voor Soli, Koor en Orkest "Camoëns" de bekroning.

Korten tijd nadat onze kunstenaar zijn studiën als organist voltooid had, werd hij benoemd tot eerste organist in de St.-Bonifaciuskerk te Brussel. Zijn spel, en vooral zijn improviseeren werd daar zozeer gewaardeerd, dat in de godsdienstoefeningen, waarbij hij medewerkte, de muziekliefhebbers zich verdrongen om hem te kunnen hooren. In tal van concerten werkte hij mede, of werden werken van hem ten gehoore gebracht.

Na het beëindigen van zijn leerjaren op muzikaal gebied voelde de een-en-twintigjarige jongeling zich sterk aangetrokken tot de medische wetenschap. Hij volgde de colleges en maakte zijn studiën tot den tijd, dat hij ook bij operatiën tegenwoordig moest zijn. Toen hij eenmaal eene zeer pijnlijke operatie had moeten bijwonen, wendde hij zich van die studie af. Daarentegen studeerde hij verder in chemie en toxycologie. Door ongesteldheid van zijn professor werd De Pauw zelfs eenmaal aangewezen om bij een volksvoordracht met proeven diens plaats in te nemen. Zijn voordracht voldeed zóó goed, dat, toen hij weigerde het honorarium er voor aan te nemen, een herinneringsmedaille voor hem geslagen werd.

Van zijn vroegste jeugd af is De Pauw een groot liefhebber van boomen, planten, bloemen en ook van dieren geweest. Wie den kunstenaar in zijn intieme leven te Bussum kent, weet dat hij nog steeds een deel van zijn leven aan die liefhebberij besteedt.

Van zijn negende jaar af ging de jonge man met zijn vader (die tot aan zijn dood de beste vriend van De Pauw gebleven is) op reis. Zij doorkruisten dan, bij voorkeur te voet, de lieflijke dreven, waaraan België zoo rijk is. Ongetwijfeld hebben deze zwerftochten te midden der heerlijke natuur het ontvankelijk gemoed van den jongeling rijkelijk bevrucht.

In 1879 werd aan De Pauw de plaats van organist in het Paleis voor Volksvlijt aangeboden. Het prachtige orgel van Cavaillé-Coll en de gelegenheid, die den jongen virtuoos hier geboden werd om voortdurend als solist op te treden, deden hem besluiten zijn positie te Brussel op te offeren en zich te Amsterdam te vestigen.

Welk een grooten indruk De Pauw als organist hier maakte, herinneren de ouderen zich ongetwijfeld. Elken Donderdagavond kon men genieten van zijn hoogst artistieke voordrachten der werken van oudere en nieuwere meesters, een enkele maal hoorde men ook werken van De Pauw zelf. Behalve des Donderdags gaf De Pauw ook orgelrecitals des Zaterdags-namiddag. Deze namiddagen werden niet door een groot aantal, maar wel door de echte liefhebbers bezocht. Zoo o.a. zag men onder de aanwezigen Joh. J. H. Verhulst, den Groothertog en de Groothertogin Wladlimir van Rusland. Door deze laatsten werd De Pauw met onderscheidingen overladen. In die voordrachten hoorden zij ook het schone werkje van De Pauw, “Rève d'Amour”. De Groothertogin wilde dit werkje in haar bezit hebben. Eerst na veel heen en weer spreken was de componist te bewegen een copie van zijn werk af te staan, “want”, zeide hij, “hij had dit werkje voor zijn wouw geschreven”. In 1884, toen het Conservatorium van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst gesticht werd, was De Pauw de aangewezen persoon, om als hoofdleraar voor het orgel op te treden. Ook voor de klavierklassen (aanvankelijk als bijvak, later als hoofdvak) trad hij als leeraar op. Hoe hij met hart en ziel zich gewijd heeft aan deze zware taak, welke uitkomsten hij verkregen heeft, bewijzen de leerlingen zijner klassen. Vraag aan dat jonger geslacht wat De Pauw voor hen geweest is en wat hij nog voor hen is. Zij zullen u over hem spreken, niet alleen als een groot kunstenaar, als een groot leeraar, neen, zij zullen u tevens zeggen, dat hij voor hen was en blijft een vaderlijke vriend, een raadsman in hun moeilijke oogenblikken. De Pauw heeft de harten zijner leerlingen weten te openen, met vol vertrouwen komen zij tot hem met al hun lief en leed.

Nog hebben wij van De Pauws leven twee eigenaardigheden te vermelden. Ten eerste, dat hij een verwoede aanbidder is van literatuur, ten tweede dat hij een verzamelaar is van groote intelligentie. Spreek met De Pauw over de oudere en nieuwere literatuur en gij zult verwonderd staan over alles, wat hij heeft doorwerkt. Treed in De Pauws “Villa Pauline”, te Bussum, zijn studeerkamer binnen en breng het gesprek op oude platen, of plaatwerken en gij zult verstomd staan over de schoone en merkwaardige zaken, die hij in zijn bezit heeft. Zelfs zijn verzameling prentbriefkaarten is merkwaardig; hij heeft er exemplaren van de eigenaardigste soort bij.

***

Niet wilden wij nalaten dezen eigenaardigen, dezen hoogbegaafden kunstenaar, dezen zoo gewaardeerden vriend met enkele woorden te gedenken op den dag, toen hij vóór 25 jaren voor 't eerst in ons midden optrad. Veel heeft hij voor de kunst in Nederland gedaan. Veel heeft hij als mensch voor zijne omgeving gedaan, en alles werd gedaan zooals in het Boek der Boeken geschreven staat: “dat de linkerhand niet wist wat de rechter deed.” Wij hebben dat geheim wereldkundig gemaakt, zal nu een der beide handen zoo wreed zijn om ons te willen slaan, wijl wij haar beider geheim verklapten? Wij kunnen het niet gelooven.

Op een gegeven oogenblik mag men het nuttig en noodig achten der wereld te verkondigen, welk een grooten schat wij bezitten, juist in de personen, die, wars van alle réclame, zoo groote diensten aan de kunst bewezen hebben. Moge De Pauw vele jaren voor ons kunstleven gespaard blijven, dit wenschen wij hem en ook ons zelven toe.

DAN. DE LANGE

Daniël de Lange: J. B. C. de Pauw, in: Nieuws van den Dag [Amsterdam], 9 december 1904, facsimile in René Verwer: Cavaillé-Coll en Nederland, Alphen aan den Rijn, 2009, p. 400-402.