De Vocht, Lodewijk

Antwerpen, 21/09/1887 > 's Gravenwezel, 27/03/1977

Biografie

De Vocht, Lodewijk

door Jan Dewilde

Lodewijk De Vocht kreeg zijn muziekopleiding in het Antwerps Kathedraalkoor van Emile Wambach en in het Koninklijk Vlaams Conservatorium van Antwerpen van Jan Bacot (viool), Frans Lenaerts (piano), Lodewijk Mortelmans (harmonie, contrapunt en fuga) en opnieuw Wambach (orkestratie en compositie).

De Vocht keerde later naar het Conservatorium terug: eerst als leraar, later als directeur. Hij begon er in 1921 als harmonieleraar in opvolging van Edward Verheyden. In die functie gaf hij les aan onder anderen Daniël Sternefeld, Jef Maes en André Cluytens. Vier jaar later werd hij verantwoordelijk voor de orkestklas. In 1933 stelde hij zijn kandidatuur voor de opvolging van Lodewijk Mortelmans als directeur, maar het was zijn tegenkandidaat Flor Alpaerts die het haalde. Acht jaar later was hij opnieuw kandidaat, maar deze keer werd Jef Van Hoof benoemd. Uiteindelijk werd hij op 12 december 1944 in moeilijke omstandigheden dan toch aangesteld als conservatoriumdirecteur, een functie die hij bekleedde tot hij in 1952 op pensioen ging.

Als pedagoog was De Vocht ook actief binnen Muzikale Jeugd van Antwerpen (later Jeugd en Muziek) en van 1939 tot 1943 was hij directeur van de Muziekkapel van Koningin Elisabeth.

Zijn eerste composities schreef De Vocht al op zijn zestiende (koorwerken, liederen en de cantate Groeninghe). Hij zou overwegend vocale muziek blijven schrijven, al componeerde hij in het begin van zijn carrière enkele frisse symfonische gedichten, o.a. Dageraad (1907) en In Ballingschap (1915) en schreef hij op latere leeftijd ook nog concerto's voor viool (1944), cello (1955) en blokfluit (1957).

De Vochts meest originele composities zijn voor koor bestemd: virtuoze, soms woordloze koorstudies en koorsymfonieën, zoals Grote Symfonie voor gemengd koor en orkest (1932) en Vier studies voor gemengd koor. Nog voor koor schreef hij ook religieuze muziek en cantates: Lofzang aan Antwerpen; Volkenhulde (voor de Wereldtentoonstelling in 1930); Scaldis Aeterna (1966) en het lyrisch zangspel Primavera (1962-1967). Verder schreef hij liederen (op teksten van Gezelle, Simons, Cuppens, Peleman en vele anderen), kamermuziek (Trio voor houtblazers, 1955) en solowerken voor piano en gitaar.

Naast zijn activiteiten als componist bouwde De Vocht ook een carrière als dirigent uit. Als violist in het orkest van de Maatschappij der Nieuwe Concerten had hij gewerkt onder de leiding van o.m. Gustav Mahler, Richard Strauss, Hans Richter en Felix Weingartner. In 1913 volgde hij Wambach op als kapelmeester van de Antwerpse Kathedraal; in 1915 werd hij dirigent van het vrouwenkoor van Constance Teichmann en Amanda Schnitzler-Selb, dat hij een jaar later uitbouwde tot het gemengd koor Chorale Caecilia; in 1921 verving hij Lodewijk Mortelmans als dirigent van de Nieuwe Concerten; en in 1935 werd hij dirigent van de Antwerpse conservatoriumconcerten.

Met de Chorale Caecilia bracht hij jaarlijks de Mattheuspassie en samen met het orkest van de Nieuwe Concerten zorgde hij voor baanbrekende uitvoeringen van Les Euménides van Milhaud en Jeanne d'Arc au bûcher van Honegger, twee componisten met wie hij nauw samenwerkte. Met een veertigtal uitvoeringen van Jeanne d'Arc, ook in Parijs en op de Hollandfestivals van 1946 en 1947, zou hij de belangrijkste verdediger van dit werk worden. In 1943 zette hij het ook op plaat voor His Master's Voice en in 1960 dirigeerde hij het werk in een rechtstreekse Eurovisie-uitzending.

Opmerkelijk bij Lodewijk De Vocht is die dichotomie tussen enerzijds de dirigent van moderne partituren (Honegger, Milhaud, Stravinsky, Bartok) en anderzijds de componist van lyrisch-romantische werken.

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Jan Dewilde