Desmet, Aloys

Ooigem, 12/06/1867 > Mechelen, 04/07/1917

Historische teksten

Meester Al. Desmet 1867-1917

door Floris Van der Mueren

Al. Desmet trad in het leven wanneer het Vlaamsche huisgezin haast nog geen Vlaamsche liederen kende en de dorpskerk het ordinarium zong op het rythme van een polka!

Onvermoeid verspreider van het goede volkslied. Hervormend prediker, met succes, voor de goede kerkelijke muziek. Hij predikte met het woord, doch vooral met de daad! Hij ‘dresseerde’ zijn zangers en zei: ‘Ga en verspreidt het Vlaamsche lied.’ Hij komponeerde missen en motetten in een verleidelijken eenvoud: het kon niet anders: men moest ze zingen! Men zong ze. Men zong ze overal! Men zingt ze nog!

Mechelaars, herinnert ge u dien man in zwarten rok, met zwarten plooihoed waar onderuit donker weelderig kroeshaar; met donkere oogen; met donker gegroefd voorhoofd; met donkeren baard en donkeren snor; met in de linkerhand een ‘doodgewoon’ pijpje op de hoogte van zijn mond; met in de rechter een stok waarop hij koortsig stiet; het lijf een weinig voorover gebogen als wilde hij zijn stappen vooruitloopen?.. Over de Kraanbrug? Langs de Melaan? Op de Capucienenvest den weg op naar de statie? Die zwarte slanke gestalte met lichtgeel getrokken gelaat? Die karakteristieke kop? Die man die altijd gejaagd stapte?

Neen die man ontgaat niemands geheugen: een goed mensch uit een tijd vol poëzie! Moest A. Desmet weerkomen, wellicht vond hij zijn weg niet meer. In de Adeghemstraat; op de Kraanbrug; op de Melaan, op de Ijzeren leen… overal ligt de poëzie verstoord en gekwetst. De geest is er uit! Ook uit de menschen? De democratische jovialiteit van Desmet zijn eeuw heeft zich opgelost in een aristocratische deftigheid. Kan een ‘Mechelsch Gemengd Koor’ nog de beroering opwekken van die goeje oude dagen? In den tijd van A. Desmet was het ‘Mechelsch Gemengd Koor” nooit-slapende op de bres: het decorum van alle Vlaamsch leven te Mechelen. En het was dat op een ‘populaire’ wijze, zóó populair als Desmet zélf.

Waar ging al die gemoedelijke poëzie van onzen Vlaamschen kultuurkamp van vóór 15 jaar? Ei! ‘Mechelsche kunstzangers,’ u waart destijds het groote attractiepunt van al onze liederavonden! Wie stuurde u van Brugge tot Maeseyck, van Hoogstraten tot aan de taalgrens? Wat heeft A. Desmet gepord om die Mechelsche kunstzangers het Vlaamsche liederrepertoire in te plante [sic]. Ze leven nog in het volk, die liederen! Dat waren de eersten… Die tijd heeft de baan gebroken!... De tijd van onbaatzuchtig apostolaat! Men zong uit aandrang en men was er meê betaald! A. Desmet schreef, wreef, transponeerde op cijfers honderd en meer kilo’s Vlaamsche muziek, enkel en alleen om met zijn zangers en zijn ‘gemengd koor’ iets te kunnen ‘geven’ aan het volk: iets dat schoon was.

De gemoedelijke poëzie van den tijd liet het wellicht voor een deel zóó gebeuren, doch de ‘mensch’ zit er van het ruimste part meê gemoeid… A. Desmet was een ‘mensch’! Rijk begaafd musicus als hij was, had hij kunnen ‘schitteren’ met glans: hij deed het niet; hij schreef simpele polyphone missen en motetten die men ‘te lande’ zingen ‘kon’!

Ontwikkeld als we hem kenden, en verstandig, had hij wetenschappelijk kunnen vulgariseeren - en Desmet had iets kunnen zeggen -; doch Desmet gaf al zijn daguren aan zijn onderwijs en zijn nachturen aan zijn ‘Mechelsch Gemengd Koor’ en aan zijn liederpropaganda! ’t Heeft hem een vroegen dood gekost, maar kom! … zijn leven was bijtijds verdienstelijk geweest.

Er zijn van die menschen die zóó buitengewoon zijn geweest in het gewone dat ze ontsnappen aan iedere ontleding: alleen de ‘mensch’ houdt men er uit! Alles gaat spontaan dáárvan uit; alles lost er zich spontaan in op.

A. Desmet werd door Tinel aangewezen tot diens opvolger als bestuurder van de interdiocesane kerkmuziekschool, als kapelmeester in de Mechelsche kathedraal; hij was een zeer gezien leeraar, rijkbegaafd kunstenaar en ijverig pedagoog in den dienst van het ‘Motu proprio’ enz… doch van dat alles onthoudt de student liefst de raadgeving kameraadschappelijk gegeven voor het leven; den vertrouwelijken omgang met den ‘directeur’ die veel goed maakte en meer voorkwam dan alle moreele censuur… omdat zijn moreele invloed, sterker dan zijn lessen den formeelen jongen kunstenaar, den ‘mensch’ trof in den student en zoo kon gedijen in het ‘leven’. ’t Is die ‘mensch’ in den kunstenaar die de sympathieën van al zijn studenten en van zijn tallooze vrienden op zich samentrok. ’t Is die ‘mensch’ dien we huldigen moeten, want zijn leeraarsambt, zijn kunstenaarsschap en zijn apostolaat kregen vooral hunne stuwkracht door de reactie van ’s meesters harteklop op den harteklop van zijn volk.

De sociale diensten die A. Desmet verwierf door zijn kunstenaarsapostolaat hebben misschien de juiste beteekenis van zijn kunst van uit foutief standpunt doen beoordelen. Bedenken we dat A. Desmet zijne inspiratie dwong tot ‘praktische’ doeleinde [sic]. Het ‘gewone’ hoogzaal wilde hij een ‘bereikbaar’ repertorium aan de hand doen. Hierop heeft dat rijk talent - met bewonderenswaardige wilskracht, om binnen de perken te blijven, - zich botgewerkt.

Over het geheel is hij niet te beoordelen van zuiver esthetisch standpunt uit; men moet hem houden in het licht van een historisch oogenblik der kerkmuziekopbeuring hier te lande. Pas dán krijgen die gewild-nederige vormen glans. Indien A. Desmet moest terugkomen hij zou niet meer ‘zóó’ schrijven; doch voor ‘zijn’ tijd heeft hij het zoo gewild. Want zij, waarvoór hij schreef, ‘konden’ niet anders zingen…

Hiermeê staan we ver van de aller-individueelste expressie van de individueelste motie, doch we staan er te nader om bij den ‘mensch’; ver van het egoïstische kunstbedrijf, doch nader bij de gemeenschap; ver van het beperkte mecenische kunstmidden der stad, doch wijder over de ruimte, over dorpen en gehuchten spant die kunst haren vruchtbaren invloed.

Nooit in de geschiedenis heeft de wetenschappelijke beschouwing het blijvend kunnen winnen tegen den instinctieven drang van den spontanen kunstwil der massa, ook niet de kerk in hare beste momenten. Ook alle aestetiek valt stom voor een middeleeuwsch volkslied, voor het eenvoudigste volkslied van Hullebroeck, voor het eenvoudigste ‘Kyrie’ van A. Desmet… want de massa heeft in dien eenvoud iets kunnen voelen van het mysterie van haar spontaan eenvoudig leven, en ze bleef staan, ze luisterde…

“Non omnis morar”, liet M. K. Peeters hem zeggen in zijn gelegenheidsrede. Inderdaad: zij die hand in hand hebben gegaan met den eenvoud der groote gemeenschap, zij sterven nooit geheel. Ja, we zouden moeten spreken over A. Desmet als professor en als bestuurder der interdiocesane kerkmuziekschool te Mechelen; over zijn liederen en missen in het bezonder; over zijn artikels in het ‘Musica Sacra’; over zijn aandeel in het omvangrijke werk ‘Organum comitans’; over zijne werkzaamheid in’t Mechelsch Gemengd Koor, in de Ceciliavereniging; in het Davidsfonds… maar och kom! We hebben er te dicht bijgestaan om in al die uitingen niet onmiddellijk den ‘socialen’ mensch te ondekken. Het Mechelsch Gemengd koor zal wel eens te goeder uur een korte biographie uitgeven over den meester met de opgave zijner werken. Wij, wij zijn blij, ter gelegenheid van deze ‘monumentsonthulling’ te kunnen wijzen op de ‘liefde voor den evennaaste’ die dezen kunstenaar door zijne kunst maakte tot een beminden meester.

[onderschrift bij de rechterfoto, p. 758: Aloys Desmet op het kerkhof te Mechelen. Desmet’s oudste zoon, Jozef, sneuvelde als oorlogsvrijwilliger in het Yzeroffensief 1914. Nooit brachten gedane opzoekingen iets aan het licht aangaande de plaats, omstandigheden waar de jongen het leven liet. Zijn lijk werd nooit ontdekt. Dit was voor Desmet een harde slag, die zeker z’n vroegtijdigen [dood] is komen verhaasten. Heer Rik Haesen, nu (foto uiterste figuur rechts), hield zich in de eerste oorlogsmaanden te Mechelen en in de omstreken, bezig met het opsporen, ontgraven, identificeeren en teraarde bestellen van oorlogsslachtoffers, soldaten en civielen. Hij was onderwijzer te Mechelen en voorzitter van het Mechelsch Gemengd Koor (M.G.R.[sic]), dat Desmet stichtte en leidde. Desmet vroeg aan Haesen soms hem te vergezellen - om aan vreemden - te zien bewijzen den laatsten plicht dien zijn eigen jongen wellicht moest ontberen! Zoo had vader Klerchef G. - de ouderdomsdeken van het M.G.K. - gelegenheid, den armen, treurenden vader, reeds kwijnende, te kieken - 23-09-1916 - op het soldatenkerkhof te Mechelen, in bijzijn van medehelpers van den Heer Haesen. Het is wellicht het laatste portret van Aloys Desmet.]

Van der Mueren, F.: Meester Al. Desmet 1867-1917, in: Ons Volk, p. 758-759 (knipsel zonder datum; na 4 juli 1917 - met dank aan Flavie Roquet).