D'Hooghe, Bernardinus

Temse, 26/04/1858 > Lokeren, 05/12/1936

Biografie

D'Hooghe, Bernardinus

door Annelies Focquaert

Afkomstig uit een muzikale familie uit het Waasland, kreeg Eduard Clemens (niet te verwarren met zijn neef Clément) zijn eerste lessen notenleer en klavier van zijn vader Frans, die in Temse 50 jaar lang koster-organist was en een kerkorkest dirigeerde. D’Hooghe koos voor een priesteropleiding bij de Franciscanen in Tielt (waarbij hij de naam Bernardinus aannam) en werd tot priester gewijd in 1885, waarna hij opdrachten kreeg in Tielt, Lokeren, Mechelen en Port-Saïd (Egypte). Na zijn terugkeer uit Egypte in 1916 vond hij meer tijd om zich aan de muziek te wijden. Zo deed hij in 1919 onder de titel Tot heropbloei van het liturgisch leven in onze verwoeste kerken een oproep in onder meer De Standaard om zangboeken aan te kopen voor de kerken die vernietigd waren tijdens de oorlog. Als musicus was hij autodidact, maar zijn talent kon verder ontwikkelen dankzij contacten met professionele musici zoals Oscar Depuydt, Louis De Bondt, Jaak Opsomer, Arthur De Hovre, zijn eigen familieleden en Pater Didacus Van Geyseghem, die ook tot de Franciscanerorde behoorde. Als priester was zijn muzikale bewegingsvrijheid beperkt: concerten beluisteren, laat staan opera’s, was uit den boze - al betekenden de muziekuitvoeringen die hij tijdens zijn verblijf in Manchester in de oorlogsjaren mocht beluisteren een “gezegende mannaregen op zijn strenge banen” volgens Lambrecht Lambrechts. Hij was bekend als uitmuntend liturgisch orgelbegeleider en drie van zijn motetten (o Sanctissima, Voce mea, Salve S. Pater) werden uitgekozen voor uitvoering in Rome, tijdens het eeuwfeest van Franciscus in 1924. Zijn compositiestijl, traditioneel en zangerig, past goed in de voorname eenvoud en toegankelijkheid die de orde nauw aan het hart lag en wordt door dezelfde Lambrechts beschreven als ‘serafijns' en 'bevallig van lijn en bloei’.

Onder zijn uitgegeven werken bevinden zich Gezangen voor het H. Uur; Cantuarium voor het Lof; Hymnarium Vespertinum; Kerstliederen (daaronder: In harde krib…); Missa Carmelitana; Missa Christi Regis; Zeventig nieuwe Geestelijke Liederen (met Pater Didacus); Twaalf Volksliederen ter eere van den Heiligen Antonius van Padua (1912); bijdragen tot de orgelalbums van Alfons Moortgat; de liedbundel Heure Sainte; Franciscuslied en Schoon Vlaanderen. Onder het pseudoniem Clemens Dehaut publiceerde hij ook een Zilveren bruiloft voorzang en piano; als Nardicus enkele andere geestelijke liederen. Daarnaast verschenen enkele geestelijke oefeningen van zijn hand, bijvoorbeeld Het eucharistisch uur: twintig overwegingen en oefeningen voor het aanbiddingsuur (1924). Een groot deel van zijn muziek wordt bewaard in het archief van de minderbroeders in Sint-Truiden.

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek - Annelies Focquaert