Componisten menu

ShareShare | print|
E-mail deze pagina

D'Hooghe, Clément

Temse, 21/04/1899 > Wilrijk, 01/04/1951

Biografie

D'Hooghe, Clément

door Jan Dewilde

Clément D'Hooghe werd op 21 april 1899 geboren in Temse, het dorp aan de Schelde waar ook Arthur Wilford en Piet Nuten het levenslicht zagen. Muziek zat bij Clément D'Hooghe letterlijk in de genen. Zijn vader was een veelzijdige muzikant, de muzikale factotum van Temse: violist en organist, directeur van de plaatselijke muziekschool, dirigent van de harmonie, koster-organist en leraar piano en orgel. Zijn oom, pater Bernardinus D'Hooghe componeerde religieuze muziek, zoals de Missa Carmelitana en de bundel Zeventig geestelijke liederen. Een andere oom was koster-organist in Kruibeke en onderhield nauwe contacten met Peter Benoit.

Met een dergelijke muzikale pedigree mag het niet verwonderen dat Clément D'Hooghe door zijn vader in de muziek werd geïnitieerd. In 1919 trekt hij dan naar Antwerpen waar hij privé-lessen volgt bij Alexander Papen, toen nog tweede organist van de kathedraal. Hij schrijft zich ook in aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium en haalt er, telkens met grote onderscheiding, verschillende diploma's: harmonie bij August De Boeck (1920), orgel bij Arthur De Hovre (1921), contrapunt en fuga bij Lodewijk Mortelmans (1922 - 1924).

Daarnaast studeert hij er praktische harmonie bij directeur Emile Wambach en piano bij Emmanuel Durlet. In 1927 bekroont hij zijn conservatoriumstudies met de Prijs Albert De Vleeshouwer voor compositie. Daarna gaat hij zich nog vervolmaken in religieuze muziek bij Jules Van Nuffel, orkestratie en compositiebij Paul Gilson (1928-1930) en orgelspel, met bijzondere aandacht voor improvisatie, bij Marcel Dupré in Parijs (1930-1931).

Ondertussen was hij reeds actief als organist in verschillende Antwerpse kerken: de Sint-Joriskerk (1924-1926), de Heilige Geestkerk (1926) en uiteindelijk lange jaren in de Sint-Pauluskerk (1926-1951). Deze kerk in het hart van het Schipperskwartier beschikte over een florerende muziekkapel met een rijke traditie. Zang-en orkestmeesters waren o.m. Franciscus Guillielmus Aerts (benoemd in 1838), die de muziekbibliotheek van de kerk aanvulde door orkestmateriaal over te kopen van G.G. Kennis, de kapelmeester van Sint-Pieters in Leuven; Lodewijk Kiven (benoemd in 1864); Jan Broeckx (benoemd in 1906); Renaat Veremans (benoemd in 1924); en Gust. Persoons (orkestmeester van1927 tot 1971). Na het Motu proprio uit 1903 waarin Pius X ondermeer de versobering in de kerkmuziek predikte, waren in de meeste kerken de orkesten van de doksalen verdwenen. Maar niet zo dus in de Sint-Pauluskerk waar de koppige én melomane pastoor Van Bostraeten zijn orkest handhaafde.

In deze vruchtbare omgeving was Clément D'Hooghe in nauwe samenwerking met Persoons, mee verantwoordelijk voor verschillende spraakmakende uitvoeringen met soli, koor, orgel en orkest. De muziekkapel bracht veel Vlaamse muziek van ondermeer Benoit, Wambach, Gevaert, De Boeck, Van Nuffel, Meulemans, Van Hoof, Persoons (wiens Ruusbroeckmis op 26 januari 1936 werd gecreëerd) en D'Hooghe. Maar de gewelven werden ook gevuld met het grote repertoire (missen van Haydn, Mozart en Bruckner, met de Belgische creatie van diens Mis in e op Pasen 1942 als een van de hoogtepunten) en met eigentijdse kerkmuziek (bijvoorbeeld van Gretchaninof en Kromolicki).

Alleszins was Clément D'Hooghe een begenadigd organist die goddelijk kon improviseren. Een bevoorrechte getuige als dr. Guido Persoons herinnert zich: "Het was een voorrecht de voorname organist Clément D'Hooghe jarenlang, zondag na zondag, te zien orgelspelen. Vanuit een voortdurend moduleren, boeide hij door weergaloze improvisatie. Onrustig ook, wijzigde hij doorlopend zijn registratie. Geen tweeëndertig maten bleven de registertrekkers ongemoeid. Er waren geen schokken in deze klankkleurwijziging. Wij beleefden een voortschrijding door variatie, ingegeven door het ogenblik. Zijn registratie was even vinnig en verscheiden als de orkestratie van August De Boeck, die (als interim voor Arthur De Hovre) mede zijn orgelleraar was. De registratie bij Bachwerken was anders, massaal en meer continu. De slot-Toccata klonk met alle registers open en gekoppelde klavieren. Op Groot-Orgel alleen, kreeg nadien het Fugathema door matig tempo, ruim de tijd voor toonvorming in de ruimte. Elke zware tel detailleerde de melodieopbouw. In grote blokken groeide de registratie naar het slot toe. Dit uiterlijk crescendo rondde voor ons de feestdag af."

D'Hooghe had natuurlijk fantastische orgelleraars getroffen: Papen, een leerling van Callaerts, technisch uitstekend en begiftigd met een groot improvisatietalent; De Hovre, een belangrijk Bach-interpreet; en bovenal Dupré, zonder twijfel een van de grootste organisten van deze eeuw, bij wie zowat alle Europese en Amerikaanse organisten met faam gingen studeren. Bij het einde van zijn studie loofde Dupré uitvoerig D'Hooghes orgelspel: "Vous possédez le don de l'instinct de l'improvisation. Votre jeu est précis, brillant, parfaitement rythmé et clair. Votre style pour l'interprétation de Bach, de César Franck et des modernes comporte toutes les qualités de pureté, de respect nécessaire, en même temps qu'une extériorisation sincère et noble" (brief gedateerd 2 maart 1931). En De Hovre getuigde meermaals dat D'Hooghe samen met Jef Van Hoof de beste improvisator was die hij ooit in zijn klas had.

Een minder gekende activiteit van D'Hooghe is te situeren tussen 1928 tot 1936, de periode waarin hij artistiek directeur was van de Antwerpse Empire- en het Roxy-theater. Dit waren grote bioscopen waar een orkest de stomme films begeleidde en tussen de films door muzikale intermezzo's verzorgde. In die tijd waren de cinema's de grootste commerciële werkgever van muzikanten in Antwerpen: begin 1926 waren er in het Antwerpse maar liefst 51 zalen die samen 324 muzikanten tewerkstelden.

D'Hooghe debuteerde op 30 november 1928 als bioscoopdirigent met de begeleiding van de oorlogsfilm Hemel van glorie. Hij had de beschikking over een werkelijk uitstekend orkest, samengesteld uit 6 violisten, 1 cellist, 1 contrabassist, 1 pianist, 1 organist, 1 fluitist, 1 hoboïst, 1 klarinettist, 1 fagottist, 2 trompettisten,1 trombonist, 2 hoorns en 1 slagwerker. Concertmeester en vioolsolo was de toen nog piepjonge Franz Wigy en onder de negentien overige muzikanten waren er nog elf met eerste prijzen van koninklijke conservatoria. De meerderheid was afgestudeerd aan het Koninklijk Conservatorium van Luik.

D'Hooghe moest zelf voor de begeleidende muziek zorgen. Soms ging dat niet verder dan het handig aaneen breien van bestaande muziekfragmenten (sjablonen en clichés voor een liefdesscène, een achtervolgingsscène, een natuurscène), maar daarnaast maakte hij zelf een bewerking op basis van klassieke thema's of componeerde hij originele muziek. De bioscopen concurreerden onderling met het beste orkest en de filmrecensenten bespraken niet alleen de film, maar ook de begeleidende muziek en de prestatie van het orkest..

D'Hooghe probeerde het bioscooppubliek in contact te brengen met klassieke muziek door in plaats van de gebruikelijke amusementsmuziek als "entr'acte musical" een eigen bloemlezing met thema's van Benoit, Blockx, Wambach en Gilson of toegankelijke composities uit het internationale repertoire (zoals Saint- Saëns' Rondo Capricioso met de zeventienjarige Wigy als solist) te brengen.

Een dergelijke "volksopvoedende" taak zag hij ook voor zich weggelegd toen hij in 1929 directeur werd van de Berchemse muziekacademie. Hij beschouwde de muziekschool als een oord van culturele volksverheffing in een al te materialistisch aangelegd maatschappelijk leven. In zijn functie als directeur schreef hij veel voor kinderen: jeugdcantates en tientallen kinderliederen, die tijdens leerlingvoordrachten vaak met orkestbegeleiding gebracht werden. En blijkbaar vielen die werken in de smaak, want later werd hij ook gevraagd door het Antwerps Jeugdtheater. Voor de muziekacademie verzorgde hij ook symfonische concerten. Op 7 januari 1950 bijvoorbeeld dirigeerde hij een vroege symfonie van Haydn, een pianoconcerto van Mozart (met Yvonne Van den Berghe als soliste), twee aria's van Mozart (met de bas Edward De Decker), Noorse dansen van Grieg, een orkestdans van De Boeck en de creatie van het eerste deel van zijn eigen Romantisch Concerto voor piano en orkest (eveneens met Van den Berghe als soliste).

In 1942 werd D'Hooghe aan het Antwerps Conservatorium benoemd tot leraar praktische harmonie en "toonverzetting", zoals de - inmiddels afgeschafte - cursus transpositie toen genoemd werd. Na een korte schorsing na de oorlog solliciteerde hij in 1947 aan dezelfde instelling voor de functie van orgelleraar (in opvolging van Papen). Een aanbevelingsbrief van Marcel Dupré hielp niet en de benoeming ging naar Flor Peeters.

De repressie heeft zijn gezondheid geen goed gedaan: Clément D'Hooghe was nog net geen 52 jaar toen hij op 1 april 1951 in Wilrijk overleed. Toch liet hij een omvangrijk oeuvre van zowat 400 werken na (bewerkingen incluis).

Veel dienstbare muziek, gelegenheidswerk zoals stap- en feestliederen en cantates (Moederweelde, voor de inhuldiging van een materniteit in Temse in 1936; In memoriam Minister Arthur Van der Poorten, op tekst van Karel Jonckheere, 1946). Waar hij zich in deze volkse en functionele muziek als componist ondergeschikt maakt laat D'Hooghe elders een eigen en meer bij-de-tijdse taal horen met kleurtoetsen uit het Franse impressionisme.

In zijn pianomuziek bijvoorbeeld, waar hij naast een sonate en enkele sonatines een voorliefde toont voor genrestukjes (Avondstemming, Chinoiserie, Solitude) en dansen. Zijn Gavotte en Tarentella zijn te horen op Philibert Mees' recente CD Romantische Vlaamse Klaviermuziek (De Rode Pomp) en vallen op door hun ongecompliceerd speel- én luisterplezier. En Marcel Poot was zeer gecharmeerd door zijn Nocturne, die door de Ring samen met werk van Albert, Baeyens, Borremans en Van den Broeck gepubliceerd werd: "Dans le second volume d'oeuvres pour piano qui vient de paraître dans cette intéressante édition, une pièce attire particulièrement notre attention. Il s'agit du Nocturne de Clément D'Hooghe. Ecrite dans une note très debussyste, très "latine" d'aspect, cette oeuvre reflète une nature musicale tendre et délicate. M. Clément D'Hooghe s'y avère un musicien solide et possédant son métier jusqu'au bout des doigts. Il est regrettable tout de même qu'un si beau talent ne consacre sa juvénile force à la défense de la musique moderne!" (Revue musicale belge, 20 november 1926).

Vreemd genoeg componeerde de organist D'Hooghe slechts een vijftiental werken voor groot orgel, o.a. 4 Toccata's, Kleine suite, Vrolijke optocht, Elegie.

Verschillende van zijn piano- en orgelwerken bewerkte hij later voor symfonisch orkest, maar daarnaast schreef hij ook enkele originele orkestcomposities: Symfonisch gedicht. Hulde aan drie nationale toondichters (1939), waarin hij een origineel eerbetoon brengt aan César Franck (geïnspireerd door diens orgelmuziek), August De Boeck en Peter Benoit (met citaten uit de Rubensmars en Mijn moederspraak); Kaboutersballet (1942), misschien wel zijn populairste orkestwerk, getuige alleen al de zes opnamen door het omroeporkest; de driedelige Orkestsuite, die in 1942 werd bekroond in de "Prijskamp ontspanningsmuziek" van het NIR. Daarnaast componeerde hij ook enkele concerterende werken, zoals het Romantisch Concerto (1949) dat in 1994 werd opgenomen door Jozef De Beenhouwer en het BRT-orkest o.l.v. Sylveer Van den Broeck, en de Legende voor cellosolo en orkest (1942).

Na het orgel was de cello D'Hooghes geprefereerde instrument. Hij schreef verschillende stukken voor cello solo, voor cello solo met begeleiding van 8 cello's, en voor cello en piano, zoals de geëlaboreerde Cellosonate (1945) waarover Piet Nuten schreef: "De gedegen thematische dialectiek, de expressieve zangerigheid, de spanningsvolle dialogen, het rijkgeschakeerde harmonische beeld, de nooit falende trefkracht en dynamische beklemtoning van het instrumentale samenspel zijn eigenschappen die deze compositie plaatsen bij het beste uit de Vlaamse cello-literatuur."

Ook de rest van zijn kamermuziek verdient beter dan de totale onverschilligheid waarmee ze nu bejegend wordt, zoals het Pianotrio (in 1939 bekroond in de nationale wedstrijd 'Foyer de l'art vivant'), het Pianokwartet (1939); het Trio in vorm van suite (voor piano, viool en altviool) dat vele keren werd uitgevoerd door het trio van violist Jozef Pauly; het Strijkkwartet (1944) dat door het Quatuor Wigy in 1947 werd opgenomen voor het NIR; werken voor viool en piano (o.a. Canzonetta uit 1934, opgedragen aan Frans Wigy) en verschillende composities voor blaasinstrumenten.

Naast de reeds genoemde gelegenheidswerken componeerde D'Hooghe nog heel wat vokale muziek, zoals tientallen kunstliederen op teksten van o.m. René De Clercq, Willem Gijssels, August Van Cauwelaert, Maurice Maeterlinck en de onvermijdelijke Guido Gezelle.

Het grootste deel van zijn religieuze koormuziek schreef D'Hooghe voor de Sint-Pauluskerk: Missa in honorem S. Pauli voor 2 gelijke stemmen en orgel (1930); Te dicimus praeconio, een hymne op het gregoriaanse Ave Maris Stella voor bariton, mannenkoor, orgel en orkest (1940); Psalm 145 Lauda anima mea Dominum voor gemengd koor, orgel en orkest (1941); O Jesu amor mi, voor 2 gelijke stemmen en orgel; Magnificat, voor 3 gelijke stemmen, orgel en strijkers (1942); de tweede Missa in honorem S. Pauli, bijgenaamd Missa gregoriana, die voor het eerst met orkest werd uitgevoerd op Kerstdag 1943; Missa brevis, voor 2 of 3 gelijke stemmen (1944); Ave Maria, Regina Sacratissimi Rosarii, voor driestemmig gemengd koor en koperensemble. Verder componeerde hij nog enkele zettingen van Adeste fidelis, AdoroTe, Pie Jesu en Tantum Ergo.

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Jan Dewilde