Componisten menu

ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Fontyn, Jacqueline

Antwerpen, 27/12/1930

Biografie

Fontyn, Jacqueline

Christine Dysers

Voor de ouders van Jacqueline Fontyn is het al vroeg duidelijk: hun dochter is een muzikaal wonderkind. Vanaf de prille leeftijd van vijf jaar krijgt zij dan ook private muzieklessen bij de Russische pianist Leonid (Ignace) Bolotin (1902-1942). Onder zijn impuls begint Fontyn rond haar negende reeds korte werkjes te componeren, die hij voor haar noteert. Wanneer Bolotin in 1942 vroegtijdig en onverwachts overlijdt, gaat zij in de leer bij Marcel Maas (1897-1950). Na een basisopleiding aan de lokale muziekacademie te Berchem, besluit Fontyn op slechts veertienjarige leeftijd dat zij later componiste wil worden. Amper twee jaar later begint zij aan haar studies muziektheorie, contrapunt en compositie bij Marcel Quintet (1915-1986) te Brussel. In 1949 richt ze het Antwerpse kamerkoor Le Tympan op, dat onder haar baton nationale populariteit verwerft. Tijdens talloze radio- en liveoptredens bewijst het koor van alle markten thuis te zijn, met een repertoire dat reikt van de middeleeuwse trouvèremuziek van Adam de la Halle tot het vroeg-twintigste-eeuwse classicisme van Darius Milhaud.

Het is Quinet die Fontyn in 1954 aanmoedigt om naar Parijs te trekken, om er te studeren onder Nadia Boulanger (1887-1979). Als gevolg van een creatief geschil met Boulanger gaat Fontyn echter bijna meteen na haar aankomst in Parijs in de leer bij de Oostenrijkse componist Max Deutsch (1892-1982). Deutsch, die zelf een student van Arnold Schönberg was, laat haar kennismaken met de gestileerde klankwerelden van de Europese avant-garde. Fontyn assimileert er in sneltempo Schönbergs rigide twaalftoonstechniek. Haar muzikale taal evolueert echter algauw naar een strikte toepassing van de seriële techniek (in werken zoals Capriccio voor piano, 1954), om kort daarna te versoepelen naar een meer flexibel serialisme (in werken zoals Psalmus Tertius voor bariton, koor en orkest, 1959; Spirales voor twee piano’s, 1971; en Per Archi voor strijkorkest, 1973).

In 1956 laat Fontyn Parijs achter zich, om onder Hans Swarowsky (1899-1975) koor- en orkestdirectie te gaan studeren aan de Akademie für Musik und Darstellende Kunst te Wenen. In de herfst van datzelfde jaar keert zij terug naar België, waar ze samen met Marcel Quintet de partituren van onder meer Vincent D’Indy en Albert Roussel bestudeert. Na een eervolle vermelding in 1955, krijgt Fontyn in 1959 de Tweede Prijs in de Prix de Rome voor compositie toegekend. Er wordt dat jaar geen Eerste Prijs toegekend in die categorie. Nog in 1959 wordt zij met haar cantate Psalmus Tertius, een werk voor bariton, koor en orkest, bekroond tot laureaat van de Muziekkapel Koningin Elizabeth.

Fontyns compositorische taal wordt in deze periode steeds flexibeler. Dit verraadt de invloed van de Parijse muziekscène, die op dat moment werd gekarakteriseerd door een toenemende drang naar intuïtie, atmosfeer en associatie. Vooral haar vriendschap met de Franse componist Henri Dutilleux (1916-2013) laat vanaf de late jaren 1960 een blijvende impact na op Fontyns oeuvre. In haar werk focust zij zich steeds meer op muzikale parameters zoals klankkleur en harmonie. Sara Huysmans (1967) beschrijft dit als een ontwikkeling naar een ‘modern impressionisme’ toe:

Men zou in verband met de muziek van Jacqueline Fontyn kunnen spreken van een modern gericht impressionisme, dat tot uiting komt in een romantische bewogenheid, die wordt beheerst door een dromerige, warmgekleurde, luciede [sic] en temperamentvolle zeggingskracht.[1]

In 1963 gaat Fontyn als docente muziektheorie en contrapunt aan de slag aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium te Antwerpen. Slechts één jaar na haar aanstelling wordt haar pianowerk Ballade door de organisatie van de Koningin Elisabethwedstrijd gekozen als plichtwerk voor de tweede kwalificatieronde. Fontyn is op dat moment reeds een gewaardeerd figuur binnen het stedelijke muziekleven.

Omstreeks 1970 laat Fontyn Antwerpen echter achter zich om les te gaan geven aan de Franstalige afdeling van het Koninklijk Conservatorium te Brussel. Ze richt er eigenhandig de opleiding compositie op, die tot dan toe onbestaande was. In 1976 doet de organisatie van de Koningin Elisabethwedstrijd opnieuw beroep op Fontyns diensten. Ze schrijft in hun opdracht het vioolconcerto Rêverie et turbulence, dat dienst doet als plichtwerk tijdens de finale van de wedstrijd in datzelfde jaar. Dit geeft haar carrière een internationale boost, waarna zij als gastdocente wordt uitgenodigd over de ganse wereld. Sindsdien geeft Fontyn gastlessen, masterclasses en seminaries in onder meer Duitsland, Frankrijk, Nederland, Israël, China, Hongarije, Polen, Korea, de Verenigde Staten en Nieuw-Zeeland.

Terwijl de jaren 1970 een periode van verhoogde professionele activiteit markeren voor Fontyn, blijft zij ook intensief componeren. Haar muzikale taal ondergaat in deze periode een radicale versoepeling, waarbij persoonlijke expressie centraal komt te staan. Onder invloed van de Poolse componist en haar persoonlijke vriend Witold Lutosławski (1913-1994) komt Fontyn tot wat zij een ‘gecontroleerd indeterminisme’ noemt. Daarbij spelen kansoperaties een belangrijke rol tijdens het compositieproces, maar blijft de componist de verantwoordelijkheid over het klinkende resultaat behouden. De beweging naar een vrijere en meer persoonlijke muzikale taal wordt voltooid met Éphémères (1979), een werk voor mezzosopraan en kamerorkest. Het werk neemt zes gedichten van de Antwerpse schrijver Robert Guiette (1895-1976) als tekstuele basis. Op muzikaal vlak omhelst Éphémères een complexe ritmiek, een lineaire stemvoering, een opvallende metrische vrijheid, veelvuldige kleurcontrasten, en talloze extended techniques. In die zin staat het werk symbool voor Fontyns latere oeuvre, waarin intuïtieve klankassociaties centraal komen te staan.

Vanuit haar focus op intuïtie en persoonlijke expressie groeit Fontyns werk over de jaren heen uit tot een eclectisch, rijk, en intens gediversifieerde geheel. Met een oeuvre dat getuigt van een bijzondere poëtische zeggingskracht ontwikkelt Fontyn zich tot één van de meest vooraanstaande en internationaal gerenommeerde componisten in België. Als één van de weinige Belgische kunstenaars slaagt zij er bijvoorbeeld in om erkenning te vinden aan beide kanten van de taalgrens. Tijdens haar loopbaan weet Fontyn bovendien verschillende internationale prijzen in de wacht te slepen, zoals onder meer de Prijs Oscar Espla te Spanje (1961), de Prijs Arthur Honegger te Frankrijk (1987) en een commissie van de Library of Congress te Washington (1988). Kwalitatief gezien staat het oeuvre dan ook onmiskenbaar op gelijke hoogte met dat van tijdsgenoten zoals Karel Goeyvaerts (1923-1993), Louis de Meester (1904-1987), en andere grote namen uit de Belgische naoorlogse avant-garde. In 1993 kent het Belgische koningshuis Fontyn zelfs de titel van barones toe, als teken van erkentelijkheid tegenover haar artistieke verdiensten en prestaties.

Tot op vandaag blijft de barones componeren en innoveren. Aan de vooravond van haar negentigste levensjaar wordt haar werk nog steeds internationaal gelauwerd én gespeeld. Ook haar recente werk wordt gekenmerkt door ritmische vrijheid, kleurrijke harmonische velden en een drang naar experiment, zowel qua vorm als qua uitvoeringspraktijk. Zoals Fontyn het zelf zegt:

Ik ben zelf altijd op zoek naar een vernieuwing van mijn eigen harmonie, en naar een verdieping of uitdieping van de taal. Een evolutie als het ware; ik probeer altijd verder te gaan. Want wie stil blijft staan, gaat achteruit.[2]

[1] Sara Huysmans (1967), Muziek in België: Hedendaagse Belgische componisten (Brussel: CeBeDeM), p.74.

[2] Jacqueline Fontyn, in: ‘Diapason: Jacqueline Fontyn’ (televisiereportage VRT (VIAA), 1992). Geraadpleegd op 18 november 2019.