Gilson, Paul

Brussel, 15/06/1865 > Brussel, 03/02/1942

Artikels

Höflich-uitgave: Francesca da Rimini

Met de creatie op 20 maart 1892 van zijn symfonische schetsen La mer had Paul Gilson zich op het voorplan van de Belgische muziekscène gewerkt. Kort nadien begon hij aan de compositie van Francesca da Rimini, een groots opgezet werk voor vocale soli, koren en uitgebreid orkest. Sommigen noemden het destijds een oratorium, anderen hadden het over een dramatische cantate, een symphonie dramatique, een poème vocal et symphonique, of dramatisch zanggedicht. Gilson zelf blijkt er geen nadere kwalificatie voor te hebben bedacht.

De tekst, deels in verzen, deels in een soort ritmisch proza, is van de hand van Jules Guilliaume (1825-1900), letterkundige en ambtenaar, en van 1866 tot 1897 secretaris-schatbewaarder van het Koninklijk Conservatorium van Brussel. Geïnspireerd door de bekende passage uit het Inferno van Dante’s Divina comedia, wordt het verhaal verteld van de onmogelijke aardse liefde tussen Paolo en Francesca, bezegeld in eeuwige verbondenheid in de hel. Samen betrapt door de echtgenoot van Francesca, werden beiden door hem vermoord. In deel I (Dans les limbes) vertellen ze Minos bij hun aankomst in het voorgeborchte van de hel over hun onfortuinlijke lot. Paolo wordt veroordeeld tot de eeuwige verdoemenis. Francesca verkiest met hem mee te lijden: "Comme la mort, l’enfer nous rassemble. Ensemble désormais, ensemble!". Tot het uiterste gekweld, bidt Francesca in deel II (Le deuxième cercle de l’enfer) de engel Gabriël uiteindelijk toch om redding. Haar smeekbede wordt verhoord maar Paolo krijgt geen gratie. Francesca weigert Paolo te verlaten: "L’enfer sera mon paradis".

Uit een briefkaart van de componist aan de tekstschrijver, gedateerd op 10 november 1892, blijkt dat het eerste deel van de compositie, op enkele details na, begin november klaar moet zijn geweest. Verdere informatie over de ontstaansgeschiedenis ontbreekt.

Net als La mer in 1892 werd ook Francesca da Rimini gecreëerd door de 'Concerts Populaires de Musique Classique' onder de leiding van Joseph Dupont. Na de creatie op 20 januari 1895 in Brussel schreef Lucien Solvay in het Franse muziektijdschrift Le Ménestrel: "Ce n’est pas un succès que j’ai à enregistrer, mais un triomphe." En hij voegde er laconiek aan toe: "Et vous savez que le public belge n’est généralement pas très expressif quand il s’agit d’auteurs nationaux. Pour mériter son enthousiasme, il faut l’avoir mérité !"

Niet alle kritieken waren even uitbundig. Zo kon bijvoorbeeld een anoniem auteur in L’Art Moderne, spreekbuis van Les XX, maar niet begrijpen waarom Gilson dergelijke, literair weinig hoogstaande tekst uitkoos als basis voor een compositie. Hij gaf hem de raad mee het schrijven van grote dramatische werken met literaire inslag op te geven om zich te wijden aan ‘pure’ muziek, aan genres als symfonie en kwartet. Een merkwaardige kritiek, om meerdere redenen. Gilson had tot dan toe immers nog maar één enkele ‘dramatische compositie’ geschreven: Le démon, een lyrisch drama in twee bedrijven op tekst van Louis de Casembroot (bibliothecaris en adjunct-secretaris van het conservatorium van Brussel) naar de gelijknamige ballade uit 1841 van Michail Lermontoff. Le démon was voor het eerst uitgevoerd in Mons, op 10 april 1893. Kennelijk erkende de recensent La mer ook niet als een zuiver orkestrale fantasie waarop het Beethoveniaanse "mehr Ausdruck der Empfindung als Malerei" perfect van toepassing is. Bovendien was hij blijkbaar ook helemaal niet op de hoogte van het feit dat Gilson, nog niet ten volle dertig, toen al enkele opmerkelijke kamermuziekwerken voor blazers op zijn actief had (onder andere Quatuor sur des mélodies alsaciennes voor 2 trompetten en 2 trombones; Humoresque voor fluit, hobo, 2 klarinetten, hoorn en 2 fagotten; Scherzino voor 3 trompetten en bariton; Petite suite voor 4 hoorns).

Op een aantal punten waren alle commentaren het wél eens: de invloed van Richard Wagner in de Leitmotiv-techniek, de lyrische souplesse, de rijkdom aan ideeën en bovenal de orkestrale virtuositeit van Gilson, het rijk geschakeerd orkestpalet ondanks de grote bezetting, de exuberante kleurschakeringen door middel van voor die tijd ongebruikelijke combinaties en technieken, het "instinct de peintre, où la palette de Rubens semble chanter sa gamme triomphale" (Le Soir, 22 januari 1895), "une vigueur de touche, une habileté orchestrale qui peuvent le classer au premier rang parmi les symphonistes modernes" (Henri Thiébaut in La Libre Critique, 27 januari 1895).

Na de creatie in 1895 werd Francesca da Rimini maar weinig meer uitgevoerd, wellicht niet meer dan zes keer: nog twee maal in Brussel (1934; 1942, door de nationale radio-omroep als Europees radio-concert uitgezonden) en vier maal in Antwerpen (1913, 1925, 1935 en 1949).

Dat de partituur werd uitgegeven, danken we aan het initiatief van enkele anoniem gebleven melomanen, bewonderaars van Gilson: "Quelques amateurs de musique, désireux de faire connaître à l’étranger l’oeuvre de M. Paul Gilson, Francesca da Rimini, exécutée cet hiver aux Concerts populaires, ont résolu de la publier par souscription. Celli-ci, fixée à 25 francs, donne droit à un exemplaire de la partition d’orchestre de Francesca et à la réduction pour piano" (L’Art Moderne, 21 juli 1895). De internationale ambities van de initiatiefnemers bleven steken in de goede bedoelingen. Voor zover bekend werd Francesca da Rimini nooit in het buitenland uitgevoerd. De autograaf werd tot op heden niet teruggevonden.

In 1948 kocht de Koninklijke Bibliotheek Albert I in Brussel een exemplaar van deze editie. In die partituur, "ayant appartenue à Paul Gilson", zijn in het handschrift van de componist de aanvullingen en correcties aangebracht.

Van Holen, J.: [Nederlandse inleiding bij Höflich-cataloognummer 518, 2006].