Componisten menu

ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Goossens, Eugène (III)

Londen (GB), 26/05/1893 > Hillingdon (GB), 13/06/1962

Biografie

Goossens, Eugène (III)

door Annelies Focquaert

De componist en dirigent Sir Eugène Aynsley Goossens werd geboren uit een muzikale familie met Vlaamse roots: zowel zijn grootvader als zijn vader (resp. Eugène Goossens I en II) waren professionele dirigenten. Zijn carrière als dirigent en componist leidde hem van Londen naar Rochester (VS) en Sydney (AUS).

Van de vijf kinderen uit het huwelijk van Eugène Goossens (II) en zangeres Annie Elizabeth Mary Agnes Cook, was Eugène (III) de oudste; ook zijn broers en zussen zouden allen een muzikale carrière maken. Vader Goossens zou, ondanks zijn geboorte in Bordeaux, heel zijn leven 'a staunch Fleming' blijven, zoals zijn zoon het in zijn autobiografie noemt.

De jonge Eugène (in het Engels wordt zijn naam vaak met een gewone e geschreven) Aynsley kreeg zijn eerste muzieklessen thuis van zijn ouders en werd in 1901 naar het internaat van de Brugse Jezuïeten gestuurd voor zijn lagere schooltijd. Vanaf 1903 kreeg hij twee keer per week muziekles viool en notenleer aan het Brugse Conservatorium. Toen hij weer bij zijn familie in Liverpool was vanaf 1906, zette hij zijn studies voort aan het Christian Brothers' Institute en in het Liverpool College of Music. Daar won hij in 1907 een door de stad toegekende beurs die hem in staat stelde om te gaan studeren aan het Royal College of Music in Londen. Hij kreeg er les van Achille Rivarde (viool), John Dykes (piano), Charles Wood (theorie) en  Charles Villiers Stanford (compositie) en studeerde af in 1912. Arthur Bliss, Arthur Benjamin en Herbert Howells waren er zijn medeleerlingen. Hij werd violist in sir Henry Wood's Queen's Hall Orchestra (1911-1915), studeerde af in 1912 en debuteerde in hetzelfde jaar als dirigent met zijn eerste compositie (Variations on a Chinese theme) en was stichter van het Philharmonic String Quartet, waarin hij tweede viool speelde.

Wegens een hartkwaal werd hij vrijgesteld van militaire dienst en zo kon hij in 1916 in het Shaftesbury Theatre op het laatste nippertje Thomas Beecham vervangen in twee nieuwe opera's: The critic van Stanford en Ethel Smyth's The boatswain's mate. Hier bleek zijn gave om bijzonder snel nieuwe partituren te assimileren en het succes van zijn debuut maakte dat Beecham hem als zijn assistent-dirigent aannam, een 10-jarig engagement dat leidde tot grotere kansen zoals het dirigeren van Diaghilev's 'Les Ballets Russes' en de Carl Rosa Opera Company (in de voetsporen van zijn vader en grootvader).

In juni 1921 bracht Goossens onder zijn eigen naam een orkest van virtuozen op de been, waarmee hij in Londen eigentijdse muziek uitvoerde. Op hun conto staat de eerste Engelse concertuitvoering van Stravinsky's Le Sacre du Printemps, in aanwezigheid van de componist. In de kranten werd de jonge dirigent 'London's Music Wizard' genoemd, maar het grote publiek kon zijn vooruitstrevendheid (hij voerde ook werk van Schönberg, Milhaud, Honegger en Poulenc uit) niet altijd smaken.

Zijn carrière kreeg in 1923 een onverwachte wending door de uitnodiging van George Eastman (de stichter van Kodak), om dirigent te worden van het pas opgerichte Rochester Philharmonic Orchestra in New York. Daarbij hoorde ook een lesopdracht in de Eastman School of Music. Tijdens de lesvrije periodes dirigeerde hij de orkesten van Philadelphia, Boston, New York en San Francisco en reisde hij naar Europa om er zijn eigen werk te dirigeren.

In 1931 volgde hij Fritz Reiner op als permanente dirigent van het Cincinnati Symphony Orchestra, een orkest dat eerder ook onder leiding had gestaan van andere wereldburgers met Belgische wortels: Eugène Ysaÿe en Frank Van der Stucken. Goossens behield deze functie voor de volgende 19 jaar van zijn leven. Hij kreeg de Légion d'honneur toegekend in 1934 en werd een alom internationaal gerespecteerd dirigent. Met het Cincinnati Symphony Orchestra verzorgde hij o.m. de première van Ralph Vaughan Williams' London Symphony en William Waltons Concerto voor viool in 1941. Als componist speelde hij mee in de hoogste rang en stond hij op hetzelfde niveau als zijn Britse collega's Walton, Bliss en Vaughan Williams.

In 1946 wees hij het aanbod af om dirigent te worden van de nieuw opgerichte Covent Garden Royal Opera and Ballet Company omdat hij onder gezag zou staan van de algemene directeur. Nadat Goossens in 1947 een succesvolle tournee had ondernomen in Australië, nodigde Charles Moses van de Australian Broadcasting Commission (ABC) hem uit om de eerste permanente dirigent te worden van het Sydney Symphony Orchestra (SSO). Tegelijkertijd werd hem er ook de directeurszetel van het Conservatorium van New South Wales State (Sydney) aangeboden. Toen hij beide posten aannam, was zijn gecombineerde loon naar het schijnt groter dan dat van de eerste minister. Vanaf juli 1947 trad Goossens in functie.

Hij maakte er zijn plan waar om van het SSO "one of the six best orchestras in the world" te maken door o.m. een drastische verjonging van het orkest, een uitbreiding van het repertoire en natuurlijk ook zijn vakmanschap en charisma als dirigent. Hij zette niet alleen repertoire op het programma dat in Australië nieuw of onbekend was maar verzorgde ook de wereldpremière van John Antill's Corroboree (een ballet gebaseerd op muziek van de Aboriginals, 1947).

Ook in het Conservatorium voerde Goossens een algemene reorganisatie van de klassen, koor en orkest door, trok hij nieuwe leraars aan uit Europa en liet hij jaarlijks twee opera's opvoeren door studenten. Joan Sutherland, toen nog een onbekende typiste, maakte er haar debuut in Goossens' opera Judith. Wanneer hij kon, gaf hij ook zelf les: harmonie, contrapunt en compositie. Doorheen de jaren groeide zijn reputatie nog meer doordat hij succesvolle openluchtconcerten voor klassiek muziek organiseerde die massa's volk aantrokke. Hij was ook één van de grote pleitbezorgers voor de oprichting van een eigen operahuis in Sydney. In 1955 werd hij geridderd voor de diensten die hij bewezen had aan de Australische muziek.

Maar hoge bomen vangen veel wind en ook Goossens zou daar niet van gespaard blijven: op het hoogtepunt van zijn roem werd zijn carrière geknakt door een schandaal. Zijn interesse in pantheïsme en occultisme had hem bevriend gemaakt met de "heks van Kings Cross", de vrijgevochten artieste Rosaleen Norton. Bij een undercover-huiszoeking door de politie in 1955, in het kader van de strenge wetten op zedeloos gedrag, werd een bundel bezwarende brieven van Goossens aan Norton in beslag genomen. Toen Goossens in maart 1956 terugkwam van een tournee door Europa, werd hij in de luchthaven van Sydney door de douane betrapt op het bezit van pornografisch materiaal. De daaropvolgende rechtszaak wegens "scandalous conduct" zorgde ervoor dat hij zijn ontslag moest geven en twee maanden nadien naar England verhuisde. Maar ook in Engeland kon hij door de hetze nog moeilijk vast werk vinden - buiten een reeks studio-opnames voor o.m. de BBC en Everest Records en gastoptredens als dirigent - en hij kreeg ook gezondheidsproblemen. Hij overleed in Engeland in 1962.

Goossens was een begaafd en vruchtbaar componist. Zijn werken werden vaak uitgevoerd tijdens het interbellum maar vielen nadien in de vergetelheid, onder meer door een veranderende tijdsgeest en door de hoge technische uitvoeringseisen van zijn werk. Misschien omdat hij zoveel tijd besteedde aan het dirigeren van composities van meer begaafde componisten, vertonen zijn eigen werken een groot ecclectisme, waarbij hij er niet helemaal in slaagde om een duidelijke stem en eigen persoonlijkheid te vinden. Goossens vroege en meesterlijke beheersing van het orkestrale klankpalet is te horen in werken als het scherzo Tam o'Shanter (1916) en de Sinfonietta (1922), met invloeden van Richard Strauss, terwijl zijn kamermuziekwerken een echo laten horen van de Franse impressionisten uit het einde van de 19e eeuw.

Zelf trok Goossens enkele van zijn vroege kamermuziekwerken, zoals het Octet (1911), uit de handel terug, nadat hij meer in de richting van het neo-classicisme van Stravinsky evolueerde. Zijn belangrijkste werken zijn het Concerto for Oboe (1927) dat hij componeerde voor zijn broer Léon; twee operas, Judith (1929) en Don Juan de Mañara (1935); Symphony No.1 (1940) en Symphony No.2 (1942-44) en een oratorium The Apocalypse (1954). Hij schreef ook toneel- en filmmuziek (The Constant Nymph van Basil Dean, 1933);  liederen, strijkkwartetten en werken voor piano of viool. Delius prees zijn Phantasy Quartet als "the best thing I have seen coming from an English pen."

In 1991 noemde de ABC een opnamestudio in Sydney naar Goossens, als late erkenning voor zijn bijdrage tot de muziek in Australië. Na een lange periode van vergetelheid werden vanaf het midden van de jaren 1990 verschillende cd-opnames uitgegeven met werk van Goossens of met Goossens als dirigent, o.m. op de labels Guild en Chandos.

Dat de uitspraak van Goossens' achternaam in Engeland en Australië een iets andere tongval kreeg dan in het Vlaams, wordt duidelijk met de gevleugelde woorden van de Engelse acteur-schrijver-componist Noel Coward:

"My heart just loosens
When I listen to Goossens.
"

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Annelies Focquaert