Hanssens, Charles-Louis [jeune]

Gent, 12/07/1802 > Brussel, 08/04/1871

Artikels

Höflich-uitgave: Aux mânes d’un f[rère] qui fut roi (1866)

De maçonnieke rouwcantate bij de dood van koning Leopold I, le Roi maçon

Toen Leopold I van Saksen-Coburg op 10 december 1865 overleed, verloor de Brusselse vrijmetselarij geen tijd in het organiseren van een maçonnieke herdenkingsplechtigheid. Op zondag 14 januari 1866 werd er in de lokalen van de loge 'Les Vrais Amis de l’union et du Progrès réunis', een vergadering belegd waarin werd beslist dat Charles Louis Hanssens (1802-1871) een opdracht zou krijgen om een gelegenheidscantate te componeren voor de geplande rouwloge van 10 februari 1866. [1] Dit hield in dat de componist minder dan een maand de tijd had om een geschikte tekst te vinden, de muziek te componeren en het stuk te repeteren. Daarnaast hield Hanssens zich ook nog bezig met het samenstellen van een orkest en een koor, en het engageren van de zangers. Het werd een race tegen de klok
In deze tekst zullen we niet alleen de omstandigheden rond de compositie bespreken, maar ook de opbouw van de cantate zelf en haar relatie tot het maçonnieke rouwritueel.

Ontstaan en omstandigheden

De tekst voor deze cantate werd geschreven door de Fransman Marcel Briol (1818-1866). Die was tussen 1864 en zijn vroege dood in 1866 werkzaam als regisseur in de Muntschouwburg en het is precies in die periode dat hij werkte aan een biografie over de eerste koning der Belgen onder de titel Léopold 1er et sa dynastie. [2] Hij hoefde bijgevolg geen verder onderzoek te ondernemen om de tekst voor een cantate over koning Leopold te kunnen neerpennen. De Fransman was bovendien een ervaren dichter, die in De Munt een collega van Hanssens was. Verder was hij ook een vrijmetselaar en lid van de Brusselse loge 'Les Amis Philanthropes', waardoor Hanssens en Briol zich ook in die middens konden treffen. De tekst van de cantate kreeg binnen enkele dagen vorm. Hanssens, die de reputatie had snel te kunnen werken, schreef meteen daarop de muziek en vond ook nog de tijd om de muzikanten aan te werven die nodig waren om het werk op te voeren. Onder de solisten rekruteerde hij eerst de tenor Pierre Marius Victor Jourdan (1823-1879), een van de vedetten van de Munt die wel vaker zong in de Brusselse loges. Ook de vier overige zangers waren op dat ogenblik actief in de Munt. Het gaat om baszanger Pierre Henri Joseph Depoitier (1831-1899), baszanger Agricola Monier (?-?), Provençaalse bariton en liedjesschrijver Marius Féraud (1812-1891) en sopraan ‘Mademoiselle Moreau’, die tussen 1865 en 1867 in de Munt aan de slag moet zijn geweest. [3] Jourdan en Depoitier waren al langer vrijmetselaar en Monier en Féraud zouden snel diezelfde richting uitgaan.

Hanssens componeerde een tweeledige cantate voor een koor en een orkest. Daarbij orkestreerde hij voor wat in essentie het vroegromantisch orkest was. Dat betekent dat er naast de standaard houtblazerssectie, bestaande uit twee fluiten, twee hobo’s, twee klarinetten en twee fagotten, een uitgebreide koperblazerssectie voorzien werd. Die bestond uit de gebruikelijke twee hoorns en twee trompetten, aangevuld met drie trombones, typisch voor negentiende-eeuwse orkesten. De precieze sterkte van de strijkerssectie valt niet uit de partituur op te maken, maar de gangbare zes eerste violen, zes tweede violen, vier altviolen, twee cello’s en twee contrabassen, moeten een minimum geweest zijn. Tel daarbij nog een slagwerker en een harpist, nodig voor de uitvoering van de Mélopée, en het totaal aantal muzikanten voor deze partituur dikt aan tot een minimum van 37 man, exclusief dirigent. Dat was zo ongeveer de minimumbezetting voor een Beethovensymfonie, een repertoire dat Hanssens goed kende.

De titelpagina van de tekst voor de cantate maakt duidelijk dat de muziek werd uitgevoerd ‘par les artistes, l’orchestre, les choeurs du théâtre royal de la Monnaie, et les f[rères] de la colonne d’harmonie’. [4] Ook dat kan een argument zijn waarom Hanssens werd gekozen om de cantate te verzorgen. Op dat ogenblik was hij immers al jaren een gereputeerd orkestleider in de Munt en kon hij zelfs terugkijken op een carrière als directeur van het theater. Dat vergemakkelijkte zijn taak om een orkest samen te stellen aanzienlijk, aangezien hij wist op wie van zijn orkestcollega’s hij een beroep kon doen en tegen welke voorwaarden dat zou gebeuren. Een blik op het Muntorkest uit de periode dat Hanssens er werkte, geeft ons een beter beeld van zijn sterkte en mogelijkheden. De strijkerssectie was dan plots 10-8-6-4-2, de houtblazerssectie verliep met een 3-3-3-3-verdeling, de kopers waren met vier hoorns, drie trompetten en drie trombones, aangevuld met tuba en ophicleïde. [5] Daarnaast was er nog een slagwerker en een harpspeler. Dit brengt het totaal naar een maximum van 56 muzikanten, de omvang van een hoogromantisch orkest.

Verder voorziet de partituur ook in een koor. Dat het koor van de Muntschouwburg daarvoor werd ingezet, stond als een paal boven water, zoals blijkt uit de titelpagina van de cantate. Vooral de aanwezigheid van de damesstemmen in de maçonnieke tempel was opvallend: vrijmetselarij was in die tijd een exclusieve mannenzaak. In de context van een maçonnieke cantate lag de keuze voor een TTB-koor iets meer voor de hand. Zo zou vooral het donkere coloriet van de herenstemmen naar voren komen, wat eerder gangbaar was bij grootschalige rouwmuziek. Hanssens gebruikt de sopranen vooral in het tweede deel om er de sfeer van het paradijs of ‘de tempel van de onsterfelijkheid’ mee op te wekken.

Opbouw en ritueel

De maçonnieke cantate voor koning Leopold kaderde in een breed opgezet maçonniek rouwritueel. Het ritueel zelf werd al op andere plaatsen uitvoerig bestudeerd. [6] De cantate van Hanssens bestaat uit twee grote delen en zes nummers die in de partituur werden gemarkeerd.

Het eerste deel bestaat uit drie maçonnieke klaagzangen. Die zijn voorbehouden voor het moment tijdens het ritueel waarop de vrijmetselaars afscheid nemen van de overledene. Het ritueel schrijft voor dat de handeling zich afspeelt in een grafkamer waarbij het interieur van de tempel met zwarte doeken is getooid. Op het einde van het ritueel in de grafkamer wordt het graf gesloten en verplaatst het gebeuren zich naar een tweede tempel, die ‘de tempel van de onsterfelijkheid’ wordt genoemd. Het hele transformatieproces, van de diepe treurnis in de grafzaal naar de uitbundige triomf in de tempel van de onsterfelijkheid, wordt duidelijk voelbaar gemaakt doorheen de muziek. Drie nummers lang overheerste de droefheid om de overleden koning. Daarna zou het lot van zijn onsterfelijke ziel het thema bij uitstek worden.

De architectuur van de rouwcantate

Lamentations Maçonniques
N°1: Koor: L’Orient s’est voilé – d – Poco lento
N°2: Koor en recitatief (tenor): Il n’est plus! – Bes – Andante
N°3: Recitatief gebed en koor (bas en tenor): Tous à l’ordre! – d – Andante con moto quasi allegretto

Le réveil de l’âme
N°4: Koor: Il est des noms écrits aux sphères éternelles – A – Allegretto moderato
Mélopée: Melodrama (spreekstem)
N°4bis: Koor (reprise): Il est des noms écrits aux sphères éternelles – A – Allegretto moderato
N°5: Duet en koor (sopraan en tenor): Au milieu des clartés – As – Poco adagio
N°6: Slotkoor: La nuit du tombeau c’est la vie – C – Allegro maestoso

Au milieu des clartés (N°5) is het centrale luik van het tweede deel. Dat is ook de plaats waar de sopraan, Mlle Moreau, haar rol opneemt. In al haar aandoenlijke onschuld vertolkt zij de rol van Leopolds ziel, die schijnbaar niet weet wie ze in het aardse leven geweest is. Hiermee wist Hanssens handig de ‘veranderende staat’ van de ziel te illustreren. Jéhova, gezongen door de tenor, vertelt haar dat haar missie op aarde is afgelopen en dat ze nu de rust van de onsterfelijkheid heeft verdiend.

Na het slotkoor nam de grootredenaar van het Grootoosten van België, Louis Defré (1814-1880) het woord. Hij begon zijn lange redevoering met de interpretatie van de cantate. ‘Avez-vous entendu ces chants, ces harmonieux accords?’, vroeg hij, verwijzend naar het zopas beëindigde slotkoor. ‘C’est la voix des âmes immortelles.’ Zo begint Defrés discours over de triomf van de onsterfelijke ziel. Het geloof erin bestempelde hij als een ‘dogme maçonnique’. [7] Die manier van denken werd binnen de vrijmetselarij algauw gecontesteerd. Niet iedereen deelde immers die visie. Jeffrey Tyssens wees bijvoorbeeld in het verleden al op de tegendoelmatigheid van dat hele ritueel. De Brusselse vrijmetselaars wilden er een prestigegebeuren van maken, maar maakten zichzelf net belachelijk. Niet alleen was het pompeuze ritueel an sich genoeg voor de katholieke pers om de vrijmetselarij te verwijten de dood van de monarch schaamteloos te exploiteren, maar het bleek ook onder vrijmetselaars zelf zeer controversieel en uiteindelijk ook onsuccesvol. De speeches van de Grootredenaar Louis Defré waren ontzettend lang en breedsprakerig. Er werd een compleet gemanipuleerd beeld van de monarch als liberaal en vrijdenker opgehangen. Bovendien was ook niet iedereen opgezet met Defrés idee rond de onsterfelijke ziel, wat onder meer leidde tot een bittere discussie met de Leuvense werkplaats 'La Constance'. Kortom, het ritueel dat een prestigeproject moest worden, werd uiteindelijk een fiasco, een farce die ook nog interne verdeeldheid teweegbracht. Tyssens sprak in dat verband over ‘slecht theater’, dat tevens een halt toeriep aan grote spiritualistische manifestaties binnen de Belgische vrijmetselarij. [8]

De muziek van Hanssens is echter niet los te zien van het ritueel waarvoor het diende. De leer van de onsterfelijke ziel is een prominent thema in de maçonnieke retoriek en die werd ook door de componist voldoende ondersteund en uitgebeeld. Naast het feit dat het hier gaat om een gelegenheidswerk, ligt ook daarin een mogelijke verklaring waarom de grootse cantate van Hanssens nooit werd uitgegeven of opnieuw werd gebruikt. Bärwolf, Hanssens biograaf, merkte op dat de cantate slechts een keer werd opgevoerd, maar volgens hem wel met enig succes: "Sa grande cantate maçonnique, composée en décembre 1865 pour les obsèques de Léopold Ier, laquelle remporta un grand succès, n’a été chantée qu’une fois!" [9] Deze partituur gold tot voor kort als verloren. [10] Na enig speurwerk troffen we de oorspronkelijke autograaf van de partituur aan in de manuscriptencollectie van de Brusselse conservatoriumbibliotheek. [11] Het gaat hier om het originele manuscript van de hand van de componist, inclusief correcties en herwerkingen. [12] Vermoedelijk was het nog steeds in het bezit van de componist toen hij in 1871 stierf. In 1924 schonken zijn kleinkinderen een hele stapel manuscripten aan de conservatoriumbibliotheek, waaronder ook de cantate. [13]

Deze partituur werd gerealiseerd door componist Roland Coryn en gepubliceerd in samenwerking met het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek, dat ook het uitvoeringsmateriaal bewaart (www.svm.be).

NOTEN
[1] MADOC, Archief van Moskou (Brussel), 1.0992, f°213: documenten met betrekking tot de organisatie van deze rouwloge.
[2] L’Indépendance Belge, 6 februari 1866.
[3] ISNARDON (Jacques), Le théâtre de la Monnaie depuis sa fondation jusqu’a nos jours, Bruxelles, Kessinger Publishing, 1890, p. 485. Zij was in 1865 met een rondtrekkende groep kunstenaars in Brussel gearriveerd en werd voor het seizoen 1866-1867 op de loonlijst geplaatst. Nadien ontbreekt van haar elk spoor.
[4] Dédié par les auteurs à la maç[onnerie] Belge. Aux Mânes d’un F[rère] qui fut roi. Cantate maçonnique en deux Parties, Bruxelles, P.-A. Van Parys, 1866, p. 1.
[5] Stadsarchief Brussel, IP2931, personeelslijst van het Muntorkest voor het jaar 1855.
[6] TYSSENS (Jeffrey), In Vrijheid Verbonden. Studies over Belgische Vrijmetselaars en hun Maatschappijproject in de 19e eeuw, Gent, Liberaal archief, 2009, pp. 161-200; TYSSENS (Jeffrey), A Lodge of Sorrow for King Leopold I of Belgium (1866): Masonic Patriotism and Spirituality on Trian, in: Journal for Research into Freemasonry and Fraternalism, III, 2012, 2, pp. 248-264 en VERGAUWEN (David), ‘Aux Mânes d’un F[rère] qui fut Roi’: a Cantata by K.L. Hanssens On the Death of King Leopold I of the Belgians, in: Journal for Research into Freemasonry and Fraternalism, III, 2012, 2, pp. 184-206.
[7] Cérémonie funèbre en mémoire du Frère Léopold de Saxe-Cobourg, 1er Roi des Belges, protecteur de la franc-maçonnerie nationale, Bruxelles, 1866, p. 39 e.v.
[8] TYSSENS (Jeffrey), ¿Una farsa sacrilega? La francmasoneria belga y la disputada commemoraciòn del Rey Leopoldo de Sajonia- Coburgo-Gotha, in: Revista de Estudios Historicos de la Masoneria Latinoamericana y Caibena, V, May-november 2013, 1, pp. 41-59: Tyssens verwijst voor de katholieke repliek op het ritueel naar de Gentse katholieke krant Le Bien Public, 15 december 1865.
[9] BARWOLF (Louis), Charles-Louis Hanssens. Sa Vie et Ses Oeuvres, Bruxelles, 1894, p. 18.
[10] VAN WIN (Jean), Un roi franc-maçon: Léopold Ier de Belgique, Marcinelle, Editions Cortext, 2007, p. 131.
[11] Bibliotheek Koninklijk Conservatorium Brussel, manuscript Bc-31250.
[12] Met dank aan Dr. Johan Eeckeloo en zijn collega’s van de Brusselse conservatoriumbibliotheek bij het snelle inscannen van deze partituur.
[13] Het gaat om een zekere Vermandel die samen met zijn zuster in januari 1924 de gift maakte. Alle nummers tussen Bc-31170 en Bc-31316 werden door hen geschonken.

Vergauwen, D.: [Nederlandse inleiding bij Höflich-cataloognummer 2507, 2015].