Componisten menu

ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Heynen, Walter

Schoten, 12/05/1944 > onbekend, 02/11/1995

Biografie

Heynen, Walter

door Nelle Houwen

Opleiding

Walter Heynen begon zijn muziekcarrière als jonge knaap in het knapenkoor van de Sint-Cordulaparochie in Schoten. Daar zong hij jarenlang mee in de Gregoriaanse mis. In de Sint-Jozefschool in Schoten leerde hij blokfluit en notenleer. Tegelijkertijd kreeg hij zijn eerste lessen notenleer en dwarsfluit door Leon de Mayer in het harmonieorkest Vriendenschaar, waarin ook zijn vader spelend lid was. Na het lager onderwijs ging hij naar het Sint-Henricusinstituut in Antwerpen, met de bedoeling tegelijkertijd lessen aan  het conservatorium te volgen. In 1955 werd hij leerling in de dwarsfluitklas van Louis Stoefs na een succesvolle toelatingsproef voor het derde jaar notenleer. Drie jaar later werd hij toegelaten in de hogere graad.

Zijn eerste stappen als componist zette hij in 1958, onder impuls van Louis Stoefs, die hem aanraadde om harmonielessen te volgen. In 1964 behaalde hij het hoger diploma kamermuziek met de grootste onderscheiding, gevolgd door een hoger diploma dwarsfluit in 1965. Hij behaalde in die periode ook het getuigschrift voor muziekanalyse en vormleer, en werd verder in het componeren gestimuleerd door zijn toenmalig leraar August Verbesselt, aan wie hij zijn eerste composities voorlegde. Ondertussen was Heynen ook actief als beroepsmuzikant; hij speelde in verschillende harmonieorkesten en gelegenheidsoptredens, had een plaats als solist bij het Jeugd en Muziekorkest Antwerpen en deed regelmatig vervangingen in de orkesten van de Koninklijke Vlaamse Opera, het Nationaal Instituut voor de Radio-omroep en de Antwerpse Filharmonie.

Heynens carrière als componist kreeg een stevige duw in de rug dankzij de vriendschap met de latere filmregisseur Robbe de Hert, en de interesse voor film in het algemeen. De Hert vroeg hem om muziek te componeren voor zijn film Twee keer twee ogen (1963). Heynen stemde toe, hoewel hij tot dan toe nooit het uitgesproken voornemen had om componist te worden. Tussen 1964 en 1968 componeerde hij muziek voor niet minder dan zestien films, waaronder An old story (1964) en Insane (1966) van Robbe de Hert, De obool (1965-1966) en Adieu Filippi (1967) van Rik Kuypers, en Creado (1966) en De vrienden (1967) van Louis Celis. In 1966 huwde hij met Annemie Cornelis en behaalde hij aan het Conservatorium getuigschriften voor muziekesthetica en muziekpedagogie.

Intussen bleef Heynen zich engageren voor tal van muzikale ensembles. Hij was onder andere lid van het Blaaskwintet van Antwerpen en trad op met de pianist François Glorieux voor Jeugd en Muziek. Daarnaast was hij medespeler, maar ook bewerker en muzikaal adviseur van de Groep Wannes van de Velde. Een aantal van zijn werken – Portret in zes kleuren (1988-1989), Zesluik voor Fred Bervoets (1986) en enkele bewerkingen voor lp- en cd-producties – werden ook door deze groep uitgevoerd. Bovendien schreef en bewerkte hij in deze periode muziek voor de meest uiteenlopende doeleinden, van orkestwerken, kamermuziek en solowerken, tot toneelmuziek, volksliedbewerkingen, bijdragen voor radioprogramma’s en didactische werken.

In 1966 begon hij als leraar notenleer en samenspel in de Gemeentelijke Muziekschool van Schoten, waarvan Jan Van Der Linden stichter en directeur was. Vanaf 1970 werd hij er voltijds leraar dwarsfluit en samenspel. Tegelijkertijd werd hij op vraag van August Verbesselt aangesteld als leraar analyse aan het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium van Antwerpen. Hij hervatte er ook zijn studies harmonie en behaalde zijn Eerste Prijs in 1970. Hij startte vervolgens met studies compositie bij Willem Kerstens, die hij niet kon afronden omdat hij geen examens aflegde voor contrapunt. Tijdens die studies componeerde hij onder andere enkele tweestemmige inventies voor piano (1971) en een bewerking van Béla Bartóks Mikrokosmos nr 146 (1971).

In 1989 werd hij opnieuw aangesteld als leraar analyse aan het Conservatorium in Antwerpen. Deze functie bleef hij uitoefenen tot aan zijn dood in 1995. In de laatste jaren van zijn leven bleef hij ook actief als leraar in de Gemeentelijke Muziekacademie van Schoten, lid van het Intiem Kwartet en de Groep Wannes van de Velde.

 

Componist

Heynen vergeleek zichzelf met een zondagsschilder, die voornamelijk op vraag iets schildert in zijn vrije tijd: ‘het is één van mijn activiteiten en uiteraard kan je niet uitsluitend daarvan leven.’ Componeren was voor hem een vanzelfsprekend onderdeel van de opleiding tot professioneel musicus. Hij zag het als een middel om een betere kennis te verwerven van de muzikale stijlen die hem boeiden. Anderzijds ervaarde hij het componeren als een functionele aangelegenheid: ‘muziek is er om uitgevoerd te worden, anders bestaat het niet.’ Daardoor is een groot deel van zijn oeuvre voor kamermuziekbezetting geschreven; kleinschalige werken voor een specifieke groep of gelegenheid worden namelijk gemakkelijker uitgevoerd. 

Heynen kan in de eerste plaats beschouwd worden als een componist van functionele muziek. Hij componeerde een omvangrijk en zeer heterogeen oeuvre, voornamelijk voor praktische doeleinden. Naast eigen werk schreef hij bovendien allerhande bewerkingen en arrangementen. Ook zelf beklemtoonde hij de diversiteit van zijn oeuvre: ‘werken zowel in het ernstige als in het lichtere, maar niet minder ernstige genre; gericht zowel naar een professioneel uitvoerdersniveau als naar de liefhebber toe; stilistisch gaande van een traditionele schrijfwijze naar een toonspraak, waarin belangrijke elementen uit de 20e-eeuwse muziekpraktijk verwerkt worden.’  

De elementen uit de twintigste-eeuwse muziekpraktijk, waar Heynen naar verwijst, gaan vooral terug op de schrijfwijze van de Tweede Weense school. Invloeden van een totaal-chromatische schrijfwijze zijn terug te vinden in zijn Images pour Dufay (1974) en Episodes voor strijkorkest (1987). Toch is deze toonspraak niet representatief voor zijn volledige oeuvre. Heynen zag zichzelf eerder als een verwerker dan als een vernieuwer, die bestaande vormen en technieken naar eigen muzikaal inzicht gebruikt.  Uit de diversiteit van zijn oeuvre kan dan ook worden geconcludeerd dat Heynen niet in één hokje thuishoort en dat hij over een erg brede stijlkennis beschikte.