Hullebroeck, Emiel

Gentbrugge, 20/02/1878 > Liedekerke, 28/03/1965

Biografie

Hullebroeck, Emiel

door Jan Dewilde

De student

Het Gentse conservatorium was (en is ) een huis met vele kamers en daarin was ook plaats voor Emiel Hullebroeck. Toen hij zich in het conservatorium aanmeldde, kende hij al de eerste begrippen van notenleer. Die had hij meegekregen als koraaltje in de Gentse Sint-Annakerk, waar hij ook gregoriaans had leren zingen. Aan het conservatorium had hij met Oscar Roels (notenleer), Paul Lebrun (harmonie), Joseph Tilborghs (orgel) en directeur Adolphe Samuel (contrapunt en fuga en compositie) excellente leraren. Alle vier waren ze ook uitstekende componisten. In zijn memoires (Zang en strijd) blikt Hullebroeck met veel liefde terug:

Wat Samuel, de kleine, doch gevreesde bestuurder betreft, die leerde ik van naderbij kennen toen ik in zijn klas contrapunt en fuga studeerde, en wij ’s zomers onze lessen in zijn buiten op de dries te Gentbrugge kregen. Samuel was een uitstekend leraar, die de kunst verstond zijn leerlingen te doen werken. Hij sprak weinig, maar zijn potloodkrassen waren des te welsprekender. Van tijd tot tijd sprong hij van de piano recht – hij verbeterde alles aan het klavier – en riep uit: ‘J’ai besoin de fumer!’ Daarop kreeg hij een van de menigvuldige kleine aarden pijpekopjes met rieten steeltje, die in zijn kabinet verspreid lagen. Na enige trekjes toog hij weer aan het werk. Aan de orkestlessenaar was hij uitermate veeleisend en ontleedde de uit te voeren weken tot in de minste bijzonderheden. Wij slopen dikwijls op het balkonnetje der concertzaal: daar hebben wij de heerlijkste uren van onze studententijd doorgebracht. Wij hoorden er Beethoven en Wagner, vooral Wagner, waar Samuel bleek mee te dwepen. Wij volgden er het minutieuze instuderen van zijn oratorium ‘Christus’, dat wij een prachtig werk vonden en dat wij te Gent en te Brussel mee uitvoerden trouwens. Het mocht wel de moeite lonen, na zoveel jaren deze compositie opnieuw te horen en onze indrukken van toen aan een gerijpt oordeel te toetsen.

Ook in de harmonieklas van Paul Lebrun werd flink gewerkt. Lebrun was een knap en sympathiek leraar, met een zwak voor noneakkoorden waarvan hij ons bij herhaling de schoonheid uiteenzette. Zijn eigen composities – zie b.v. zijn lied ‘Beminnen’ (Willemsfonds) – zijn daar een toepassing van.

Ik was de bandeloze geest van de klas. Lebrun verweet mij dit meer dan eens. Ik was er steeds op uit mijn zin door te drijven en wanneer wij een opgegeven moeilijk akkoord moesten ‘omlijsten’ met een aanloop en een coda, dan vond ik altijd wel een gekke combinatie die mij een standje bezorgde. Zo had ik eens met een medeleerling gewed, dat ik Lebrun een stukje over een toenmaals zeer populair straatliedje voor zou leggen: ‘En Jan de Zot steekt aan zijn kerre’. Ik zie Lebrun nog naar mij opkijken toen hij aan t’ spelen ging. Ik verroerde geen vin tot hij, monkelend-lachend en zonder één woord, mijn boek toesloeg en het mij weer overhandigde. Ik had mijn weddenschap gewonnen, maar achtte het niet geraadzaam meer soortgelijke streken uit te halen. Het grapje belette echt niet dat ik als eerste ‘par acclamation’ met de grootste onderscheiding eindigde.

De klas van professor Tilborghs heeft ons heel wat jolijt bezorgd. Wij hielden veel van die oude heer, die goed als koek was, zacht als een lam en zijn onderwijs zeer ter harte nam. Toch lieten wij niet na, de orgelblazer met een kleinigheid om te kopen, opdat midden in een fortissimo, plots, bij gebrek aan wind, een leemte zou ontstaan. Tilborghs’ improvisatielessen zijn zeer nuttig gebleken en een aanzienlijk deel van onze practische muzikale vorming danken wij de vriendelijke man, die steeds eenvoudig bleef, ook in zijn kleding. Wij wisten dat hij te Lier woonde en een ietwat kwezelachtige gastvrouw had. Wat zij gezegd of gedacht heeft, toen wij de goede Tilborghs op zekere dag met reukwater bespoten hadden, is ons onbekend gebleven.

Zijn helper, Adolph D’Hulst, was een interessante persoonlijkheid en een slecht leraar. Maar hij was een levende encyclopaedie. Over alles kon hij praten en graag onderhield hij zich met zijn leerlingen. Van Oscar Roels dient getuigd dat hij uitstekend de notenleer onderwees. Beter leraar hebben wij tijdens onze studiejaren wellicht niet gekend.

Hullebroeck behaalde eerste prijzen voor orgel en harmonie (met grootste onderscheiding).

 

De dirigent

Al tijdens zijn studietijd dirigeerde Hullebroeck een koor. Met zijn Vriendenkoor gaf hij op 8 januari 1899 een Concert artistique populaire waarop hij werk van Händel, Berlioz en Wagner combineerde met Samuel, Benoit, Blockx, Tinel en Roels. Maar het was vooral met het Gentse A Capellakoor, een kamerkoor van eerst zestien, later dertig geschoolde stemmen, dat hij furore maakte. Het was een uitstekend koor dat prijzen haalde op internationale concoursen in Brest, Rijsel, Reims en Parijs. Met dit kamerkoor bracht hij vooral oude muziek, wat in die tijd niet altijd evident was. Zo gaf hij op 9 december 1900 met zestien zangers een concert dat volledig aan Orlandus Lassus was gewijd. Om het publiek vertrouwd te maken met de muziek van de Vlaamse polyfonisten liet hij de werken toelichten door een conférencier en bevatte de concertbrochure biografische en muzikale toelichtingen. Er volgden concerten met werk van Jannequin, Sweelinck, da Vittoria en Palestrina. De Missa Papae Marcelli was een van zijn geprefereerde werken. Feit is: als ooit de geschiedenis van de revival van de oude muziek in Vlaanderen wordt geschreven, dan kan men niet om Hullebroeck heen.

Met zijn concerten koesterde Hullebroeck pedagogische intenties. Vandaar dat hij met zijn koor ook zogenaamde ‘voordracht-concerten’ gaf, een in die tijd bijzonder populaire formule. Zo gaf hij voor socio-culturele verenigingen als het Willemsfonds en het Algemeen Nederlands Verbond honderden avonden met als onderwerp De geschiedenis van het Vlaamsche volkslied of Peter Benoit, zijn leven en zijn werk.

Als dirigent waagde Hullebroeck zich ook aan cantates en oratoria. Zo voerde hij in 1900 zowel de kindercantate De wereld in van Peter Benoit als het oratorium Marie Madeleine van Jules Massenet uit.

 

De (schlager)componist

In het begin van zijn carrière manifesteerde Hullebroeck zich als componist met het lyrisch drama Aleidis (1913), het oratorium Kunstvisioen (1913) en diverse orkestwerken. Maar veel succes zou hij behalen met zijn liederen in volkstrant. Omdat hij aanvankelijk geen uitgever vond om die liederen te publiceren, besloot hij ze dan maar in eigen behoor uit te geven. In zijn eerste liedbundel stak meteen een van zijn beroemdste liederen, namelijk Moederke alleen op tekst van René De Clercq. Van die eerste bundel verschenen er zeventien drukken. In totaal zou hij negentien bundels publiceren, samen goed voor 114 liederen. De verkoop nam zo’n vaart dat hij zijn liederen uiteindelijk toch bij de muziekuitgeverij Alsbach in Amsterdam moest onderbrengen. Zijn liedproductie beperkte zich niet tot wat er in deze reeks werd gepubliceerd: Hullebroeck moet in het totaal zowat 450 liederen hebben gecomponeerd.

Verschillende van die liederen bleven generaties lang in het collectieve geheugen hangen: Hij die geen liedje zingen kan, Tineke Van Heule, De Blauwvoet, Moederke alleen, De wiegende mijnwerker, Hemelhuis, De gilde viert. De enorme populariteit van zijn liederen laat zich verklaren door de combinatie van een goed in het oor liggende melodie, een regelmatig, maar aanstekelijk ritme, een ongecompliceerde strofische opbouw en een eenvoudige, aansprekende, rijmende tekst. Zijn belangrijkste tekstdichters waren Lambrecht Lambrechts, René De Clercq, Willem Gijssels en later  Clem De Ridder. Zij zorgden voor verzen waarin het landelijke, strijdende, katholieke Vlaanderen verheerlijkt werd. In hun teksten bleef de tijd stil staan. De beperkte tessituur en eenvoudige pianobegeleiding, waardoor de liederen ook door amateurs zingbaar waren, waren een extra verkoopstroef en zijn mee de verklaring voor de gigantische verkoop van Hullebroecks bladmuziek. Er circuleren cijfers van meer dan 4.000.000 verkochte liederen vóór de Tweede Wereldoorlog.

Tussen 1926 en 1934 componeerde Hullebroeck zeven operettes. Het meeste succes kenden Sepp’l (Louis De Vriendt en Lambrecht Lambrechts; 1926) en Het meisje van Zaventem (Henri Caspeele; 1934). Sepp’l ging in de Folies Bergères in Brussel in première en haalde meer dan 2.500 uitvoeringen. Met Het meisje van Zaventem, dat het geromantiseerde leven van Antoon Van Dijck vertelt, probeerde Hullebroeck de grenzen van het genre te verkennen en een opéra comique te schrijven.

 

De varende zanger

Tijdens de Eerste Wereldoorlog week Hullebroeck uit naar het neutrale Nederland waar hij contacten had met de dirigent Willem Mengelberg en de cabaretier en liedjeszanger Jean-Louis Pisuisse. In Nederland trad hij op voor de Belgische vluchtelingen en voor het Werk der Vlaamse oorlogsmeters, een organisatie waarin zijn vrouw actief was. Die organisatie bekommerde zich om het lot van de frontsoldaten en zond hen steunbrieven, boeken, warme kousen en Wervikse tabak.

Tijdens de eerste oorlog schreef Hullebroeck ook een aantal oorlogsliederen waarin hij de situatie van de Vlaamse soldaten aan het front aanklaagde. Deze liederen met titels als De boeven van Fresnes, De verworpelingen van den IJzer en De weezang van Auvours verschenen in Hullebroecks zeventiende bundel. Het zijn Hullebroecks donkerste, maar zeker niet slechtste liederen.

In 1915, in volle oorlog, trok Hullebroeck op concerttournee naar Nederlands-Indië, wat hem toen niet door iedereen in dank werd afgenomen. Hij raakte er gecharmeerd door de autochtone muziek en noteerde en bewerkte er als amateur-etnomusicoloog een aantal inheemse liederen. Over die reis bracht hij verslag uit in het boek Ons mooi Insulinde. Reisindrukken.

Na de oorlog werd Hullebroeck beschuldigd van orangisme en activisme. Zijn zaak werd zelfs aanhangig gemaakt in de Kamer van Volksvertegenwoordigers en daar wierp de socialistische politicus Camille Huysmans zich op als een van zijn vurigste pleitbezorgers:

M. Braun – On cherche à créer un mouvement en faveur de l’annexion de la Flandre à la Hollande.

M. Huysmans – Comment pouvez-vous dire que pareil mouvement existe !

M. Braun – connaissez-vous le chansonnier Hullebroeck ?

M. Huysmans – Je le connais, et je ne crois pas qu’il défende cette idée.

M. Braun – J’en ai la preuve.

M. Huysmans – Je crois que vous êtes dans l’erreur, monsieur le bourgmestre de Gand.

Beaucoup de gens s’imaginent que les défenseurs de l’unité de civilisation d’un groupe linguistique veulent l’annexion de la Flandre à la Hollande. Or, je connais M. Hullebroeck et je puis affirmer qu’il ne m’a jamais tenu un langage favorable à la dislocation politique de l’Etat belge. Il m’a toujours paru favorable au maintien de l’unité du pays. Mais il y a d’autres éléments politiques qui voudraient faire croire à l’existence d’une pareille tendance et qui cherchent à exploiter cette équivoque au profit de leur politique. L’interruption de l’honorable M. Braun est de nature à me faire supposer qu’il est un peu de ceux-là.

M. Braun – Vous vous trompez.

M. Huysmans – M. Hullebroeck n’appartient pas à mon opinion, mais je l’ai rencontré souvent en Hollande pendant la guerre. Je l’ai vu allant de ville en ville chanter ses chansons, recueillir de l’argent pour les internés, et pour cette œuvre de solidarité, je lui ai exprimé plus d’une fois ma vive reconnaissance.

M. Lampens – Mai vous ne pouvez pas ignorer qu’il y a toute une histoire contre lui.

M. Huysmans – Je pense bien qu’il n’y a rien à lui reproche pour le travail qu’il a accompli en Hollande.

M. Van Cauwelaert – Quelle est cette histoire qu’on lui oppose ? Il faut parler franc.

M. Huysmans – Quoi qu’il en soit, je ne le connais pas comme orangiste et je n’ai jamais constaté trace de pareille tendance chez lui.

Na de oorlog nam Hullebroeck de draad van zijn zangavonden opnieuw op. Hij doorkruiste Vlaanderen en Nederland en gaf soms tot 25 optredens per maand. Later maakte hij ook concertreizen voor Vlaamse migranten doorheen Zuid-Afrika (1920) en de Verenigde Staten (1923).

 

De pedagoog

Naast compositorische had Hullebroeck ook pedagogische talenten. Zo was hij van 1902 tot 1937 leraar aan de rijksnormaalschool in Gent en in 1912 publiceerde hij een eigen notenleermethode met als titel Notenleer door het lied. De notenleerlessen, geput uit de werken van onze beste Vlaamsche componisten en uit den rijken liederenschat der middeleeuwen, staan zowel in het gewone notenschrift als in cijferschrift genoteerd. In opvolging van Paul Gilson was Hullebroeck van 1930 tot 1944 algemeen inspecteur van het muziekonderwijs.

 

De uitgever en cultuurpoliticus

Hullebroeck was een man met grote organisatorische en zelfs commerciële talenten. Na de Eerste Wereldoorlog ontwikkelde hij een aantal initiatieven waarmee hij danig veel macht en aanzien in het Vlaamse muziekbestel verwierf. In 1922 stichtte Hullebroeck samen met Jef Denijn de vereniging Onze beiaarden met als doel de promotie in binnen- en buitenland van de Vlaamse beiaardkunst. In datzelfde jaar startte hij, met Lambrechts als redactiesecretaris, het tijdschrift Muziekwarande. Dit uitermate conservatieve tijdschrift, dat tot 1931 zou verschijnen, blijft een belangrijke bron van informatie voor iedereen die de Vlaamse muziek uit het interbellum wil bestuderen.

Nog in 1922 was hij samen met onder anderen Lodewijk Mortelmans, Jef Van Hoof en Arthur Wilford, medestichter van het Genootschap der Vlaamse componisten. Doel was de (financiële) rechten van de Vlaamse componisten beter te verdedigen. Vanuit die vereniging richtte hij NAVEA (Nationale vereniging voor auteursrechten) waarmee hij het monopolie van de Franse auteursrechtenvereniging SACEM (Société des auteurs, compositeurs et éditeurs de musique) doorbrak. In 1923 telde de vereniging honderd leden, tien jaar later waren er al vijfhonderd en nog eens tien laar later 1.800. De geïnde bedragen evolueerden van 17.000 fr. In 1923 tot meer dan 2.000000 fr. In 1937. Dat Hullebroeck zich sterk engageerde voor de auteursrechten zal gezien het enorme verkoopsucces van zijn liederen en operettes niet van enig eigenbelang gespeend zijn. Maar dat belet niet dat hij op dit domein baanbrekend werk verrichtte en veel collega’s een spaarpotje heeft bezorgd.

Via NAVEA had Hullebroeck ook internationale contacten. In 1934 werd hij afgevaardigde en vier jaar nadien secretaris van de Bestendige internationale raad der componisten die werd voorgezeten door Richard Strauss. In 1945 werd NAVEA hervormd tot SABAM.

Hullebroeck heeft zich ook sterk geëngageerd in de Vlaamse Beweging. Hij componeerde vele strijdliederen en dirigeerde op verschillende Vlaams-nationale zangfeesten. De Tweede Wereldoorlog zette geen rem op die activiteiten. Hij was ook te gast op de oorlogszangfeesten en was zeer actief in de Federatie der Vlaamsche kunstenaars. Deze kunstenaarscoöperatieve, die de steun van de Duitse bezetter genoot, weerde alle joden en vrijmetselaars. Na een gesprek met de Kulturverwaltung schreef hij op 17 oktober 1940 aan medebestuurslid Jozef Muls:

Men (…) gaf duidelijk te verstaan, dat Joden of vrijmetselaars niet konden worden aanvaard. De eerste kategorie (Joden) komt bij ons natuurlijk niet ter sprake, doch ik moet u thans verzoeken mij een schriftelijke verklaring te willen sturen aangaande vrijmetselarij.

Langs de andere kant steunde Hullebroeck met de Federatie der Vlaamsche kunstenaars armlastige kunstenaars en musici.

Na de oorlog werd Hullebroeck van culturele collaboratie beschuldigd wegens het ondersteunen van de politiek van de vijand. Maar omdat hij in 1943 zijn bedrijvigheden had gestaakt, werd hij op 5 augustus 1947 door het Brusselse krijgsauditoraat buiten vervolging gesteld, aangezien de bezwaren onvoldoende zijn. Wel werden hem levenslang zijn burgerrechten ontnomen, maar al een jaar later werd dat tot zes jaar teruggebracht. Binnen NAVEA nam hij ontslag, al bleef het overgrote deel van de componisten dankbaar voor wat hij had gepresteerd. Op de zitten van 18 februari 1945 stak de Waalse componist Jean Absil een fel pleidooi ten voordele van Hullebroeck af:

M. Absil: Il est certain que la Sté de Droits d’Auteur est son œuvre; il est certain que c’est lui qui en est l’artisan technique ; il est certain également qu’il a consacré sa vie et ses capacités tout à fait spéciales de fondateur et d’administrateur à cette œuvre. Il est certain en outre que c’est à ses sentiments d’honnêteté, de dévouement et d’abnégation, que la Sté se doit d’être aussi florissante et d’avoir pu payer pendant de nombreuses années des sommes aussi élevées à ses affiliés, avec un pourcentage aussi minime de frais.

Nous représentons ici, avec la fusion Sobacem-Navea, environ 4000 membres. Je suis persuadé d’exprimer l’opinion de ces membres en remerciant M. Hullebroeck de ce qu’il a fait pour les auteurs. Si, comme homme politique, il a commis des actes que certains n’approuvent pas, il est évident que comme administrateur il n’a jamais commis aucune faute. Je tien à vous le faire remarquer.

Les adm. Présents sont unanimes à approuver les dires de M. Absil et applaudissent.

M. Absil : Messiers, vos applaudissements sont un remerciement pour son œuvre. Nous ne pouvons laisser partir l’homme, qui est la cheville ouvrière de cette affaire, sans lui donner la pension que son travail mérite. C’est une dette de reconnaissance envers cet artisan.

Op 10 november 1950 werd Hullebroeck in ere hersteld en in 1952 werd hij erevoorzitter van SABAM. Ook bleef hij meewerken aan allerlei Vlaams-nationale manifestaties, zoals zangfeesten, IJzerbedevaarten en 11 juli-vieringen.

Emiel Hullebroeck heeft zeer zeker zijn rol gespeeld in de Vlaamse liedbeweging, maar misschien nog meer in het streven naar een sociaal statuur voor de kunstenaar. Tegelijkertijd heeft hij door zijn conservatieve houding tegenover muzikale vernieuwingen remmend gewerkt op de ontwikkeling van het Vlaamse muziekleven.

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Jan Dewilde