Componisten menu

ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Kennes, Henri

Antwerpen, 15/09/1891 > Wommelgem, 14/06/1988

Biografie

Kennes, Henri

door Erik Zwysen

Met de meeste andere Vlaamse componisten uit de 20ste eeuw deelt Henri Kennes [1] nu het lot der vergetelheid. In het interbellum was hij nochtans een gevierd en bekend dirigent en componist, vooral in het operettegenre. Na enkele jaren werkzaamheid in Nederland dirigeerde hij in alle belangrijke theaters van Antwerpen. In 1939 werd hij orkestleider in de Koninklijke Nederlandse Schouwburg in Gent. Na de oorlog dirigeerde hij jarenlang in ‘Het Witte Paard’ in Blankenberge en werkte hij aan orkestraties voor Armand Preud’homme. Hij overleed op 96-jarige leeftijd in Wommelgem op 14 juni 1988.

Henricus Leo Kennes werd op 15 september 1891 geboren in Antwerpen als zoon van Josephus Augustus Kennes, zelf ook musicus, en Maria Carolina De Weert, beiden Antwerpenaars. Hij studeerde in Antwerpen viool bij Jos Camby, klavier bij Gerard Dyckhoff en harmonie bij Karel Gras. Tijdens de Eerste Wereldoorlog week hij uit naar Nederland waar hij zich verder bekwaamde in contrapunt en fuga bij de Nederlandse toondichter Hubert Cuypers. Hij speelde er als violist en droeg zijn composities Soldaten der Koningin en Danses de Princesse op aan de Nederlandse Koningin. Op 11 juni 1918 huwde hij in Vlissingen Maria Johanna van Beusekom. Daarna bleef hij nog enkele jaren in Nederland en dirigeerde er operettegezelschappen, onder meer in het Rozentheater in Amsterdam. Van hem werden fuga’s uitgevoerd tijdens de Passiespelen in Amsterdam, en in de jaren 1920 programmeerde de Amsterdamsche orkestvereniging regelmatig zijn Pax in terra voor viool en cello ter gelegenheid van de concerten in de dierentuin Artis.

Orkestleider

In België staat Kennes bij de toonkunstenaarsvereniging geboekt als violist en pianist, maar hij zal hier vooral werken als componist en dirigent. In 1925 verzorgde hij als orkestleider van het operettengezelschap Jules Dirickx het zomerseizoen in het Antwerpse Volksgebouw. Hij had er een klein maar prestigieus orkest ter beschikking waarmee hij het vrolijke publiek vlak voor het derde bedrijf telkens tot een ingetogen stilte bracht, vaak met zijn eigen muziek. Zo speelde Corinne Caneau-Corijn tijdens de pauze van de operette De Dolle Lola van Hugo Hirsch de vioolsolo van Kennes Mia Amata met een ‘ongemeene virtuositeit’. In het winterseizoen verhuisde Kennes naar het orkest van de Hippodroom onder leiding van Lode van de Velde, waar hij repetitor was met Jan Douliez. De volgende zomer stond hij opnieuw in het Volksgebouw, ondertussen door Ernest Kindermans en Frans Wijnans omgedoopt tot Prado-schouwburg, waar hij het dirigeerstokje overnam van John Coppens. Na een korte zomervakantie werd de Prado een vooraanstaand operettetheater. Ook nu liet Kennes de orkestleden schitteren met solistische uitvoeringen. Zijn dromerige Sérénade à Lola werd ‘weergaloos teer’ uitgevoerd door Mevr. Caneau-Corijn en door het publiek ‘in ademlooze stilte aanhoord’. Ook wist Kennes het publiek ‘danig in te nemen’ met zijn Boschklanken en zijn Lenteweelde voor fluit-hobo-klarinet. Na een seizoen sloot de schouwburg echter zijn deuren.

De artiesten verenigden zich in een consortium en speelden een tijdlang verder in de Vlaamse Opera. Naar aanleiding van de 350ste geboortedag van Rubens voerde het consortium in augustus 1927 in het Rubenspaleis de Rubensrevue op waarbij de ‘bijzonder geslaagde’ muziekaanpassing van Kennes ‘indruk maakte’. Enkele conflicten leidden tot vroegtijdige stopzetting ervan. Maar korte tijd later startten de artiesten onder leiding van voormalig Hippodroom-directeur Victor Neutgens, een operetteseizoen in het Rubenspaleis.

Balletmeesteres Mw. Katicza kwam eveneens over van de Hippodroom. Ook hier werden de intermezzi van Kennes erg op prijs geteld en herhaaldelijk moesten ze gebisseerd worden. Kennes bracht ook werk van andere componisten, zoals het Allegro con fuoco van August De Boeck, en uitgevoerd door Karel Gras. In februari 1928 vond het gezelschap zijn stek in het El Bardo theater onder leiding van mevrouw Charlotte Noterman. Tot april stond het orkest nog onder leiding van Henri Kennes, waarna hij vervangen werd door Lode Van de Velde. Bij die gelegenheid schreef een recensent over Kennes: "Nooit gelukte het ons hem op een slordigheid te betrappen, steeds wist hij met zijn orkest en met de fijn gedetailleerde uitvoeringen der partituur en met zeer artistieke intermezzo’s - van eigen hand soms - een groot deel van het succes voor zijn rekening te houden en dra ook genoot hij de algemeene sympathie der trouwe bezoekers."

In april 1928 verving Kennes Ivan Delrue als dirigent in de cinema Odeon, en werd er verantwoordelijk voor de muzikale aanpassingen van de stille films. In zijn orkest speelden onder anderen de violisten Nic Lahaye en Hipp. Steylaerts, de cellist Antoon Horemans en de pianiste Irma Van Trier. Toen op 28 maart 1930 enkele belangrijke cinematheaters overschakelden op de klankfilm behield de Odeon nog een tijdlang zijn orkest. Later in de jaren '30 dirigeerde Kennes een reizend gezelschap dat overal in Vlaanderen optrad, een tijdlang onder de naam ‘Antwerpsch Operettentournee’. Tevergeefs zocht hij voor de belangrijkste speeldagen onderdak in een vaste schouwburg. Vanaf 1935 trad hij op als dirigent in de Empire of de Scala voor het zomer-operetteseizoen.

Als bekende dirigent trad Kennes natuurlijk ook nog op andere plaatsen op. Zo was hij in februari 1937 met Lode Van de Velde te gast op het prestigieuze galabal der artisten als dirigent van het symfonisch orkest. In 1938 en 1939 dirigeerde hij enkele revues van Gust Bastiaensen en Mark Tralbaut in de Hippodroom. Ondanks alles bleef het zelfs voor een actieve dirigent als Kennes moeilijk om de touwtjes aan elkaar te knopen. In juli 1939 schreef hij aan zijn vriend Tralbaut: "gezien al mijn tegenslagen op geldelijk gebied sedert afloop van zomerseizoen verleden jaar in Empire, heb ik al mijn laatste frankjes zien verzwinden zelf zoo dat ik binnen enkele dagen totaal strop zit!"

Vanaf oktober 1939 kon hij echter aan de slag als orkestleider van de Koninklijke Nederlandsche Schouwburg in Gent, waar hij Emiel Verwilst opvolgde. Tijdens de laatste voorstelling van het seizoen dirigeerde Kennes nog een ballet van zijn hand De kus van den Sater naar een scenario van Mark Tralbaut. Kennes ambieerde ook de directeurspost, maar de Tweede Wereldoorlog maakte na een seizoen een eind aan zijn positie en aan deze ambitie. Zijn activiteiten als dirigent tijdens de bezetting, onder andere in het ‘Volkstheater’ - voorheen ‘Alhambra’ - in Brussel brachten hem na de oorlog in moeilijkheden en Kennes werd enkele maanden geïnterneerd. In januari 1946 is hij echter al weer aan de slag als dirigent van een Brussels reizend operettegezelschap. Met het operettegezelschap José Morrisson toert hij door Vlaanderen. In februari 1948 wordt hij dan vaste dirigent in de schouwburg ‘Het Witte Paard’ in Blankenberge.

Componist
Kennes stond in het interbellum ook bekend als componist van grotere werken. Op zondag 27 november 1921 voerde de 'Club Fraternel' zijn operette Glimwormen op in de 'Cercle Artistique' in Antwerpen. In april 1927 vertoonde de Leuvense Tooneelwacht zijn lyrisch drama Ben Hur op tekst van de stadssecretaris van Sint-Niklaas Hendrik De Maeyer in het Alhambratheater te Leuven. Naar het schijnt was het een triomf: "Met nauwlettenden zorg, wordt erin tot de minste intentie van den schrijver verduidelijkt, ieder tooneelgebeuren wordt gepast muzikaal verklankt. Ononderbroken vloeit de breede stroom van melodie en dezes buitengewone rijkdom is een der kenmerkende eigenschappen van de schoone partituur waarover prof. Fl. Van der Mueren, leeraar in de muziekgeschiedenis aan de Universiteit van Gent, tijdens de publieke huldiging waarbij den componist een prachtigen gedenkpenning werd overhandigd, zich in de allervleiendste bewoordingen uitliet en geen lofwoorden genoeg vond voor de wezenlijk meesterlijke orkestratie. Hij vond ook, dat na de 6 voorstellingen voor bomvolle zalen “Ben Hur” geroepen is om in machtiger kader even groote triomfen te vieren." Er volgden nog uitvoeringen in september 1928 in het theater de Nieuwen Cirkus te Gent.

De operette Millioenenbruid op tekst van Karel van Rijn werd verschillende keren uitgevoerd, onder meer in maart 1929 in de Koninklijke Nederlandse Schouwburg in Gent, waar Van Rijn directeur was. In juni 1929 stelde Kennes deze operette zelf voor in Antwerpen in de Koninklijke Vlaamse Opera. Hij had een uitgelezen orkest ter beschikking met onder meer de heren Seylaerts (viool), Baeyens (alto), Horemans (cello), Thomas (fluit), Vennix (trompet), Paul Douliez (piano) en Mej. Suzy De Backer (harp). De balletten stonden onder leiding van Mevr. Hallez. Wiske Ghijs, Johan Heesters, Louis Belloy, Mark Tralbaut en anderen waren de uitvoerders. De bespreking in de Muziekwarande, hoewel niet zonder kritiek, is lovend: "Van de partituur dient gezegd, dat zij zangerig en zeer modern is. Misschien wat ruchtig en wat moeilijk. Met het jazzachtig element kan de toondichter even goed over de baan als met het gevoelige en het decoratieve. Van het zoogezegde melodrama, dat soms belet te verstaan, maakt hij wat misbruik, vooral in I. De inleiding tot III, met een geslaagd viool-solo, ging recht naar het hart van het publiek. Kortom, een overwinning, die tellen mag!" De recensent van Het Tooneel ging nog een stapje verder wanneer hij van oordeel was dat er nu eindelijk toch een Vlaamse operettenkunst was ontstaan: "Kennes heeft zelfs den nationale liedjeszanger, den gevierden Emiel Hullebroeck (…) overtroffen. (…) Wanneer we de beste brokken uit deze partituur vergelijken gaan met de mooie, wat zoetelijke, altijd bekoorlijk-charmante intermezzi, die hij voor een paar jaren van tijd tot tijd ten gehoore bracht in Prado, dan kunnen we gerust vaststellen hoe de jonge componist reeds een mooien afstand aflegde op de baan naar grooter zelfbewustheid en sterker oorspronkelijkheid." De operette werd in oktober 1930 nog uitgevoerd in het Lunatheater in Antwerpen met het orkest onder leiding van Emiel Verwilst. Op 30 oktober 1937 werd ze uitgezonden op de Belgische radio.

In oktober 1931 dirigeerde Kennes zelf zijn operette Parade op tekst van Louis De Vriendt in de K.N.S. te Gent. In januari 1933 speelde het Lunatheater in Antwerpen zijn operette Klatergoud onder de muzikale leiding van Henri Claessens. Ook voor deze operette schreef De Vriendt het libretto. In februari 1940 werd veel aandacht geschonken aan de uitvoering in de K.V.O. in Antwerpen van het ‘chorografisch mimodrama’ De Zwarte maaier. Deze creatie onder leiding van Daniël Sternefeld ging Madame Butterfly van Puccini vooraf. Het Antwerpsch Tooneel hierover: "Bij een werkelijk merkwaardige technische structuur, met een niet zeer aanvallend modernisme, hadden we in deze partitie in ’t bijzonder de groote verscheidenheid te bewonderen. Het mocht ons toeschijnen, dat het palet van den heer Kennes met een rijke keus van verven en tinten was bekleed, maar nu wil het ons voorkomen, alsof hij hier vooral - en te véél - van de sombere kleuren gebruik heeft gemaakt."

Zijn operette Breughelkermis op tekst van Marc Belloy zou in première gaan in het Brusselse Volkstheater, toen onder leiding van Jos Sterkens, in het seizoen 1944-1945. Maar in september 1944 was de bevrijding van België ingezet en elke activiteit in het Brusselse theater viel stil. Deze operette werd wel nog uitgevoerd in september 1969 en februari 1970 in de K.V.O.. Bij de première in 1969 was Het Handelsblad vol lof over de ‘eerste klasse muziekale service’ die de Tsjechische dirigent Jan Valach aan de partituur besteedde. De partituur van Kennes "is iets wat voortdurend aantrekkelijk blijft, zonder dat evenwel topmomenten te voorschijn komen die de kreatie werkelijk vleugels geven. Er is vooral prettige afwisseling tussen driekwart maat en pare. De (talrijke) aria’s en duetten “zingen” goed, en de orkestratie zit vol kleur en leven."

© Erik Zwysen 

[1] Ook Henry, Hendrik of Rik Kennes.