Componisten menu

ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Mervillie, Alfons

Wontergem, 17/05/1856 > Kortrijk, 04/04/1942

Biografie

Mervillie, Alfons

door Veerle Bosmans & Adeline Boeckaert

Alfons Mervillie werd in 1856 geboren in een erg religieuze familie. Van zijn vijftien broers en zussen werden er vijf kloosterzuster, één broeder bij de Gentse Predikheren en één priester, net als Mervillie zelf. Hij begon zijn opleiding bij zijn oom Jan-Baptist in Dentergem, die hem ook de eerste beginselen van de muziek bijbracht. Later ging Mervillie naar het Klein Seminarie te Roeselare waar hij onder meer les kreeg van Hugo Verriest (retorika) en Johan De Stoop (muziek). De Stoop erkende Mervillie’s muzikale talent en maakte hem tot zijn hulporganist en koorleider. Na zijn opleiding aan het Klein Seminarie volgde Mervillie een éénjarige cursus wijsbegeerte in Roeselare alvorens aan het Groot Seminarie van Brugge zijn theologische vorming te starten. In 1882 werd hij hier tot priester gewijd.

Ondertussen was Mervillie al een tijdje aangesteld als leraar orgel en kerkzang aan de bisschoppelijke normaalschool van Torhout (1880-1891), waar hij de bijnaam kreeg 'Bach-Mervillie'. Hij baseerde zich voor de lessen gregoriaans op de Traité de chant liturgique van Johan De Stoop. Onder zijn leerlingen vinden we onder andere Jozef Valckenaere, Remi Ghesquiere, Andries Bulcke, August Tanghe en Arthur Verhoeven. In 1886 werd hij aangesteld als ere-voorzitter van de Orgelistenbond van West-Vlaanderen. Zijn pastorale loopbaan zag er nadien als volgt uit: in 1891 werd hij onderpastoor te Dudzele, in 1895 wisselde hij deze betrekking voor dezelfde in Nieuwpoort en nog drie jaar later kwam hij als onderpastoor terecht in Aartrijke. Hier werd Mervillie de ziel en spil van de zangersgilde en richtte hij de fanfare Sint-Cecilia op. In 1913 volgde zijn aanstelling tot pastoor te Nieuwkapelle. In deze gemeente bleef hij ook, afgezien van een kort oponthoud in Drincham in Frans-Vlaanderen tijdens de Eerste Wereldoorlog, aangesteld tot aan zijn pensioen in 1933.

Mervillie was niet alleen werkzaam als pastoor, hij was ook dichter, publicist, componist en dirigent. Zo schreef hij in 1904 na verschillende Italië-reizen een omvangrijke, tweedelige studie over de toenmalige Paus Pius X, die werd vertaald in het Frans en Italiaans. Als dichter werd Mervillie vooral bekend met de vertaling van het gedicht Evangeline van Longfellow, waarvoor hij naar Engeland reisde om zich in het leven en het werk van Longfellow te verdiepen. Henry Longfellow was vrij populair bij Vlaamse dichters, ook Guido Gezelle vertaalde één van zijn grote gedichten, namelijk The Song of Hiawatha.

Naast het schrijven van gedichten, componeerde Mervillie verschillende koorstukken en liederen, waaronder Duinelied Leve De Panne (1878), het kerstlied Duizende Sterren Versieren den Hemel (1879) en het oogstlied Het Laatste van de oogst is binnen (1902). Het meest bekend zijn echter zijn 14 liederen uit de gedichten van Guido Gezelle. Voor zijn leerlingen schreef Mervillie twee compositiebundels voor orgel, met name 8 Fugen voor orgel met of zonder pedaal en 33 kleine en gemakkelijke orgelstukken zonder voetspel. Twee vierstemmige missen, dertig Latijnse motetten en verschillende orgelvariaties zijn ook van Mervillie’s hand. Soms vermengde Mervillie zijn dichtkunst met zijn muzikale ervaringen, bijvoorbeeld in het gedicht O die Klanken! geschreven bij het klavierspel van de te jong gestorven André Devaere (1890-1914).

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Veerle Bosmans & Adeline Boeckaert