Meulemans, Arthur

Aarschot, 19/05/1884 > Etterbeek, 29/06/1966

Biografie

Meulemans, Arthur

door Luc Leytens

Een werkzaam leven
Arthur Meulemans werd geboren op 19 mei 1884. Vader was meester-kleermaker maar de muziek stond hoog in aanzien bij het gezin. Ook Arthurs jongere broer Herman zou trouwens musicus worden. 

Zelf kreeg hij zijn opleiding aan het Lemmensinstituut te Mechelen bij Alois Desmet (harmonie) en Oscar Depuydt (orgel). Maar vooral werd hij gekneed door de directeur, Edgar Tinel, wiens lievelingsleerling hij was. Later zou hij herinneringen, waaronder menig plezierig detail, over deze strenge leermeester neerschrijven.

Zo schitterend was het eindexamen dat Meulemans in 1906 aflegde dat hij onmiddellijk door Tinel als harmonieleraar aan de instelling verbonden werd. Componeren deed hij al van in 1902.

1911 Bracht een belangrijk keerpunt. Dat jaar trad hij in het huwelijk met Aline Seelinger te Tongeren, waar hij ging wonen. In deze stad werd hij benoemd tot leraar aan het Atheneum. Zo begon de zogeheten "Limburgse periode". Wat hij in deze ook in cultureel opzicht niet bevoordeelde provincie presteerde en realiseerde was verbluffend. Van belang was vooral de oprichting te Hasselt in 1916 van de Limburgse Orgel- en Zangschool, geïnspireerd op het Lemmensinstituut. Verder richtte hij koren op, dirigeerde hij talrijke concerten, kortom hij stampte een muziekleven op niveau uit de grond. Hij slaagde er tevens in banden te leggen met Nederlands Limburg: te Maastricht, waar er een symfonisch orkest voorhanden was, kon hij verschillende van zijn werken laten creëren.

Een tweede keerpunt was 1930. Dat jaar werd Meulemans, gezien zijn Limburgse prestaties, benoemd tot dirigent van het radio-orkest te Brussel, bij de Katholieke Vlaamse Omroep. Vanaf 1932 ging hij zich definitief in de hoofdstad vestigen. Zijn "Brusselse periode" begon.

De betrekking bij het toenmalige NIR heeft voor hem nieuwe perspectieven geopend, maar het werd ook geen pad zonder doornen. Het symfonisch orkest was het medium waarin hij zich het liefst uitdrukte en daar kreeg hij de kans er dagelijks mee te werken. Maar tegelijk kwam hij terecht in een wereld waar intriges en conflicten van allerlei aard niet uit de lucht waren.

Daar het engagement van Meulemans nooit twijfel liet en hij ook zeker de man niet was om zich te laten doen, geraakte hij betrokken in soms onverkwikkelijke situaties. In 1935 moest hij het voor de benoeming van vast dirigent afleggen tegen Franz André. Door luid protest in het Vlaamse land kon hij niettemin als directeur van de auditiediensten bij de radio verbonden blijven en er ook nog geregeld dirigeren. In 1940 bleef hij op post bij het uitbreken van de Wereldoorlog, maar in 1942 nam hij ontslag na onenigheid met de bezetter. Vanaf die datum moest hij van zijn pen leven, een weinig benijdenswaardig lot in dit land. Het schijnt nochtans zijn werklust nog aangescherpt te hebben, en tijdens de laatste twintig jaar van zijn leven grensde zijn productiviteit haast aan het ongelooflijke.

Talrijke prijzen en onderscheidingen vielen Meulemans ten deel. Vanaf 1942 was hij lid van de Koninklijke Vlaamse Academie. In 1956 mocht hij het genoegen smaken de oprichting te beleven van een 'Arthur Meulemans Fonds'. Deze vereniging heeft zich onder de onverpoosde stuwing van haar secretaris, Meulemans' vriend E. H. Jan Van Mechelen, ingezet om zijn werk te verspreiden. Arthur Meulemans overleed in zijn woning te Etterbeek op 29 juni 1966.

Een uitgebreid oeuvre
Het oeuvre van Meulemans is zo uitgebreid dat men er gewoon niet naast kan kijken. De droge opsomming van zijn werken in de recente Cebedem-kataloog beslaat niet minder dan 24 bladzijden en is zelfs niet volledig. Hierbij zijn werkelijk alle genres vertegenwoordigd. Wij tellen meer dan 100 orkestwerken, waaronder 15 symfonieën en meer dan 40 concerterende werken. Verder zijn er: muziek bij toneelstukken en massaspelen; drie opera's (Adriaan Brouwer, Vikings en Egmont, alle uitgevoerd in de Koninklijke Vlaamse Opera te Antwerpen); 11 missen; 3 Te Deums; oratoria en cantates; motetten en profane koorwerken met allerlei bezettingen; kamermuziek en instrumentale werken; orkest- en klavierliederen, piano-, orgel- en beiaardcomposities. Apart staat zijn Sanguis Christi, een indrukwekkende partituur ontworpen voor het H. Bloedspel te Brugge, dat onder zijn leiding met groot succes meer dan 50 opvoeringen beleefde.

Niemand zal kunnen beweren dat allemaal gehoord te hebben want - en dat schijnt wel een typisch "Vlaamse" toestand - er wachten nog steeds belangrijke werken als de Negende Symfonie Droomvuur (1943) of het omvangrijke lekenspel Kinderen van deze tijd (1955-1956) (tekst van Henriëtte Holst van der Schalk) op hun allereerste uitvoering!

Precies omwille van die grote hoeveelheid is dit oeuvre haast niet te overzien. Kwantiteit waarborgt natuurlijk nog geen kwaliteit en vanzelfsprekend kan niet elk stuk een meesterwerk zijn. Bij Meulemans stelt zich de vraag hoe er het doelmatigst kan gekozen worden.

Tussen oud en nieuw
Bezit de muziek van Meulemans een eigen profiel? Die vraag kan onomwonden affirmatief beantwoord worden. Om te beginnen was deze leerling van de conservatieve Tinel een van de eersten in het land om de vernieuwende betekenis van bepaalde buitenlandse stromingen te begrijpen en er de conclusies uit te trekken. Hierbij lijkt zijn voorkeur meer in de richting van het Franse impressionisme te zijn gegaan (Debussy, Ravel) dan naar de Duitse romantiek en laatromantiek die de Vlaamse componisten van zijn tijd het vaakst aansprak. Overigens gaf hij er zich snel rekenschap van dat de Vlaamse muziek na Benoit en Tinel - die hij beide nochtans vereerde - aan verdere evolutie toe was.

Uit de vroege liederen van Meulemans spreekt een ongemeen gevoelig en lyrisch temperament dat echter weldra een bredere ontplooiing zocht. Zijn eerste belangrijk orkestwerk Plinius' Fontein uit 1913 (doch slechts gecreëerd in 1930! [1]) mag in dit opzicht als een uiterst opmerkelijke prestatie, en ook als vertrekpunt beschouwd worden. Tijdens zijn "Limburgse" periode schijnt Meulemans vrij onbezorgd maar dikwijls geïnspireerd gecomponeerd te hebben. Nu nog klinken bijvoorbeeld a capella  koorwerken met titels als ondermeer Zomerfantasieën (1920), Blommensuite (1924), Suite (1929), sommige pianostukken of een kleine suite voor kamerorkest Praeludiën (1916), dikwijls verrassend origineel en gedurfd, zeker als men rekening houdt met de uitvoeringsmiddelen waarover hij toen beschikte. Ook de orkestliederen De Hovenier (1923) op tekst van Rabindranath Tagore zijn merkwaardig. Sluitstuk van deze eerste periode is wellicht het preludium en scherzo voor orkest getiteld Stadspark (1928).

Tijdens zijn Brusselse periode legde Meulemans zich nog sterker toe op het orkest. De ruggengraat van zijn oeuvre wordt dan de verzameling van 15 symfonieën, ontstaan tussen 1931 en 1960. Het valt op dat verschillende ervan voorzien zijn van een titel: nr. 3 Dennensymfonie (1933); nr. 5 Danssymfonie (1939); nr. 6 Zeesymfonie (1940; nr. 7 "Zwaneven, een symfonie van de heide" (1940); nr. 8 Herfstsymfonie (1942); nr. 9 Droomvuur (1943); nr. 10 Psalmensymfonie (1943); nr. 13 Rembrandtsymfonie (1951). De vierde (1935) is enkel voor blazers en slagwerk. Bij de Vijfde, de Zesde, de Achtste en de Tiende komen er ook vocale elementen voor. De meeste symfonieën hebben een normale duurtijd van 20 tot 40 minuten, maar de Psalmensymfonie duurt meer dan 2 uur!

Ook uit een hele reeks andere orkestwerken, balletsuites en symfonische gedichten, blijkt dat Meulemans zich graag inspireerde op extramuzikale gegevens zoals literatuur in De Witte (1949) of Tartarin de Tarascon (1955), de plastische kunsten in Tableaux, preludes voor schilderstukken (1952), Pieter Bruegel (1952) of Middelheim (1961). Soms zijn er ook leuke titels zoals Meteorologisch Instituut (1951), Social Security (1955) of Ons Kunstbezit (1963) enz.

Imponerend is tevens de lange rij concerti voor zowat alle belangrijke orkestinstrumenten (of ook twee Concerti voor orkest).

Geleidelijk is de taal van Meulemans scherper geworden, minder lyrisch, hoekiger en - waarom het niet gezegd? - vaak meer gezocht. Het is alsof de ouder wordende Meulemans behept geraakt met de vrees, zoniet met een dwanggedachte om toch maar modern genoeg te schrijven. Soms wordt beweerd dat hij hierdoor a.h.w. tussen twee stoelen terecht kwam: te vooruitstrevend voor de meerderheid van het conservatief ingesteld publiek, maar net iets te conservatief voor de jongere avant-garde. Maar is dat wel altijd zo? Blijkbaar groeide er wel een soort misverstand. Meulemans is voorzeker trouw gebleven aan een overwegend Vlaamse inspiratie en hij had zeker te veel respect voor het traditionele métier om dit zonder meer te durven verwerpen. Hij heeft het bijvoorbeeld ook nooit beneden zijn waardigheid gevonden om volksliederen te bewerken of zelfs voor de massa Vlaamse 'strijdliederen' te schrijven.

Anderzijds was zijn muziekcultuur wijd genoeg - wij weten dit o.m. uit zijn soms wat eigenzinnige muziekkritieken die gebundeld werden onder de titel Muzieknotities - om zich perfect rekenschap te geven van wat er op het internationale vlak gaande was. Maar ten slotte evolueert een componist gewoonlijk niet meer zo fundamenteel na een bepaalde leeftijd. Waarschijnlijk ligt de ontgoochelende curve van de belangstelling voor zijn werk minder bij Meulemans dan in een muziekleven dat geleidelijk aan de eigen toondichters minder kansen bood: terwijl in de tijd van Benoit of Tinel een breed gehoor opging in de prestaties van vaderlandse componisten - en die ook als vanzelfsprekend uitgevoerd werden - wijzigde zich de toestand grondig en ten nadele. Die evolutie is eigenaardig genoeg geaccentueerd sedert de opkomst van de radio, hoezeer men juist daar inspanningen deed ten bate van deze componisten. Reeds Gilson verklaarde op een bepaald moment dat hij het overbodig vond nog verder te componeren.

In de muziekgeschiedenisboeken wordt die evolutie gewoonlijk nogal positief bekeken: men geraakte muzikaal zogezegd eindelijk op "Europees" niveau. In feite kwam het erop neer dat men niet meer geloofde in de eigen muziek. Het etiket "Belgische muziek" kreeg een slechte klank. Meulemans heeft nooit de moed laten zakken, en is blijven verder schrijven al was er in onze "internationaal" gerichte concerten en festivals geen plaats meer voor lieden als hij en verkozen onze vertolkers zowat allemaal het "wereldrepertoire" te spelen. Het werd een kwestie van mentaliteit.

© Luc Leytens

NOTEN
[1] 
nvdr: Antwerpen, 28 april 1929.

Leytens, L.: Arthur Meulemans, in: Kaderblad Jeugd en Muziek Vlaanderen, 1984, nr. 142, p. 2-5.