Ontrop, Lodewijk

Antwerpen, 14/12/1875 > Antwerpen, 18/11/1941

Biografie

Ontrop, Lodewijk

door Adeline Boeckaert

Lodewijk Ontrop werd geboren in Antwerpen als zoon van Mattheus Ontrop en Hendrika van Amerom, een Nederlands echtpaar dat naar België uitgeweken was.

Lodewijk was de middelste van drie kinderen, zijn oudere zus Mathilde "Thilla" was harpiste. Aan het Antwerpse Conservatorium studeerde hij harmonie bij Jan Blockx, contrapunt bij Jozef Tilborghs en compositie bij Peter Benoit. Aanvankelijk speelde Ontrop als violist mee in het orkest van de Vlaamse Opera onder leiding van Edward Keurvels, later werd hij er ook koorrepetitor. Rond de eeuwwisseling debuteerde hij als dirigent en korte tijd daarna stond hij mee aan de wieg van de Maatschappij der Concerten van Gewijde Muziek. Deze vereniging beschikte over een 50-koppig koor en organiseerde concerten met onder meer gregoriaanse muziek, religieuze werken van Palestrina, Lassus en Schütz, maar ook Benoit, Ryelandt, Tinel en Ontrop zelf stonden op het programma.

In 1906 bracht Ontrop de eerste uitvoering in België van Bachs Johannespassie en in 1907 dirigeerde hij de première van Purgatorium, het eerste oratorium van Ryelandt. In een brief van 6 december 1907 uitte de componist zijn onverdeeld enthousiasme over die uitvoering: "Om nog van Purgatorium te spreken, moet ik verklaren dat ik nog nooit zooveel genoegen bij het aanhooren van mijne werken heb gevonden gelijk verleden zondag. De uitvoering heeft mij oprecht voldoening gegeven (veel meer o.a. dan Cecilia op het tooneel). De kooren waren uitmuntend voorbereid en de solist, Mevr. Kappel - was puik!"

Ontrop bleef vast dirigent van de Gewijde Concerten tot aan de Eerste Wereldoorlog. Vanaf 1915 dirigeerde hij gedurende een tweetal jaar vele huisconcerten in de patriciërswoning van Jean Auguste Stellfeld, maar het was pas in 1927 dat hij zijn activiteit als dirigent kon hernemen, ditmaal bij de Vlaamse Concerten. Het was ook in het kader van deze concerten dat in 1928 de eerste uitvoering in Antwerpen van Das Lied von der Erde van Gustav Mahler ten gehore werd gebracht, met Jacques Urlus en Maria von Basilides als solisten. Al na één seizoen werd Ontrop bij de Vlaamse Concerten vervangen door de jonge beloftevolle dirigent Hendrik Diels (1901-1974).

Daarnaast was Ontrop ook als muziekpedagoog bijzonder actief, al bleef zijn actieradius beperkt tot Antwerpen. In 1904 werd hij benoemd tot leraar notenleer aan het Conservatorium en vanaf 1914 tot 1940 was hij er titularis van de harmonieklas. Hij had een eigen harmoniemethode ontwikkeld, maar zijn overlijden verhinderde een uitgewerkte neerslag ervan. Ook zijn echtgenote, de mezzosopraan Marie Breugelmans, en hun dochter Maria De Groote-Ontrop waren respectievelijk als zangpedagoge en als lerares piano aan deze instelling verbonden. Daarnaast was Ontrop muziekleraar aan het Belpaire-instituut en de St.-Ludgardisschool, en organist aan de St.-Augustinuskerk en de Protestantse Kerk in de Lange Winkelstraat.

Op uitzondering van enkele symfonische schetsen (Droomdicht, Feestgalm, Zomerspeling) en een paar cantates (Lady Macbeth, Roosenbergcantate) zijn alle composities van Ontrop kleinschalig en vocaal. Hij schreef enkele religieuze koorwerken voor de Gewijde Concerten (Adoramus te, Ecce Panis), maar het was vooral als liedcomponist dat hij furore maakte. Hij componeerde een hele reeks liederen, zowel op eigen tekst (Wijdingsliederen, 't Is nacht), als op gedichten van onder meer Karel van de Woestijne (Moe Lied), Petrus Augustus de Génestet (Zachtheid), Hubert Melis (’t Jawoord), Lambrecht Lambrechts (Het piknikje) en Guido Gezelle ('k En hoore u nog niet, Het meezennestje, Hoort). Een aparte vermelding verdienen de talrijke volksliederen die Ontrop van een stijlvolle pianobegeleiding voorzag. Vele van deze liederen voerde hij uit tijdens concerten met het Vocaal Solisten-Kwartet dat hij in 1898 had opgericht en waarvan - naast zijn latere echtgenote Marie Breugelmans - ook Jef Judels deel uitmaakte.

De verdienste van Ontrop voor het Antwerpse muziekleven manifesteert zich op verschillende vlakken. Naast componist, dirigent, pedagoog en volksliedvorser, verwierf Ontrop ook faam als musicograaf, essayist en recensent. In dagbladen als De Morgenpost en De Standaard becommentarieerde hij het concertleven te Antwerpen en vanaf de jaren 1930 verzorgde hij voor de toenmalige openbare omroep een veertiendaagse kroniek van de Antwerpse muziekscène. Over zijn werk als essayist, recensent en musicograaf schreef Irène Bogaert dat het "een ongewoon niveau" bereikte: "het muzikale feit werd er gewaardeerd, in het licht van zijn algemeen culturele betekenis". Maar ook als dichter liet hij zich niet onbetuigd. Het leek er aanvankelijk zelfs op dat Ontrop eerder een literaire richting zou inslaan. Fernand Toussaint van Boelare omschreef zijn vriend ooit als volgt: "Ontrop's passie is geweest: de muziek; zijn behagen en zijn troost: de poëzie."

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Adeline Boeckaert