Papen, Alex

Ekeren, 07/05/1882 > Boechout, 04/11/1965

Biografie

Papen, Alex

door Annelies Focquaert

Alex Papen (Paepen) was afkomstig uit een organistenfamilie in Ekeren: zijn vader Frans was er organist van de Sint-Lambertuskerk. Dankzij de lessen van zijn vader speelde hij al van jongs af aan orgel tijdens de diensten. Alex werd naar het Klein Seminarie van Hoogstraten gestuurd ter voorbereiding op universiteitsstudies, maar omdat hij liever muziek wilde gaan studeren, zorgde hij ervoor dat hij van school werd gestuurd wegens slecht gedrag. Zijn vader stuurde hem daarop naar de kostschool Lindemans in Opwijk: als hij daar eerste van de klas werd, mocht hij naar het conservatorium. August De Boeck leerde hem er pianospelen en improviseren.

Papen studeerde aan het Koninklijk Conservatorium van Antwerpen contrapunt, harmonie en fuga bij Lodewijk De Vocht; orgellessen volgde hij eerst bij Jozef Callaerts en vanaf 1902 bij Arthur De Hovre, bij wie hij kort daarop zijn eerste prijs orgel behaalde (1902, 1903 of 1912 worden in verschillende bronnen als afstudeerjaren genoemd).

Aan de Antwerpse kathedraal werd hij in 1904 (1905) benoemd tot ‘bijgevoegd organist’ naast Gustaaf Brees. Toen zijn vader overleed op 15 juli 1906, werd hij benoemd als diens opvolger in Ekeren, maar hij bleef slechts korte tijd in dienst. In 1909 werd hij organist van de Heilige-Geestkerk in Antwerpen. Van 1920 tot 1928 was hij muziekleraar aan het Sint-Jan Berchmanscollege en in die periode gaf hij ook notenleerles aan het Conservatorium.

Op 14 april 1926 speelde hij in de Antwerpse Stadsfeestzaal het door Jos Stevens vernieuwde Schyven-orgel in. Als dank voor zijn belangeloze medewerking werd hij benoemd tot ere-organist van de stad Antwerpen. In hetzelfde jaar volgde hij aan de Antwerpse kathedraal Gustaaf Brees op als titularis, een functie die hij tot in 1962 zou behouden.

Toen zijn voormalig orgelleraar Arthur De Hovre in 1931 overleed, volgde Alex Papen hem op aan het Antwerpse Conservatorium, waar onder meer Clement D’Hooghe zijn leerling was. Hij werd vanaf 1947 ‘ter beschikking gesteld’ en ging op pensioen in 1955; intussen was Flor Peeters hem in juli 1948 als orgelleraar opgevolgd.

Naast zijn lange carrière als leraar en kathedraalorganist, was hij ook actief als concertorganist. Vooral met zijn improvisatiekunst genoot hij grote bekendheid. Hij verzorgde de inspelingen van verschillende nieuwe orgels in het Antwerpse en was te horen op de Wereldtentoonstelling van 1935. Ook in het buitenland trad hij regelmatig op, al zijn daarover de gegevens moeilijker te verifiëren. Zeker is dat hij een nauwe band had met Londen: zo droeg hij de Cinq petits préludes en sol majeur et mineur, gepubliceerd in de reeks Maîtres Contemporains de l’Orgue (1912), op aan Walter W. Hedgcock, die van circa 1896 tot zeker voor WO I organist en dirigent was in het Londense Crystal Palace. Papen zou in deze prestigieuze zaal verschillende concerten spelen en was in april 1938 de eregast op een bijeenkomst van de Londense ‘Society of Organists’. Begin 1939 werd hij benoemd tot erelid van deze vereniging: samen met Marcel Dupré was hij tot dan toe de enige buitenlandse organist aan wie deze eer te beurt viel. In 1947 waren in The Musical Times lovende woorden te lezen over Papens inzet voor de Britse orgelmuziek.

Daarnaast kreeg Papen ook enkele aantrekkelijke voorstellen om in ‘Dollarland’ te gaan werken, maar hij was te zeer gehecht aan zijn orgel in de Antwerpse kathedraal om daarop in te gaan. Volgens een ander verhaal wist hij niemand anders dan Alphonse Mustel zo te overtuigen van zijn muzikale capaciteiten, dat deze hem twee keer uitnodigde om in Parijs te komen concerteren. Zijn liefde voor het harmonium was een rode draad in zijn leven. Zo lezen we in een portret uit 1964: “Met weemoed en spijt stelt Alex Papen vast dat de belangstelling voor de harmoniummuziek steeds afneemt. Weldra zal er waarschijnlijk zelfs geen vakman meer te vinden zijn om de wereldbefaamde Mustels te herstellen. De gedachte dat men eens dit volmaakte instrument zal moeten missen, kan Alex Papen slechts moeilijk dragen”.

Voor zijn jarenlange verdiensten als kathedraalorganist ontving hij het kruis Pro Ecclesia et Pontifice, daarnaast was hij ook officier in de Leopoldsorde en ridder in de pauselijke Orde van Sint-Silvester.

Bij testament liet hij een geldsom na voor de inrichting van een tweejaarlijkse prijs Alex Papen, waarbij zijn Concertstudie in G het opgelegde werk vormde. De wedstrijd werd voor het eerst uitgeschreven in 1966.

Als componist publiceerde hij slechts enkele werken, waaronder de eerder genoemde Concertstudie in G en 5 petits préludes, een Aria en een Fantasie voor orgel. Voor het Antwerps kathedraalkoor schreef hij een vierstemmige Onze-Lieve-vrouwemis en religieuze liederen zoals Jesu allerliefste kind en een Tantum ergo. In het Antwerpse Letterenhuis worden verschillende autografen van hem bewaard: liturgische muziek, liederen en enkele werken voor orgel.

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Annelies Focquaert