Rosseau, Norbert

Gent, 11/12/1907 > Gent, 01/11/1975

Biografie

Rosseau, Norbert

door Annelies Focquaert

Norbert Rosseau werd geboren in een artistieke familie: zijn moeder Stella Lussie behaalde een eerste prijs voor piano aan het conservatorium van Gent en zijn vader Maximiliaan was elektricien, violist, circusartiest en muzikale clown. Ze werkten allebei als variétéartiesten bij een lyrisch gezelschap dat vooral in Italië rondtrok. Al op jonge leeftijd kreeg Norbert vioolles van zijn vader. De Eerste Wereldoorlog zette vanaf 1915 de familie Rosseau voor lang in Italië vast. Norbert volgde er vioolles bij Armando di Piramo (eerste violist van het orkest van Montecarlo, later leider van een bekend zigeunerorkest en jazzpionier) en begon al op achtjarige leeftijd op te treden als vluchteling-wonderkind, “il piccolo celebre violonista direttore d'orchestra e compositore Norberto Rosseau”. Voor zijn gewone opleiding was hij aangewezen op thuisonderwijs en zelfstudie. Op twaalfjarige leeftijd begon hij compositie te studeren als privé-leerling van Giuseppe Mulè, op dat moment directeur van het Conservatorium te Palermo. Vanaf 1925 volgde Rosseau zijn leraar naar Rome, waar Mulè directeur was geworden van het Conservatorio di Santa Cecilia. Rosseau begon met studies over Italiaanse letterkunde en over geschiedenis van de oude muziek en nam vervolgens, steeds als privéleerling, pianoles bij Renzo Silvestri, orgelles bij Fernando Germani en fuga bij Cesare Dobici. Aan het Conservatorio di Santa Cecilia behaalde Rosseau in 1929 zijn diploma voor compositie. In datzelfde jaar volgde hij nog vervolmakingsstudies bij Ottorino Respighi en deed hij een dirigentenstage bij het filharmonisch orkest van Rome, terwijl hij regelmatig optrad als solist. 

In 1932 werd hij opgeroepen voor zijn militaire dienstplicht in België: zijn ouders keerden mee terug en zetten een punt achter hun zwervend leven in Italië. Van oktober tot april woonde Norbert Rosseau in het ouderlijke huis in Gent, de zomermaanden bracht hij telkens door in Kerselare (bij Oudenaarde) waar hij als suikerbakker het familiebedrijf voortzette en waarmee hij in zijn onderhoud kon voorzien. Rond 1934 studeerde Rosseau psychologie en filosofie in Gent. Zijn carrière als concertviolist eindigde in 1940, toen hij als soldaat van het Belgische leger door een kogel aan zijn rechterhand gekwetst raakte. Van dan af legde hij zich toe op de compositie.

Al voor het uitbreken van WO II experimenteerde hij, als één van de eersten in Vlaanderen, met elektronische compositie en dodecafonie. In 1957 bezocht hij het ‘Centre de Recherches Radiophoniques’ in Parijs, in 1962 nam hij deel aan de ‘Internationale Ferienkurse für neue Musik’ in Darmstadt. Toen in 1963 te Gent het Instituut voor Psycho-akoestiek en Elektronische Muziek opgericht werd, ging hij er zelf les volgen bij Lucien Goethals. Van 1967 tot 1969 gaf hij aan het Conservatorium van Gent een cursus oude muziek en het bespelen van oude instrumenten.

De opuslijst van Norbert Rosseau telt 121 werken. Uit zijn oeuvre blijkt een brede interesse in stijlperiodes, compositiestijlen, poëzie en literatuur. Hij componeerde orkestwerken (Rousslane, 1936; H2O, 1938; Concerto opus 37, 1947; Symphonie, 1953; Bericht aan een arkeneel, 1974), werken voor soli, koor en orkest (L’Inferno, 1940-1944 en Il Paradiso terrestre, 1967-1968, beide op tekst van Dante; L’An mille, 1946, Incantation, 1950), kamermuziek (Prelude et Fugue voor orgel en strijkers, 1947, Pianokwartet, postuum), oratoria (Maria van den kerselaar, 1951; Stenen en brood, 1972) liedcycli (onder meer op teksten van Maurice Carême), missen (Messe solennelle à 8, 1953; La Messe des morts à Is, 1959;  passies (Johannespassie, 1965; Mattheuspassie, 1969-1975), balletten, de opera Sicilienne en werken met of voor electronica en verschillende werken voor kleinere bezetting.

Als componist was Norbert Rosseau een eclecticus, die trouw bleef aan de grote tradities maar tegelijkertijd een grote nieuwsgierigheid toonde voor de twintigste-eeuwse werkwijzen. Zijn vroegste belangrijke werken zijn laat-romantisch en verenigen impressionistische en expressionistische stijlelementen in een tonale toonspraak. “In 1947 kwam het grote keerpunt,” zegt Rosseau zelf. “Ik moest dan een concerto schrijven voor de radio. Het werk ging mij echter veel te vlot en te gemakkelijk af dan dat het mij voldoening zou schenken. Daarom maakte ik een nieuw werk Opus 38, dat een echte rebellie betekende tegen alles wat ik voorheen had geleerd. Ik schreef het volledig spontaan, en zonder in het minst acht te slaan op de regels van vroeger. Nadat ik het stuk had afgewerkt, voelde ik mij bevrijd”. Twee weken later komt Opus 38 (Pièces Symphoniques) al op de radio, het bestelde werkstuk pas zes maanden later. Zelf verrast, analyseerde hij zijn eigen Opus 38 en kwam zo tot een eigen twaalftonenstelsel dat hij combineerde met een consonante harmonie, vandaar ook zijn benaming “harmonische dodecafonie.” Hij was even sterk gefascineerd door de oude kerkmodi, het Gregoriaans en de Griekse monodie, als door experimenten met elektronica en concrete muziek, waarvan zijn Elektronische Mis (1967), met als basismateriaal bandopnamen van knapenstemmen, een kristallen beker en neertikkende waterdruppels, een voorbeeld is.

Kamiel Cooremans omschrijft Rosseau’s eigenheid als componist als volgt: “de essentie van zijn kunst […] ligt veeleer in het kritisch en persoonlijk aanwenden van oude en nieuwe middelen. In traditionele technieken was hij nooit een epigoon, in progressieve nooit een nieuwlichter. Bij hem geen slaafs aanleunen, geen doelloos experimenteren en ook geen vergissingen. Ondanks zijn grote bekommernis om de (echte) vorm hield hij zich steeds ver van alle formalisme.”

Norbert Rosseau ontving belangrijke prijzen voor zijn werk: in 1939 werd zijn H2O bekroond op de Internationale compositiewedstrijd van de watertentoonstelling te Luik, in 1957 ontving hij voor zijn Stabat Mater de prijs van de provincie Oost-Vlaanderen; in 1962 kreeg hij vanwege de Belgische Staat de prijs van de muziekkritiek voor zijn Blazerskwintet, en in datzelfde jaar ook een werkbeurspremie vanwege de staat voor het geheel van zijn oeuvre, en in 1964 de Koopalprijs (een werkbeurs van de Belgische Staat). Rosseau’s werken zijn bewaard in het CeBeDeM in Brussel.

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Annelies Focquaert