Rosseau, Norbert

Gent, 11/12/1907 > Gent, 01/11/1975

Historische teksten

Zeepbellen

door Pros Goethals

Een toevallige samenloop van omstandigheden heeft bijgedragen tot het ontstaan van de “Zeepbellen”. Op 9 juli 1956 was Rosseau een eerste maal uitgenodigd geworden tot een artiesten-week-end bij de Gravin d’Hespel te Beernem. Hij keerde ervan terug met enkele gedichtbundels van Jan Vercammen. Kort nadien ontving hij te Kerselare E.H. Noël Van Wambeke, dirigent van het Gents Schola Cantorum-knapenkoor, die op zoek was naar repertoire-vernieuwing voor gelijke stemmen. Een jaar later was de “Zeepbellen”-cyclus voltooid: opgedragen aan Mevrouw de Gravin, maar bestemd voor de knapen van de Gentse Schola, die het werk creëerden op 15.02.61.

De aard van het werk werd treffend gekarakteriseerd door Berten De Keyzer in de programma-brochure voor het Troonconcert in het Gents Stadhuis op 21.12.66: “Op een zomermiddag maakte ik een leuk gevalletje mee. Norbert Rosseau liep droomverloren in de Keizer Karelstraat, en een eind verder gooide een groepje studenten rumoer in de straat. Het waren jongens van het Schola-knapenkoor die een herhaling hadden meegemaakt. Plotseling bleef Rosseau stilstaan en ik zag hem verstijven. Toen hoorde ik het ook: de jongens floten al wat ze fluiten konden DOMIEN uit ZEEPBELLEN, een stukje muziek dat goed ligt in de mond van jonge kereltjes. Ik zag Rosseau een dikke traan wegvegen. Vermoedelijk omdat hij op dat moment ontdekte hoezeer zijn kindermuziek in het hart van het kind lag. Dat hij de kinderziel waarachtig en vol getroffen had. Die ZEEPBELLEN zijn leuke grappige dingen, met hier en daar een tikkeltje verdriet, een stukje schavuiterij, een verre droom van vreemde dieren, een stukje kerstnachtgeloof, en dwars door dat alles: de glanzende, verbazingwekkende, heerlijke en kleurrijke vlucht van Zeepbellen over een wereld van jongensfantasie en droomschoonheid.”

Het begint met een teder orkestpreludium, een soort mini-ouverture, gebouwd op de vocale thema’s van het eerste nummer, de BALLADE, zelf een wisselend spel van weemoed en overmoed. De klokken luiden feestelijk als de ridder ten strijde trekt. Ze luiden weerom als de krijgers terugkeren; maar voor de “schone jonkvrouw” klinken ze droevig, omdat “haar heer niet wederkwam”. Het orkest trekt zich in een eerbiedig zwijgen terug bij de spanningsvolle zin: “… en ledig bleef de lege kim”. Het beeld van Gudrun op het hoge duin. Dan droomt het orkest nog een poosje mee…

Groot contrast maakt DOMIEN vanaf de eerste trompetstoot. Domien is de naïeve pochhans, de branie, die niet meer weet dat hij voortdurend liegt en die daarom door zijn kameraadjes in de maling wordt genomen. “Ik zag een krokodil die van een peuleschil een nest aan ’t maken was”. Rosseau koos voor elk van de 7 (!) strofen een andere lied- of dansvorm; telkens leuk, raak, en spaarzaam gekleurd door een geniale orkestratie.

Overschouwt men het geheel, dan valt geredelijk op dat precies in het midden van het werk de volgende tekst in de mond der zangers wordt gelegd: “… de wolken door, daar leerden de engelen juist een koor[“] (4e deel, Zeepbellen, 3e strofe). Een koor, iets dat zingt! Volgens Rosseau: conditio sine qua non voor “muziek”. Daarom is die Nr. 4, die zijn naam deelt met het geheel, de pijler waarop heel het klankgebouw is opgetrokken. Voor en achter wordt hij geflankeerd door nummers die qua vorm zo dicht mogelijk bij het ongecompliceerd koorzingen schijnen te liggen: Nr. 3 is radicaal éénstemmig, Nr. 5 is een tertsentweestemmigheid.

De KERSTNACHT (Nr. 3) wordt begeleid door een snarenkwartet. Wat daarin gebeurt is een wonder waarop men niet uitgekeken geraakt (en uitgeluisterd). Ritmisch, melodisch, harmonisch… het is niet te vertellen. Roger Van de Wielle vatte het in 1961 aldus samen: “N. Rosseau schildert in dit éénstemmig lied het kerstgebeuren als een tafereel waarbij de personages statisch blijven in een van uitzicht veranderend landschap. Elke muzikale zin is opgebouwd uit vier gelijkaardige fragmentjes. Zij verwisselen telkens onderling van plaats tegenover de zich steeds wijzigende achtergrond der snaren.”

De parallel, Nr. 5, is ook slechts in schijn eenvoudig. Een wiegeliedje met slagwerk. Rosseau moet aan het interieur van zijn grootmoeder hebben gedacht, met een primitieve, versleten oude wieg, die bij het schommelen wat mankt. Dit stuk steekt vol voorzichtige chromatiek, en tijdens de slotzin krijgt elk van de twaalf tonen een beurt “à la manière de Rosseau.”

Louis Devos heeft de nummers 3 en 5 door een kleinere koorbezetting laten uitvoeren, wat volledig overeenkomt met de grondstructuur van het werk.

Nr. 4, de ZEEPBELLEN, vraagt overduidelijk om een grote bezetting. De inhoud is een en al guitigheid. Vercammens gedicht is biezonder geschikt om voorgedragen te worden. Hiermee moet Rosseau zich in zijn schik hebben gevoeld. Een eigenlijke inhoud is er niet. Het is een onschuldige grap, muzikaal verhoogd door kostelijke, volkse, nooit banale melodieën. Die de tekst op de voet volgen, fris, jeugdig, met meesterhand georkestreerd.

De delen 6 en 7 zou men twee circusnummers kunnen noemen. Clowneske circusnummers. Hier bereikt de kolder een hoogtepunt en de compositie evenzeer. Weinig seriële muziek is zo ondeugend vermakelijk. De muzikale fantasie geraakt niet uitgeput. Het werk eindigt tenslotte met een 4-stemmige koraalparodie.

Goethals, P.: Omtrent “Zeepbellen”, zeven wondere verhalen voor knapenkoor en orkest, opus 69 (1957), in: [begeleidende tekst bij de LP ‘Norbert Rosseau 1907-1975’, Eufoda 1044], s.d. [1978].