Componisten menu

ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Schrey, Julius

Antwerpen, 26/12/1870 > Antwerpen, 03/12/1936

Biografie

Schrey, Julius

door Jan Dewilde

Julius J. B. Schrey en het mysterie van het verdwenen beeld

Nee, dit is niet de titel van een detectiveverhaal. Het is het relaas van de onzorgvuldige manier waarop hier te lande met het kunsthistorisch patrimonium wordt omgegaan. Om kort te zijn: in de foyer van de Vlaamse Opera in Antwerpen stond decennialang een bronzen beeld van de dirigent-componist Julius J. B. Schrey. Sinds enkele jaren is het zoek. Spoorloos verdwenen. 

Julius J. B. Schrey - zijn initialen verwijzen niet naar het bekende whiskymerk, maar staan voor Jan Baptist - werd op 26 december 1870 in Antwerpen geboren. Zijn vader was schoenmaker op de Begijnenvest en had het zeker niet breed. (Ooit moet er eens een sociologische studie gemaakt worden over de afkomst van Vlaamse componisten uit de 19e eeuw: verbazend hoe velen er uit een eerder eenvoudig milieu stammen.) En vader Schrey had zelfs twee musici in huis: ook Julius’ jongere broer Alfons werd violist en componist, zij het in de schaduw van zijn bekendere broer. 

Dankzij een beurs kon Julius Schrey aan de stedelijke Muziekschool van zijn geboortestad studeren. Voor viool had hij niet minder dan vier leraars, met name Florent Tillemans, Peter Houben, Antoon Bacot en Jean Baptiste Colyns. Harmonie volgde hij bij Jan Blockx, fuga en contrapunt bij Joseph Tilborghs en Peter Benoit. Zolang Benoits Muziekschool geen Koninklijk Conservatorium was, kon ze geen gelijkwaardige diploma’s afleveren. En dat is ongetwijfeld de reden waarom Schrey vanaf het schooljaar 1891-1892 verder studeerde aan het Brusselse Conservatorium. Zijn leraar Colyns gaf trouwens ook daar les. Voor zijn tweede prijs speelde Schrey in 1893 werk van Rodolphe Kreutzer en de Airs russes van Wieniawski. 

Schrey was echt wel een virtuoos op zijn instrument en in zijn jonge jaren liet hij zich regelmatig als concertviolist horen. Zijn favoriete werken waren concerto’s van Niccolo Paganini, Charles de Bériot en Henri Vieuxtemps, de Zigeunerweisen van Pablo de Sarasate en eigen composities als Tarentella en Cansonetta. Maar hij hield ook van kamermuziek, met de Sonate van César Franck als een van zijn lievelingsstukken. Naast zijn optredens als violist manifesteerde Schrey zich ook als componist en droomde hij van deelname aan de Prijs van Rome. 

Maar die plannen werden doorkruist door een ongelukkige liefde. Daarom maakte Schrey, waarschijnlijk op aanraden van de Belgisch-Amerikaanse componist-dirigent Frank Vander Stucken, de grote oversteek naar de Verenigde Staten. Het was het 'Belgian royal and U.S. mail steamship Noordland' dat hem - met zijn viool en slechts enkele franken op zak - in september 1893 naar de nieuwe wereld bracht. Aan boord speelde hij twee concerten, waarvan een ten voordele van 'the Antwerp seamen’s friends society'. Dat leverde hem aanbevelingsbrieven op van verschillende invloedrijke passagiers en van C. H. Grant, de kapitein van het schip ("Julius Schrey has charmed all of the cabin passengers by his exquisite violin playing"). Bovendien brachten de passagiers ook geld samen in een fonds, "to help him on his way."

In New York gearriveerd vond Schrey onderdak op St. Ann’s avenue in het Home-Hotel ("a home for those who have labored in literature or art"). Het was Schrey’s bedoeling om werk te vinden in een van de grote Amerikaanse orkesten, maar al na korte tijd kreeg hij een aanbieding om met The Mendelssohn’s Quintette Club op tournee te gaan ("100 fr. per week en alle kosten van eten en logement en reizen vrij"). Het gereputeerd ensemble bestond verder uit een Deen, een Ier, een Nederlander, een Duitser én een Zweedse zangeres, die mee op tournee trok. Enkele musici bespeelden meerdere instrumenten, zodat er in een gevarieerde bezetting kon worden opgetreden. Met dat internationale gezelschap doorkruiste Schrey tot in het voorjaar van 1894 Amerika in alle richtingen. 

In de zeer lezenswaardige brieven die hij naar zijn familie stuurde, blijft hij zich verwonderen over de zeden en gewoonten van dat grote land. Zo schrijft hij over de bezochte steden (over New York: "Om b.v. van mijn huis naar de groote post te gaan, te voet, heb ik volle 3 uren noodig en dat is één rechte weg."); het bier ("het is te straf"); het comfort op de treinen ("er zijn zelfs gemakken in elke wagon, een lavabo met water en zeep om u te wasschen") en over de baard- en snormode ("de groote chic is alles af"). Niettegenstaande die Amerikaanse "chic" zou Schrey later een uit de kluiten gewassen knevel cultiveren, wat hem soms op Ignacy Paderewski deed lijken. 

Na zijn terugkeer zocht Schrey emplooi in de Antwerpse orkesten. Al tijdens zijn conservatoriumstudies had hij als jonge orkestviolist een cent bijverdiend, zodat hij in zowat alle toenmalige orkesten heeft gespeeld: het orkest van het Paleis voor Nijverheid, Kunst en Handel, de Scala, het 'Théâtre royal d’Anvers', het 'Théâtre du Cirque' en de Dierentuinconcerten. Maar hij werd ook geëngageerd door het 'Théâtre royal des Galeries St. Hubert' in Brussel, het casino-orkest in Blankenberge en het orkest van het Kursaal van Oostende. 

In 1899 schreef zich dan opnieuw in aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium van Antwerpen. Hij volgde de klassen contrapunt en fuga (Tilborghs), antieke muziek (Wambach), samenzang (Fontaine) en letterkunde (Arthur Cornette). Zo kon hij toch nog in Antwerpen eerste prijzen halen. Rond die jaren deed hij kostbare ervaring op als dirigent van het Nederlands Lyrisch Koor en de Nederlandse Liedertafel. En na de eeuwwisseling was hij een van de grote propagandisten van de Liederavonden voor het volk. 

Ondertussen stond hij al met beide benen in de professionele muziekwereld. Sinds 1896 was hij in dienst van het Nederlands Lyrisch Toneel, het prille begin van de huidige Vlaamse Opera. Schrey begon er zijn carrière als eerste viool en koorrepetent, maar vier jaar later al stond hij als tweede dirigent vóór zijn orkestcollega’s. Zijn eerste werk zou een opvoering van Jozef in Egypte - de opera’s gingen in Nederlandse vertaling - van Étienne Méhul zijn geweest. Op 15 februari 1902 mocht hij met De vrouwkens van Brugge van Ernest Britt zijn eerste creatie dirigeren. Zijn vroegere collega’s stonden niet meteen welwillend tegenover een debutant uit eigen kring. Er dreigde zelfs een boycot, maar die werd in de kiem gesmoord door een ferme tussenkomst van Jan Blockx en Joris De Bom, voorzitter van het Syndikaat der Toonkunstenaars. Schrey greep zijn kans en dat was meteen het begin van een grote dirigentencarrière. 

Hij leerde de operastiel vooral van Edward Keurvels, de eerste "orkestmeester", die hij in 1908 opvolgde. Dat speeljaar dirigeerde hij onder andere de eerste Antwerpse uitvoering van Siegfried. Schrey zou zijn reputatie vooral bouwen op zijn Wagneruitvoeringen. Tegelijkertijd bezorgde hij zo het Antwerpse operahuis prestige en een eigen profiel. In 1910 dirigeerde hij - zonder "raccord" - Tristan en Isolde met de legendarische Wagnerzangers Félia Litvinne en Ernest Van Dijck. Volgens getuigenissen deed hij dat tot grote tevredenheid van Van Dijck, al zou die proberen om eigen (Duitse) dirigenten in Antwerpen te introduceren.

Schrey voerde ook verschillende keren de Ring uit, telkens spraakmakende gebeurtenissen in de geschiedenis van de Vlaamse Opera. Samen met Fontaine, vóór zijn directeurschap een fameuze baszanger, programmeerde hij in 1910 de eerste keer De ring des nevelings. De cyclus werd geleidelijk en zorgvuldig opgebouwd, met de hulp van Van Dijck. Hij was toen al een levende legende, maar liet voor deze productie in Antwerpen zijn gage vallen. Uiteindelijk was die enorme onderneming voor de armlastige Vlaamse Opera alleen maar mogelijk dankzij het grandioze (financiële) succes van Leo Falls operette De lustige boer in het begin van het seizoen. "De boer zal den ring betalen!", klonk het toen opgelucht. Die kaskraker liet toe om de tetralogie tussen 4 en 16 april 1910 twee keer te spelen. De volledig Belgische cast telde uitstekende Wagnerzangers als Bertha Serroen en Jan Collignon. 

Schrey herhaalde die indrukwekkende prestatie tussen 11 en 26 april 1925. Opnieuw ging de hele Ring twee keer. De grote ster van die opvoeringen was de Nederlander Jacques Urlus, die Sigmund (De Walkure) en Siegfried (Siegfried en Godendeemstering) voor zijn rekening nam. Van alle Wagnertenoren - hij zong vaak in Bayreuth - had hij ongetwijfeld de meest flexibele stem. Die liet hem toe om evenzeer te schitteren in barokmuziek en belcanto. Ook Urlus, die in alle grote operahuizen Wagner zong, was zeer te spreken over Schrey als Wagnerdirigent.

Tijdens het seizoen 1930-1931, toen tien Wagneropera’s werden opgevoerd, werkte Schrey opnieuw mee aan de Ring. 

Een ander hoogtepunt was de uitvoering van Parsifal op 17 maart 1914. Het werk was toen pas vrijgegeven, vijftig jaar na Wagners dood, en opnieuw dankzij Van Dijck kon de Antwerpse opera het werk al vlug monteren. Volgens de muziekjournalist en librettist August Monet in zijn boek over de Vlaamse Opera (1939) had Van Dijck de partituur van de befaamde Wagnerdirigent Karl Muck in zijn bezit, met daarin aanduidingen die rechtstreeks van Wagner stamden. En bovendien kon operadirecteur Henri Fontaine voor een prijsje gebruik maken van de schitterende decors die het failliete 'Théâtre des Champs Élysées' in Parijs had besteld. Schrey kon een beroep doen op uitstekende Wagnerzangers, aangevoerd door tenor Laurent Swolfs. Nadien zong Van Dijck zelf ook de rol van Parsifal. In de loop der jaren werd er geleidelijk meer een beroep gedaan op Duitse zangers (zoals Hans Hotter), zodat sommige uitvoeringen in twee talen verliepen. In zijn carrière moet Schrey alle gangbare Wagneropera’s gedirigeerd hebben, Rienzi uitgezonderd. Die opera vond hij, op de ouverture na, Wagner onwaardig. 

Maar Schrey dirigeerde meer dan Wagner alleen. Het Antwerpse operagezelschap had toen een zeer gevarieerd repertoire waarin ook plaats was voor operette, veel Vlaamse creaties én eigentijdse opera’s. De operaliefhebber kreeg toen een veel breder aanbod voorgeschoteld dan nu. Schrey heeft dus naast Wagner en de klassiekers (Gluck, Mozart) ook contemporaine opera’s gedirigeerd, zoals Roversliefde van Paul Gilson (1910), De dode stad van Erich Wolfgang Korngold (1923), Jef Van Hoofs Meivuur (1924), Johnny leidt de dans van Ernest Krenek (1928), Richard Strauss’ De Egyptische Helena (1930) en Judith van Arthur Honegger (1931). Voorts dirigeerde hij balletten als Daphnis en Chloë (1925) en De vuurvogel (1926). 

Dat hij ook met  nieuwe muziek goed over weg kon, dat bewijzen de vele brieven met loftuitingen die hij van die componisten mocht ontvangen. Verschillende van die brieven overstijgen de obligate beleefde dankbetuiging. Zo zijn er enthousiaste brieven van Sylvio Lazzari (na de uitvoering van Lenteoffer in 1927) en van Albert Roussel, die in 1928 dankte voor de "brillante exécution" van zijn ballet Het festijn van de spin: "Tous les détails de ma partition ont été traduits avec autant de délicatesse que de précision et la sonorité générale a eu cette transparence et cette légèreté aérienne qui caractérisent le petit monde ailé qui s’y agite." En Ottorino Respighi prees in 1931  "la superbe interprétation" van zijn De verzonken klok. Hij schonk Schrey ook een foto met de opdracht: "au maître Julius J.B. Schrey, avec la joie d’avoir connu un grand artiste." En in een artikel in Le Soir van 1 februari 1913 dankte Paul Gilson hem expliciet voor zijn inzet voor de Belgische operacomponisten.  

Schrey kreeg van de operadirectie ook de kans om zich zelf als componist te manifesteren. Op 3 maart 1904 dirigeerde hij de allereerste uitvoering van zijn eenakter Het arendsnest, op een libretto van August Monet. Schrey stelde hier zware eisen aan de uitvoerders. Zo liet hij het vijfde toneel beginnen met een aartsmoeilijke koorfuga ("Arma Afra, hoe wreed vervolgt het noodlot haar"). Het werk kende een zeker succes en na de verhuis van de oude schouwburg op de Kipdorpbrug naar het nieuwe (huidige) operagebouw deelde het op de tweede galavoorstelling op 19 oktober 1907 de affiche met Quinten Massys van Émile Wambach. Dat seizoen werd het Nederlands Lyrisch Toneel omgedoopt in Vlaamse Opera; in 1920 kwam daar het predikaat Koninklijk voor. 

Het relatieve succes van Het arendsnest had componist en librettist het vertrouwen gegeven om een groter werk op het getouw te zetten. Het was Monets ambitie om komaf te maken met de veristische en historische libretto’s van toneelauteurs als Nestor De Tière en Rafaël Verhulst. Hij droomde van een Vlaamse pendant van de Wagneropera’s. Maar dan zonder goden. De inspiratie vond hij niet in Vlaanderen, maar tijdens een reis door de Schotse Highlands. Sinds Lucia di Lammermoor en La dame blanche was Schotland een populaire operalocatie. Monet verwerkte de sage van de smid van Gretna Green in het ietwat naïeve libretto van De smid van de vrede. Zijn operatekst herinnert aan de verhalen van Walter Scott, maar dan verteld in een mistige sfeer van bijgeloof en bevolkt met schimmen en aardgeesten.

Schrey zette die Schotse couleur locale nog kleur bij door in een symfonische passage als Stoet de houtblazers, boven een begeleiding van holle kwinten, doedelzakgeluiden te laten imiteren. Deze zeer compact georkestreerde partituur toont dat Schrey ook als componist een Wagnerprofeet was. Tijdens het componeren zat hij blijkbaar met Götterdämmerung in het hoofd. Hij strooit ook kwistig een dertigtal leidmotieven in het rond, waarmee hij zowel figuren, zaken als ideeën aangeeft. Een groot deel van het drama speelt zich dan ook in het orkest af. Op 25 januari 1913 dirigeerde Schrey zelf de première van zijn zangspel. De hoofdrollen werden vertolkt door Collignon (Fergus) en Serroen (Nelly), zangers die in het Wagneridioom gepokt en gemazeld waren. Toch hadden ze het lastig om boven het grote orkest (blazers per 4, Wagnertuben en saxofoons incluis) uit te komen. Naast die twee opera’s componeerde Schrey ook nog een lyrisch drama, symfonische gedichten, een klassiek strijkkwartet, liederen en marsen voor harmonie. 

Niettegenstaande zijn uitstekende reputatie bij zangers en componisten uit binnen- en buitenland en ondanks verschillende invitaties van over de grenzen, is Schrey zeer honkvast gebleken. Uitzonderlijk heeft hij tijdens het seizoen 1907-1908 in het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt de eerste Nederlandse uitvoering van Tiefland van Eugen d’Albert geleid. Overigens stond de drukke operapraktijk gastdirecties in de weg. (Indien de financiën het toelieten, speelde de Vlaamse Opera in de eerste decennia van de 20e eeuw soms tot meer dan 100 voorstellingen per seizoen.)

Voor zoveel trouw en inzet werd Schrey niet echt beloond. Tijdens het seizoen 1931-1932 werd het operahuis geteisterd door zware syndicale problemen. Vele orkestleden vertrokken en werden veroordeeld wegens contractbreuk. Schrey verklaarde zich solidair en ging ook. Met als absurd gevolg dat een uitstekend operadirigent werkloos thuis zat. Het duurde tot het seizoen 1934-1935 eer Schrey nog eens, als gastdirigent, het operaorkest mocht dirigeren. Hij leidde nog opvoeringen van Parsifal, De Walkure en Prins Igor, maar het enthousiasme was geknakt. Een eenmalig optreden in 1935 met het NIR-orkest bracht amper soelaas. 

Tijdens die moeilijke jaren 1934-1935 was hij ook nog even leraar harmonie aan het Antwerpse Conservatorium, waar hij al in 1917 tot leraar notenleer was benoemd. Het is toen dat hij het boek Volledige Vlaamsche theoretische begrippen der muziek schreef. Het werk bleef onuitgegeven.

André M. Pols, die Schrey van nabij had gekend, getuigde dat het conflict met de opera hem zwaar heeft geraakt: "Toen de huidige directie van de Opera de zaken weer goedmaakte tegenover den verongelijkten Schrey, was het te laat. Toen was de mensch in hem geknakt. Het enthousiasme was er nog wel, maar de ontgoocheling was te bitter geweest om ze ook physiek te boven te komen. (…) Ik ben er van overtuigd dat hij vreeselijk leed onder het onrecht, dat men hem had aangedaan. Maar hij stelde er beslist zijn trots op om zijn moreele smart aan niemand te toonen."

S
chrey overleed plots op 3 december 1936. Hij werd opgebaard met de partituur van Parsifal naast zich. 

De Vlaamse Opera is Schrey niet onmiddellijk vergeten. Op 9 november 1937 werd hij in de Koninklijke Vlaamse Opera postuum gehuldigd. Na een uitvoering van Het arendsnest, gedirigeerd door Hendrik Diels, nam Daniel Sternefeld de dirigeerstok over om Schrey’s orkestwerk In memoriam (het middendeel uit een symfonisch drieluik) te leiden. Op de slotakkoorden van dit werk schoof het doek open en werd zijn beeld onthuld. Een merkwaardige kop in brons door de bekende beeldhouwer Willy Kreitz. Daarna speelde het orkest de ouverture tot Tannhäuser, - zonder dirigent! Op de verlichte dirigeerstoel lag alleen een krans. Tot slot van de avond dirigeerde Renaat Veremans het tweede bedrijf uit Tannhäuser.

Op 20 maart 1962 werd Schrey nog eens in herinnering gebracht met een concert ter gelegenheid van de 25e verjaardag van zijn overlijden. Frits Celis leidde toen het KVO-orkest in de prelude tot Het arendsnest en de tenor Marcel Vercammen zong fragmenten uit De smid van de vrede. Celis, die zich als dirigent en musicograaf steeds voor zijn collega’s uit het verleden heeft ingezet, heeft in december 1970 in het Vlaams Muziektijdschrift nog een artikel aan Schrey gewijd. En in oktober 1980 spendeerde Radio 3 in het programma Autochtoon een uitzending aan de componist-dirigent. 

Maar van dan af is de figuur van Schrey in de nevelen der tijd weggedeemsterd. Een laatste herinnering aan de grote Wagnerdirigent was het beeld dat sinds 1937 in de foyer van het operagebouw stond opgesteld. Jarenlang heeft het er op een mooie sokkel gestaan. Het beeld werd het laatst gesignaleerd scheefgezakt op enkele bakken Coca-Cola. Sinds enkele jaren is het dus spoorloos zoek. Net zoals de buste van Albert Grisar die sinds 1877 in inkomsthal van de Bourla stond. En vervangen is door een openbaar telefoontoestel. Net zoals een meer dan levensgroot portret van die zelfde Grisar. Net zoals een beeld van de zangeres Valentine Degive-Ledelier. Net zoals…

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Jan Dewilde