Van den Abeele, Hendrik

Brugge, 06/12/1869 > Mol, 27/12/1931

Historische teksten

Hendrik Van den Abeele

door J. Vranken

Hendrik Van den Abeele is een puik organist, die thuis hoort in het gezelschap van De Hovre, Van Durme, Verhoeven en D'Hulst, van dezen laatsten vooral, den grootsten contrapuntist van België, die hem geruimen tijd privaatlessen gaf. Als toondichter beleefde hij verscheidene triomfen in den vreemde, doch hij is een onbekende, - een miskende althans - in zijn eigen land gebleven. Hij bezit wetenschap en ervaring genoeg, om een conservatorium te besturen, en zit daar vereenzaamd in een Kempisch dorpje te roesten, dicht bij de Hollandsche grens. Hij heeft idealen in den kop, gansch persoonlijke, doch gezondheid, welstand, vertrouwen, bemoediging blijven hem ontbreken, om ze hem spoedig te laten verwezenlijken. Gedurende en na den oorlog is zijn leven een calvarie geweest en niemand schijnt zich om zijn lot te bekommeren.

Zie, hij is een Vlaming en een geloovige: een dubbele reden, naar het schijnt, om hem dood te zwijgen. De baan van dengene, die leeft voor de kunst, is met doornen bezaaid, in België vooral!... Van den Abeele is een stadsgenoot van J. Ryelandt en evenals deze gevoelde hij zich aangetrokken door de mystieke toonkunst. Hij werd geboren in 1869, zodat hij heden 54 jaar telt. De muziek zat hem in het bloed, want één van zijn ooms was kapelmeester te Brugge, en zijn moeder, die van Iersche afkomst was en een mooi stemorgaan bezat, liet zich herhaalde malen als soliste op plechtige muziekconcerten hooren.

Aan het stedelijk conservatorium kreeg hij les in het componeeren van M. Accolay, een bescheiden doch vaardig violist-componist, aan wie hij een groot deel van zijn handigheid in het schrijven voor snaartuigen en kwartet te danken heeft. Na twee jaar aan het conservatorium te Brussel vertoefd te hebben, liet hij zich inschrijven als een leerling van Tilborghs te Gent, den landberoemden leeraar in de orgelklas. Hier maakte hij kennis met meester D'Hulst, die, ondanks zijn schitterende gaven en zijn kolossale geleerdheid, een gansch ondergeschikte rol in het Conservatorium bleef vervullen. Doch hetgeen te Parijs met César Franck gebeurde, deed zich ook te Gent voor met Adolf D'Hulst: "L'histoire se répète". Verscheidene begaafde leerlingen, die geen vertrouwen stelden in de titularissen van zekere conservatoriumklassen, gingen ten zijnent aanbellen, om hem hulp en raad te vragen.

Is het uur der vergelding voor den Fransch-Belgischen meester sedert lang geslagen, de groote Gentenaar blijft nog altijd wachten op een rechtmatige eerherstelling. Trouwens, Gent is de stad der miskende kunstenaars: dat is genoeg geweten. In Gent is het een tarra een geleerd man te zijn, buiten het Franschdolle wereldje. En D'Hulst was nu eenmaal een gul-ronde Vlaming, die nooit Fransch sprak met zijn collega's, en, daarenboven, haast de eenige van heel de conservatoriale inrichting, die zijn lessen niet gaf in de taal der "cheznousters".

Geleid door dien ongeëvenaarden technicus, heeft Van den Abeele zich onderworpen aan de strengste gymnastiek voor de vingeren en den geest, ja, drie jaar lang heeft hij in het zweet zijns aanschijns met hem geblokt, gehamerd, gezongen, gewroet, om die meesterschap in de polyphonie te verwerven, waarop hij heden fier mag zijn. Na verscheidene bedieningen in zijn geboortestad bekleed te hebben, veroverde hij, in een publieken prijskamp, de plaats van kapelmeester-organist in de Sinte-Walburgakerk, waar Guido Gezelle destijds als onderpastoor zoo smakelijk had gepreekt. Gedurende tien jaar bleef hij er werkzaam.

Toen verhuisde hij naar Yper, waar hij het bestuur der stadsmuziekschool in handen nam, en die ouderwetsch-anemieke inrichting een ongewonen bloei hielp verzekeren. Om te beginnen schoeide hij alles op Vlaamsche leest, hetgeen hem menige bittere pil te slikken heeft gegeven, doch onvoorwaardelijk goedgekeurd werd door meester Tinel en daarna, door Paul Gilson. Onder de Vlaamsche kunstwerken, die hij er in de beroemde hallen van Yper ten gehoore bracht, en waardoor hij de toehoorders in den waan liet verkeeren, dat zij naar Brussel of Antwerpen verplaatst waren, - stippen wij aan: Heilgroet en beide kindercantaten van P. Benoit; De Schoonste Feestdag, door Cath. Van Rennes; Gloria Flori, van De Boeck; Naar den Oorsprong, van D'Hulst; België's Volkslied, van Gilson, en diens beroemde Feestcantate op oude volksmotieven. Voor dit gewrocht leverde Van den Abeele een bewerking voor kleine symphonie, die vervolgens nog benuttigd werd in den stadsschouwburg te Aalst, namelijk door den betreurden G. Pape.

Yper en haar muziekschool zijn den Heer Van den Abeele veel verschuldigd. Ook het Vlaamsch leven in dit "dweersdeur" verfranschte stadje zal zich zijn vlijtig pogen dankbaar hoeven te herinneren. Door denzelfden fijnen kunstsmaak liet hij zich geleiden, toen hij ook nog muziekleeraar aan de middelbare school benoemd werd, en aldaar de banale prijsuitdelingen - waar nulliteiten gelijk Streabogg en Pourny altijd den schepter hadden gezwaaid, - tot ware kunstplechtigheden poogde te verheffen. Bleef het den toondichter in het verre uithoekje van West-Vlaanderen niettemin moeilijk zijn naam in heel het land te doen weergalmen, tweemaal nochtans vermocht hij het de algemeene aandacht op zich te vestigen.

In 1913 verspreidde zich het nieuws, dat vier van zijn compositiën bekroond waren in een wederlandschen prijskamp, uitgeschreven door een groote uitgeversmaatschappij te Genua in Italië. Die werken heeten: Twaalf Voorspelen, voor orgel, Missa Idesbaldi, Perfice, voor gemengd koor met orgelbegeleiding, een Cello-Romance met begeleiding van klavier. Van dat ogenblik af wist iedereen in België wie Van den Abeele was. De overwinning maakte indruk, doch werd niet naar behooren gevierd. Ik meen nochtans dat jaar het portret met een levensverhaal van den overwinnaar in Ons Volk Ontwaakt aangetroffen te hebben. Het volgend jaar bracht den kunstenaar nieuwe lauweren. Door de stad Lyon werd een Poolsche Dans van hem bekroond, en niemand minder dan Widor zetelde er als voorzitter van de jury. Nu was de naam van den componist voor goed gemaakt.

Heel Vlaanderen hield het oog op hem gevestigd en drukte de hoop uit, dat hij spoedig zijn naam mocht hechten aan een grootsch en verheven kunstgewrocht. Toen brak de oorlog los, waarvan de hoofdbedrijven rond Yper zouden afgespeeld worden. Van den Abeele was genoopt te vluchten en liet zich - in een beestenwagen - vervoeren naar Frankrijk, waar hij zich eindelijk vestigde in Rognac, een bergachtige gemeente in de Charente, omgordeld door donkere bosschen. Zijn drie zusters, waaronder een ziekelijk meisje, waren in Yper gebleven, met de hoop nog het één en ander te kunnen redden. Na geruimen tijd in den kelder geleefd te hebben, werden zij eindelijk, - toen de stad een vlammenbaaierd geworden was, - door een auto weggehaald. De schoone muziek-bibliotheek van hun broeder, die duizenden had gekost, werd prijsgegeven.

Nog heden stroomt het hart van den toondichter vol weemoed, als hij over al de partituren van de groote meesters spreekt, evenals over zijn vele voltooide en onvoltooide handschriften, die de prooi der vlammen zijn geworden. Later heeft hij den moed niet meer gevonden, zijn grootsch opgezette cantate, De Onbevlekte Ontvangenis, waarvan het eerste deel zoo goed als àf was, te voltooien. Na langen tijd rondgezworven te hebben, vonden de dappere meisjes hem eindelijk te Rognac, diep in het Zuid-Westen van Frankrijk. Daar hebben zij, gedurende de vier tragische jaren van den wereldoorlog, samen een klein huisje in de bosschen bewoond. Het leven was er snerpend eentonig, doch het werk bleef de troost van den meester.

Hij heeft er veel gecomponeerd, meest op Fransche teksten, onder andere een Hymne voor Jeanne d'Arc, verscheidene motetten en liederen, evenals een reeks Practische Oefeningen voor het notenlezen, enz. Door tusschenkomst van een Fransch toondichter werd hem de leiding van meer dan één belangrijk kunstfeest opgedragen, onder meer, te Angoulême en te Clermont-Ferrand. Zijn aangenaamste herinnering zal echter wel verbonden blijven aan de uitvoering van zijn geslaagde compositie, Wie is als God (Quis ut Deus?) een simpel-vrome, maar geestdriftige volkscantate met eenstemmig koor, geschreven op een bezielden tekst van Guido Gezelle.

Op verscheidene plaatsen in Frankrijk en Engeland werd zij ten gehoore gebracht, en overal dijde de uitvoering tot een kleinen triomf. Na den oorlog was het den meester niet mogelijk zijn vorige bediening te hernemen, want van zijn muziekschool en zijn mooie woning waren, - gelijk eertijds van den tempel te Jeruzalem, - geen twee steenen op elkaar gebleven. Hij moest zich vergenoegen met een plaatsje van organist in het nederige Cortenberg bij Brussel. Daarna werd hij leeraar benoemd aan het Kon. Atheneum te Gent, - "qu'allait-il faire dans cette galère?" - en aan de middelbare school aldaar, die aan overbevolking leed.

Daartegen was zijn wankele gezondheid niet opgewassen. Wat er eigenlijk gebeurd is, weet ik niet, maar de Vlaamschgezinde bladen zouden dat historietje wel eens kunnen onderzoeken. De schitterende bekroning van zijn Requiem, in 1920 te Parijs, heeft geen verandering in zijn toestand gebracht. Even zoo min als, in 1923, zijn verheffing tot den rang van "officier d'académie". Die uitheemsche onderscheidingen kunnen echter als kaakslagen in het aangezicht van zekere Beotiërs in België beschouwd worden, die hun groote mannen miskennen. Welbesteed.

Na mislukt te zijn in een poging om directeur van de Kortrijksche muziekschool benoemd te worden, liet hij zich in beschikbaarheid stellen en vestigde zich te Loenhout in de Kempen, waar hij, op raad van de wetsdokters, zijn taaie keelziekte naar behooren poogt te verzorgen, en verder, een rustig plantenleven heeft. Wij wenschen hem schatten van adem en vertrouwen, om zijn kunstdromen tot levende werkelijkheid te kunnen omtooveren. Van den Abeele is geen baanbreker in de kunst. Verre van daar. Samen met mannen gelijk Gevaert en D'Hulst, Waelput en van Duyse, behoort hij tot de groep der zoogezegde neo-classieken. Zonder te morren nemen die kunstenaars het materiaal van hun voorgangers over, bijna ongewijzigd. Door het bezigen van vrije ritmen, subtiele verbindingen en verrassende kleureffecten pogen zij zich hoegenaamd niet te onderscheiden.

Ook ben ik overtuigd, dat Van den Abeele weinig partituren van Strauss bestudeerd heeft, en dat het credo der zoogezegde "Six" te Parijs hem volkomen onverschillig laat. Men zou zelfs wanen, dat zijn hemel nooit verduisterd is geworden door de onweerswolken van den woesten god, die donderde en bliksemde te Bayreuth, en dat de reine wierookwalmen, welke opgeuren uit de mystieke bloemwaranden van C. Franck, hem niet dikwijls op de knieën hebben doen zinken. Zijn modellen zijn die van de klassieken en de groote Vlamingen. De klassieken zijn zooveel als de zon, zal hij met anderen uit zijn groep oordeelen. Wie zich naast de zon bevindt, kan bezwaarlijk slecht varen. Heden hooren wij echter weer andere redeneeringen.

Moeilijk valt het, een degelijk oordeel over Van den Abeele te vellen, omdat veel van zijn uitgebreide compositiën verdwenen zijn, wellicht voor altijd. Slechts over enkele kan ik hier reppen. Requiem werd voor tenor-solo geschreven, op een gloeiend gedicht van Tinchart, en moet, bij de uitvoering, een geweldigen indruk maken. Het is enigszins gegoten in den vorm van Gounod's Gallia, de alombekende kleine rouwcantate, die heden echter begint te verouderen. Geestdrift, melodie, gedragenheid zijn hier de hoofdverdiensten.

Een stap verder en wij zouden misschien terecht komen op het gebied van het sentimenteele of het bombastische. - Wie is als God? vertaald in het Fransch en het Duitsch, is veeleer een staplied dan een volkscantate. De strophen worden voorgedragen door meisjes en knapen, terwijl het refrein gezongen wordt door een éénstemmig koor. Een compositie zonder pretentie. Willen de kleine steden nu eens een werkje aanpakken, dat hun een geestdriftigen bijval zal borgen, en waarvan de vertolking geen de minste moeilijkheden zal aanbieden, dan durf ik hun wijzen op dit nederig en bezield opus. Het is dankbare muziek.

- Een stuk gelijk Sur l'Album d'une jeune Orpheline weet ik moeilijk thuis te wijzen in de kunst. Laat ons zeggen, dat het herinnert aan het credo van Niedermeyer. Het is een compositie van tien bladzijden muziek, gevoeld, zangerig, ouderwetsch. De tekst werd berijmd door oud-minister Thonissen, hetgeen hoegenaamd geen aanbeveling is. Voor den gewonen dilettant is Van den Abeele de wekker der romance. Toen wij hem vroegen, hoe hij daartoe gekomen was, kregen wij nagenoeg het volgend antwoord. "Het valt niet te loochenen, dat wij de juffrouwen maar moeilijk tot het zingen van Vl. liederen kunnen overhalen. Waarom? De juffrouwen met kunstaanleg en goeden wil klagen er dikwijls over, dat onze toondichters wel schilderachtig en oorspronkelijk zijn, maar zoo weinig gevoel in hun compositiën leggen. Willen zij ons melodieën bieden, die zangerig en bezield zijn, die spreken tot het hart, dadelijk zullen wij ze koopen en instudeeren. Zonder zang en gevoel is er geen muziek mogelijk. Voor ons althans niet." Welnu, zegt Van den Abeele, zoo oordelen de juffrouwen in Vlaanderen en hun zienswijze is de mijne.

Een dergelijke les dient ongetwijfeld in overweging genomen. De Mol en Blaes componeerden naar dat ideaal  en hun bijval was niet gering. Bijna al de liederen van den Yperschen meester doen eenigszins denken aan de Fransche romance, of, beter gezegd, aan de Fransche liederen uit den overgangstijd; ik bedoel modellen als Le Lac van Niedermeyer, Le Soir van Gounod en Vieille Chanson van Bizet. Aan het ergste wat de romance geleverd heeft, de producten van Puget en Borghèse, wil ik natuurlijk niet denken. De critiek zal al streng genoeg staan tegenover een compositie gelijk In 't Diepste van mijn Herte. Effectbejag, sentimentaliteit, zal zij willen uitroepen, en dat zijn inderdaad de groote struikelstenen, die zich in het vak voordoen. Doch ei, laat zoo'n lied, - het is een verheerlijking van de moeder, - eens voordragen gelijk Verniers te Gent, en heel de zaal zal in vervoering geraken! Aan het applaus zal geen einde komen!

Een ander staaltje is Lieve Zuster. Gevoel, stijl, afwisseling, melodische golving maken hier het bilaan uit. Is het lied niet wat de Duitsers noemen 'noch nicht da gewesen', het zal evenwel recht naar het hart gaan. En is dat niet genoeg? vraagt de toondichter zich af. Avondmuziek is even roerend, doch het versje lijkt wat ziekelijk. Intusschen houd ik Hand in Hand en Kermislied, die geen romancen zijn, voor de beste liederen van onzen begaafden melodist: het eerste is een kranig staplied en het andere een kruimig volkslied, één der beste die de bekroonde tekst van Melis heeft uitgelokt. Wij zullen Van den Abeele eenige jaren crediet geven en daarna onderzoeken wat hij zal bereikt hebben. Tot nog toe voldoen de uitslagen maar half.

Kan hij gevoel, bondigheid en voornaamheid vereenigen, dan zullen wij wellicht rijke kronen voor hem mogen vlechten. Voorloopig dient nog opgemerkt, dat reeds elders krachtige pogingen gewaagd werden om de romance weer burgerrecht te doen verkrijgen, - namelijk in Italië en te Montmartre, - doch dat zij overal schipbreuk hebben geleden. Wij staan vóór een vak, dat niet te ontkennen moeilijkheden aanbiedt. Van den Abeele wil ook nog een reeks dansliederen componeeren, overtuigd dat zij gewild zijn in Vlaanderen. Hierin kan hij wel gelijk hebben. Liederen gelijk Karlijntje (Hullebroeck), Mietje (De Hovre), Schoentje-lap (Matthijssens), De Smid (Andelhof), Heideroosje (Schubert), Wandelen (id.), Pavane (Bruneau), Clair de Lune (Fauré) hebben een groot deel van hun bijval te danken aan de dansrythmen, die ze rugsteunen.

Hier zal de toondichter echter weer voorzichtig moeten zijn. Fantazie, soberheid en goede smaak zullen het hooge woord dienen te spreken. Over de staaltjes van den Loenhoutschen zanger kan ik weinig vermelden, daar zij tot heden nog niet door den druk geopenbaard werden. Met het oog op zijn streven roepen wij vol vertrouwen uit: 'Goedheil!' De enkele proeven, die ik te zien kreeg, deden ietwat denken aan den Russischen trant. Zoodat wij den kunstenaar wellicht een kentering in zijn werk te gemoet zien gaan.

Vatten wij onze indrukken samen, dan moeten wij bekennen, dat wij vóór een eigenaardige verschijning in de Vlaamse muziekwereld staan. Van den Abeele behoort tot een kunstenaarsfamilie en werd technisch gevormd door een meester. Het lijden heeft hem gelouterd en in den vreemde is hij met eerbewijzen overladen geworden, een onloochenbaar bewijs dat het oude spreekwoord nog altijd de waarheid zegt: 'Geen sant verheven in zijn land!' Als Vlaming is hij een man van één stuk en de directie van zijn muziekschool te Yper mocht een modelinrichting heeten voor heel Vlaanderen. Moge hij weer spoedig aan het hoofd van zijn geliefde school staan, die eindelijk, - het wordt tijd - uit haar assche wil oprijzen. Met zijn volkscantaten maakte hij een machtigen indruk. Door zijn ijveren voor het gevoelslied bekleedt hij een gansch bijzondere plaats in onze kunstwereld. En wij hopen dat hij, door zijn proeven in dit vak, evenals met zijn prettige dansliederen, die wij reikhalzend tegemoet zien, den weg zal weten te vinden naar het hart van zijn volk, - zegevierend.

Vranken, J.: Hendrik Van den Abeele, in: Muziek-Warande, jrg. 2, nr. 7, 1 juli 1923, p. 145-150.