Van der Stucken, Frank

Fredericksburg, TX (US), 15/10/1858 > Hamburg (DE), 18/08/1929

Artikels

Höflich-uitgave: Pax triumphans, op. 26 van Frank Van der Stucken

Frank Van der Stucken componeerde Pax triumphans (Triomf van de vrede) voor een groots koorfestival in New York en wou hiermee ook het einde van de Spaans-Amerikaanse oorlog gedenken. (Deze oorlog om de Spaanse koloniën op de Filippijnen en Cuba werd in juni-juli 1898 uitgevochten en gewonnen door de Verenigde Staten.)

Van der Stucken gaf het werk als motto een vers van Alfred Lord Tennyson mee: ‘They do not die / nor lose their mortal sympathy / nor change to us, although they change.’ Deze versregels komen uit het monumentale gedicht In memoriam A.H.H., dat Tennyson in 1849 voltooide als herinnering aan de plotse dood in 1833 van zijn vriend Arthur Henry Hallam.

Van der Stucken droeg het werk op aan de nagedachtenis van de Duits-Amerikaanse Emily Balke-Schmidlapp (1858-1900), die op 27 februari 1900 in een treinongeluk met de Missouri Pacific om het leven kwam. Haar man, Jacob Godfrey Schmidlapp, was een bekend filantroop die als bestuurslid actief was in de Cincinnati Music Festival Association, dat het tweejaarlijkse May Music Festival organiseerde en dat Van der Stucken tussen 1906 en 1912, en tussen 1923 en 1927 leidde.

In een inleiding bij de partituur geeft Van der Stucken een uitgebreide verklaring bij zijn werk en de leidmotieven die hij gebruikt. Als synopsis vermeldt hij: ‘Inmitten einer Zeit, wo blutige Kriege das Mitgefühl der ganzen Welt erwecken, versammeln sich Sängerscharen, um das hehrste aller Friedenswerke zu verherrlichen.’ (‘Te midden van bloedige oorlogen die de hele wereld hevig beroeren, verzamelen zich zangersscharen om het meest nobele van alle vredeswerken te verheerlijken.’)

Van der Stucken gebruikt hier een uitgebreid orkest, met naast harpen, orgel en slagwerk, ook vier thebaanse trompetten die oproepen tot het feest van de vrede. (In de partituur vraagt Van der Stucken om de trompetten te laten spelen vanop de hoogste galerij van de concertzaal. Hij kende de Rubenscantate (1877) van zijn leermeester Peter Benoit, waarin tijdens een openlucht-uitvoering de thebaanse trompetten vanop de Antwerpse kathedraaltoren speelden.)

In een indrukwekkende finale overheerst het motief van de ‘apotheose van de vrede’, waarbij zich in een groots crescendo een eenstemmig koor en het orgel voegen (beide ad libitum). Het koor zingt, als een cantus firmus, Nun danket alle Gott, de eerste strofe van het driestrofige kerklied van de theoloog, dichter en musicus Martin Rinckart (1586-1649). Dit toenmaals bijzonder populaire lied werd eerder in de muziekgeschiedenis tientallen keren bewerkt. Bekende voorbeelden zijn Johann Sebastian Bach (in de gelijknamige cantate BWV 192), Felix Mendelssohn-Bartholdy (in zijn tweede symfonie, Lobgesang), Franz Liszt (het orgelkoraal Nun danket alle Gott) en Heinrich von Herzogenberg (Choralphantasie Nun danket alle Gott). Het lied werd ook geaccapareerd door de Duitse soldaten, waardoor het een ‘Gott mit uns’-connotatie kreeg: het werd al door de Pruisische soldaten gezongen tijdens de Zevenjarige Oorlog (1756-1763), het klonk tijdens de Frans-Duitse oorlog in 1870 in Sedan en zou ook bij de mobilisatie in 1914 gezongen worden. Door het gebruik van dit dankgebed, dat ook door soldaten werd gebeden, gaf Van der Stucken zijn werk een universele pacifistische betekenis mee.

Deze Fest-Prolog werd voor het eerst op 2 (?) juli 1900 in Brooklyn (New York) uitgevoerd tijdens het ‘Saengerfest’ dat de Nordöstlicher Sängerbund von Amerika1 ter gelegenheid van zijn vijftigjarig bestaan van 30 juni tot 4 juli 1900 organiseerde. Van der Stuckens werk moest deze jubileumeditie luister bijzetten. De creatie werd gedirigeerd door de Pruisische dirigent en componist Arthur Claassen (1859-1920) die, net als Van der Stucken, in zijn beginjaren werd gesteund door Franz Liszt en in enkele Duitse operahuizen actief was.
De New York Times (3 juli 1900) noemde het een van Van der Stuckens belangrijkste werken: ‘It has a definite programme, and is carefully worked out in accordance therewith. The underlying thought of the composition is a meeting of singers to celebrate the glories of peace in this time of war and turmoil. The work opens with a theme intended to indicate a challenge between combatants. This is followed by melodies representing the lament of the peoples, and the cry for peace. The first part of the composition is made of a contest among these themes. At length the cry for peace is answered by the appearance of a broad, flowing, beautiful melody, which pictures the glory of peace. War again tries to conquer, but the theme of the celebration of peace rises triumphantly and overpowers it. Heralds’ trumpets summon men to a festival of peace, and now the theme of the celebration develops into a broad and strongly marked march movement, leading into the old chorale, “Now Thank We All Our God”. With this the male chorus enters and the composition comes to a grandiose conclusion with the employment of all the forces used in it. It is richly scored for full orchestra, with bells, and four solo trumpets are used for the heralds’ call.
The work is admirably conceived and written in a musicianly style. It is rich in melody, and is dignified and worthy of the occasion for which it was composed.’
Nog volgens de recensent van de New York Times maakte de koorfinale een grote indruk op het enthousiaste publiek.

Pax Triumphans zou nadien nog verschillende keren worden uitgevoerd. Van der Stucken dirigeerde zelf het werk in Cincinnati in 1902, en in 1906 en 1912 tijdens het May Festival; hij gebruikte in de finale dan een massaal kinderkoor in plaats van een mannenkoor. Al in 1902 werd het werk onder de leiding van Constant Lenaerts uitgevoerd in Antwerpen – de stad waar Van der Stucken in zijn jeugd had gewoond en waar hij aan de Muziekschool van Peter Benoit had gestudeerd. In 1906 dirigeerde ook zijn vriend Jan Blockx het werk in Antwerpen. Verder waren er uitvoeringen in Berlijn, Hannover, Wiesbaden, Keulen en Chicago (door het Theodore Thomas Orchestra).2

In het programmaboek van het May Festival van 1912 staat nog volgende duiding bij het werk, die door iemand uit Van der Stuckens nabije omgeving geschreven moet zijn: ‘From the first notes of the “Call of arms” through the development of the succeeding themes, embracing “Lamentation to humanity”, “Brutal force”, “Longing for peace”, to the final apotheosis, concluding with the choral “Now thank we all our God”, the interest never flags. Each subject represents dramatic treatment natural to the thought and situation with all the color aid of the most modern orchestra.
The influence of Wagner is plainly felt in the instrumentation, but is not obtrusive. A certain mold, a definite characterization, the very train of thought marks its individuality. The themes are worked out with clearness and without any confusion in the detail. Particularly effective is the apotheosis with its deeply religious and fervent sentiment leading to the climax when the organ enters with the choral, joined by the “Apotheosis of Peace” motive and fanfares of the herald trumpets. With this hymn the composition comes to a conclusion.’3

Deze reductie werd gemaakt door Theodor Bohlmann (1865-1931), een Duitse pianist-componist die in september 1890 pianodocent werd aan het Conservatorium van Cincinnati, waar Van der Stucken in 1895 de eerste dirigent van het Cincinnati Symphony Orchestra zou worden.

De orkestversie werd in deze reeks Repertoire Explorer. The Flemish Music Collection in 2007 gepubliceerd als volume 525.

Herdruk van een kopie uit de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium van Antwerpen.

1 Deze koorvereniging, ook gekend als de Northeastern Saengerbund of America, is sinds zijn ontstaan in 1850 de koepelorganisatie voor Duitse koren in de Midden-Atlantische regio van de Verenigde Staten. Het doel is het promoten van Duitse koormuziek en cultuur, en het organiseren van ‘Sängerfeste’.
https://sites.google.com/site/nosbvonamerika/ [9.1.2021]
2 Twentieth May Music Festival at Cincinnati. Official programme 1912, p. 92-93.

Dewilde, J.: [Nederlandse inleiding bij Höflich-cataloognummer 2594, 2020].