Van Durme, Jef

Kemzeke-Waas, 07/05/1907 > Brussel, 28/01/1965

Biografie

Van Durme, Jef

door Jan Dewilde

Jef Van Durme stamde af van een componistenfamilie uit het Waasland (Oost-Vlaanderen). Hij was de kleinzoon van Ferdinand Van Durme, Edgar Tinels leraar, en de neef van Fernand, Gerard, Oscar en Prudent Van Durme.

Zijn eerste notenleer- en pianolessen kreeg hij van zijn vader Jef, en tijdens de Eerste Wereldoorlog volgde hij orgellessen bij Firmin Karel Paermentier, de organist van de grote kerk in Sint-Niklaas. Na de oorlog trok het gezin naar Antwerpen, waar Jef jr. humaniora volgde in het St.-Jan-Berchmanscollege. Tegelijkertijd volgde hij  ook lessen aan het Conservatorium. Nadat hij in de klas van Jan Broeckx met grote onderscheiding zijn eerste prijs notenleer had behaald (1923), stopte hij met zijn studies aan het college om zich volledig aan de muziek te kunnen wijden. In die periode schreef hij al kleine werken in de stijl van Haydn en Mozart.

Aan het Conservatorium vervolgde hij zijn muziekstudies bij Frans Lenaerts (piano), Lodewijk De Vocht (harmonie) en Flor Alpaerts (contrapunt en fuga). Het was dankzij deze laatste dat Van Durme's werken voor het eerst in publiek werden uitgevoerd. Tijdens de concertcyclus van de Dierentuinconcerten dirigeerde Alpaerts in 1928 Van Durme's Romance voor viool en orkest, en een jaar later het symfonisch gedicht Hamlet. In datzelfde jaar won Van Durme de Festerprijs voor zijn vioolsonate.

Om zijn muzikale horizon te verbreden, woonde hij vanaf 1931 een tijdlang in Parijs. Daar kwam hij in contact met Arthur Honegger en Darius Milhaud, en een beurs maakte het hem mogelijk om gedurende een aantal weken (tussen december 1931 en februari 1932) lessen te nemen bij Alban Berg in Wenen.

Na zijn terugkeer naar België ging het snel. Hij trad regelmatig op als pianist, waar hij bij voorkeur Chopin op het programma zette. Zowel zijn kamermuziek als zijn grotere werken stonden wijd en zijd in de belangstelling, onder meer dankzij de zogenaamde "Jef Van Durme-avonden", waarop zijn kamermuziek ten gehore werd gebracht. Een daarvan vond plaats op 23 februari 1931 in de concertzaal van het Antwerpse Conservatorium: samen met een violist en een cellist gaf Van Durme er een recital dat volledig uit eigen werk bestond. Zijn Romantische Sonate voor piano (1930) en Indrukken uit Groothertogdom Luxemburg. Suite voor klavier in 5 delen (1930) kregen er hun première.

Het jaar 1935 was bijzonder vruchtbaar voor Van Durme: niet alleen werd zijn ballet Dageraad in de Koninklijke Vlaamse Opera in Antwerpen gecreëerd, maar dirigeerde ook Zdenĕk Chalabala in Praag zijn Poème héroïque en leidde Hermann Scherchen in Brussel de creatie van fragmenten uit de opera Remous. Scherchen ondersteunde Van Durme waar hij maar kon en gaf hem ook directielessen. Samen met Honegger, Albert Roussel en Paul Collaer zat Scherchen ook in de jury die in 1937 Van Durme's Sinfonia da camera beloonde met de Prix Jeunesse. Datzelfde jaar nog dirigeerde Arthur Löwenstein het werk in Antwerpen.

In die periode was Van Durme in dienst van het NIR als musicus-modulator. Dat hij deze functie bleef uitoefenen tot in 1944 zal hij zich waarschijnlijk bitter beklaagd hebben. Na de oorlog vond hij immers nergens werk, behalve hier en daar een tijdelijke functie als leraar. Zo was hij bijvoorbeeld in 1956 Jef Schampaerts' vervanger als harmonieleraar aan het Antwerpse Conservatorium. Enkel dankzij enkele werkbeurzen en de steun van zijn familie kon hij het hoofd boven water houden. 

Als componist trad hij weer voor het voetlicht toen in 1952 zijn Breughelsymfonie (1942) werd bekroond door de Provincie Oost-Vlaanderen. Het was Daniël Sternefeld, zijn studiegenoot in het Conservatorium, die de symfonie creëerde in 1953. 

Van Durme stierf op 57-jarige leeftijd en liet een vrij beperkt oeuvre na, waar kamermuziek en orkestwerken het grootste deel van uitmaken. Hij componeerde ook enkele opera's, waarvoor hij putte uit internationale literatuur zoals Arthur Millers Death of a Salesman. Daarnaast componeerde hij liederen op teksten van René De Clercq of Guido Gezelle, wiens De 14 stonden hij op muziek zette. Dit is typisch voor Van Durme: met één been in de traditie en met het andere in het modernisme. Toch was Van Durme, die veel van Chopin hield, geen iconoclast. Zijn korte leerperiode bij Alban Berg liet geen grote sporen na in zijn werk. Zo is de Ballade nr. 1, die Van Durme in 1938 schreef in herinnering aan Alban Berg, een erg lyrisch orkestwerk. Zijn tweede pianotrio leunt dan ook sterk aan bij de romantische traditie en blijft binnen het tonale gedachtengoed. Het is een solide en intense partituur, waarin de schaarse rustige momenten overtroffen worden door koortsachtige uitbarstingen, dramatische accenten en sarcastische en geagiteerde passages. Deze nervositeit is terug te vinden in verschillende van zijn werken. Bohuslav Martinú adviseerde hem zelfs om in dit opzicht wat spaarzamer te zijn. 

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Jan Dewilde (translation: Jo Sneppe)