Van Gheluwe, Leo

Wannegem-Lede, 15/09/1837 > Gent, 20/07/1914

Biografie

Van Gheluwe, Leo

door Jan Dewilde

Van Gheluwe kreeg zijn eerste muzieklessen als koraal en plaatsvervangend koster. In die functie componeerde hij zijn eerste religieuze werken. Op aanraden van zijn streekgenoot en neef Gevaert trok hij op zijn 19e naar het Koninklijk Conservatorium van Gent waar hij studeerde bij Andries, Miry en Gevaert. Tijdens zijn studies werkte hij als repetitor voor notenleer en piano en als stemmer voor de pianowinkel Gevaert.

In 1863 behaalde hij met zijn cantate Paul et Virginie een eervolle vermelding (accessit) in de Prix de Rome. Toen twee jaar later de kandidaten ook op een Nederlandse tekst mochten componeren (De wind van Emanuel Hiel) moest Van Gheluwe wegens een tyfusaanval opgeven. Nadien voltooide hij wel de partituur. 

Adolphe Samuel, die lid was van de jury van de Romeprijs, schreef Van Gheluwe: "Il faut que je vous dise toute la joie que j'ai ressentie en lisant votre partition de la cantate De Wind. Je voudrais vous avoir ici, près de moi, je voudrais vous serrer les mains et vous remercier pour toutes les émotions douces et profondes que votre oeuvre m'a fait éprouver. Vous êtes poète, Mr. Van Gheluwe, autant que musicien; vous avez le sentiment et l'invention. Je n'en puis douter: vous serez un jour un grand compositeur. Des critiques, n'en attendez pas de moi aujourd'hui; je n'y ai pas le coeur, étant en ce moment encore trop remué.

Twee jaar later kon Van Gheluwe voor de laatste keer concurreren in de Prijs van Rome. Met de cantate Het woud haalde hij een tweede prijs. Tijdens de stemming kreeg hij drie stemmen voor de eerste prijs, maar die ging uiteindelijk naar Hendrik Waelput. Van Gheluwe kreeg de tweede prijs (die sessie werd door de Franstaligen le Sadowa des flamands genoemd). 

Volgens het tijdschrift De Vlaamsche school (1867, p. 131) zou Fétis hebben gezegd: "Wetenschappelijk en onder het oogpunt van smaak en kunstuitdrukking, overtreft de cantate des heeren Waelput al wat men sedert de instelling dezes prijskamps leverde; het is een krachtig en prachtig gewrocht. Doch, om diep gevoel en reine dichterlijkheid af te luisteren, om harmonij tusschen de toestanden, doorn den toondichter wedergegeven, te smaken, om Vlaamsche gemoedelijkheid, gepaard met aanminnigen ernst te vinden, om tot in de ziele geroerd, om op eene edele wijze tot in het hart getroffen te worden, moet men van Gheluwe's cantate hooren, waarvan het slotkoor: "Het woud is het toonbeeld van 't menschelijk lot" eene der schoonste hymnen is, in België geschreven."

Dankzij de steun van Adolf van Soust de Borckenfeldt, inspecteur van Schone Kunsten, kreeg Van Gheluwe toch een studiebeurs om Duitsland en Italië te bezoeken. Duitsland bezocht hij gedeeltelijk samen met Gustave Huberti. In München leerde hij Hans von Bülow kennen die hem tijdens de repetities van Die Meistersinger aan Richard Wagner voorstelde. Vanuit Italië stuurde hij opgemerkte rapporten over het muziekonderwijs in Italië. Tijdens die reizen componeerde hij onder andere zes liederen op teksten van Julius Vuylsteke. 

Bij zijn terugkeer werd Van Gheluwe door de regering belast met het toezicht over de muziekscholen van het land en aangesteld als leraar notenleraar aan het Gentse Conservatorium. In die periode leerde hij ook Peter Benoit kennen. 

Op 26 oktober 1871 benoemde de Brugse gemeenteraad Van Gheluwe als opvolger van Hendrik Waelput als directeur van het Stedelijk Conservatorium van Brugge; een plaats die hij gedurende 29 jaar zou behouden en waarbij hij grote inspanningen deed om het muziekniveau in Brugge te verbeteren. Aanvankelijk mocht hij zijn functie als inspecteur behouden, maar dat werd na een besluit van minister Rollin-Jacquemeyns ongedaan gemaakt. Op vraag van Van Gheluwe werd in 1874 beslist dat de Brugse Muziekschool voortaan de titel van Conservatorium zou dragen. Onder zijn leiding werden in er verschillende nieuwe leraren aangesteld, waaronder de eerste orgelleraar Louis Maes (een leerling van Mailly) die later organist werd in het Industriepaleis van Amsterdam.

In 1875 schreef Van Gheluwe op de korte tijdsspanne van drie weken de muziek voor een lyrisch drama op tekst van Delcroix: Philippina Van Vlaanderen. Daarbij werd hij geholpen door zijn leerlinge Maria Simonis-de Berlaere, nauwelijks 16 jaar oud, die later zijn echtgenote zou worden.

Zijn Prix de Rome-cantate De wind was een van de stukken die werden opgevoerd tijdens het muziekfestival dat Van Gheluwe op 19 en 20 augustus 1878 in Brugge organiseerde. Toondichters als Hendrik Waelput (met zijn Symfonie Nr. 3) en Peter Benoit (Lucifer) kwamen er persoonlijk hun werken dirigeren. Ondanks de moeilijkheden bij de organisatie maakte het festival - dankzij de inzet van Van Gheluwe - toch winst: het geld werd door hem prompt geïnvesteerd in een studieorgel voor het Brugse Conservatorium.

In 1895 stichtte hij in Brugge de Vereniging der Koncerten van het Muziekkonservatorium, waarbij hij vaak werken van eigen bodem op het programma zette. Twee jaar later werd zijn jubileum als directeur van het Conservatorium in Brugge gevierd en werd hem een marmeren borstbeeld van Pickery aangeboden. 

Hij schreef cantates, liederen en ouvertures en een Lieder-solfège Verder was hij actief als recensent voor de krant De Halletoren.

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Jan Dewilde