Van Hoey, Gustaaf

Mechelen, 26/10/1835 > Mechelen, 18/01/1913

Biografie

Van Hoey, Gustaaf

door Annelies Focquaert

Gustaaf Van Hoey kwam uit een kunstzinnige familie (zijn vader was schilder) en kreeg zijn eerste muzieklessen bij Collignon, de oud-kapelmeester van de Mechelse Sint-Romboutskathedraal. Hij studeerde nadien harmonie en compositie aan het Conservatorium van Brussel, waar Peter Benoit zijn medestudent was. Hij nam verschillende keren deel aan de Prix de Rome-wedstrijd:  in 1859 (Juif errant), 1861 (Agar dans le Désert, eervolle vermelding), 1863 (Paul et Virginie), om tenslotte in 1865 de tweede prijs te winnen met de cantate De Wind. Het was de eerste keer dat er een Nederlandstalig libretto toegestaan was; ook Jan Van den Eeden behaalde met zijn gelijknamige cantate de gedeelde tweede prijs. Van Hoey volgde rond 1860 ook een cursus paleografie die door Fétis werd gegeven en transcribeerde heel wat muziekwerken uit de 15e en 16e eeuw naar modern notenschrift (de Koninklijke Bibliotheek bewaart heel wat kopieën van zijn hand van werken van Lassus). Een mooie foto toont hem wellicht bij het koorboek van Margaretha Van Oostenrijk, waaruit hij de eerste mis van Pierre de la Rue kopieerde. Dat zijn muziekcollectie interessant was, toont de veilingcataloog van zijn verzameling (20 en 21 juni 1913), die bewaard wordt in de collectie Stellfeld in de bibliotheek van de University of Michigan in Ann Arbor.

In 1862 werd hij in Mechelen tot kapelmeester in de Sint-Pieterskerk benoemd (> 1898) en in 1868 volgde zijn aanstelling tot directeur van de muziekschool (> 1906). Onder zijn beleid werd het muziekonderwijs toegankelijk gemaakt voor meisjes (1875) en werd het Vlaams de voertaal voor het ruimere publiek. Onder de toenmalige leerlingen vinden we zangeres Berthe Seroen, Jan ‘Josse’ Van Beers en Jef Denijn.

Naast de eerder genoemde cantaten componeerde hij ondermeer nog de cantates Rembert Dodoens (1862), Triomf, Het Werkmanskind, De Vlaamsche Telgen (1867), Het onderwijs (1868), Leopold II (1875), Verhaeghen-Cantate (1883) en Hulde aan van Beneden (1898). Hij maakte ook drie komische opera’s, die werden uitgevoerd in Brussel (Een schildersfeestdag / La Saint-Luc, 1865), Mechelen (De Violier, 15 oktober 1865) en Leuven (Het Eerenkruis, 1868). Hij componeerde ouvertures, missen met orgel of orkestbegeleiding (onder meer ter gelegenheid van het katholieke congres van Mechelen in 1866), motetten, offertoria, liederen op Nederlandse en Franse teksten, mannenkoren en pianowerken. Toen in Mechelen in 1897 voor de eerste maal een internationale beiaardwedstrijd werd georganiseerd, componeerde Van Hoey - die zelf amateur-beiaardier was - het plichtwerk, de Sonate voor beiaard. Verschillende werken gingen verloren tijdens de bombardementen op Mechelen aan het begin van de Eerste Wereldoorlog.

© Studiecentrum voor Vlaamse muziek - Annelies Focquaert