Componisten menu

ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Van Paesschen, Pieter Jan

Zonhoven, 23/09/1809 > 's Hertogenbosch (NL), 06/04/1887

Biografie

Van Paesschen, Pieter Jan

door Karolien Selhorst

Pieter Jan Van Paesschen was een belangrijk figuur voor het muziekleven in de Nederlandse stad 's-Hertogenbosch, waar hij vanaf 1839 tot aan zijn dood werkte als componist, organist, muziekleraar en dirigent. Hij is echter geboren in 'de Poort van de Kempen', het Limburgse dorp Zonhoven, waar zijn vader Arnold schoenmaker was.

Ver verwijderd van Antwerpen en Brussel, door taal en geest van Luik afgesloten, bleef de provincie Limburg lange tijd een vacuüm in het muzikale leven. Zonhoven telde één dorpsschool, met één onderwijzer, maar van geïnstitutionaliseerd muziekonderwijs was nog lang geen sprake. De jonge Pieter Jan, die van kindsbeen veel aanleg voor muziek vertoonde, was daarom aangewezen op privé-lessen: geregeld trok hij te voet naar Peer, later naar Meerhout en Hasselt (7 km. verder) voor o.m. pianolessen, lessen muziektheorie en misschien ook orgel. Hasselt kende een traditie van muziekverenigingen, die instonden voor de organisatie van concerten en van muziekonderricht. In de figuur van Ulysse Claes, de welstellende voorzitter van de 'Société de Musique de la Ville de Hasselt', vond Pieter Jan Van Paesschen dan ook een mecenas voor zijn muziekstudies. 

Over zijn carrière vóór 1839 is weinig bekend. Wellicht bespeelde hij het orgel van de Sint-Quintinuskerk in Zonhoven, van de kapel van Ten Eikenen (een gehucht van zijn geboortedorp), en van de Sint-Quintinuskathedraal in Hasselt. In de jaren 1830 gaf hij in Hasselt privé-lessen piano. Hij componeerde ook, want in een recensie, verschenen in Le Nouvelliste du Limbourg van 8 maart 1835 lezen we: "un jeune professeur de musique en cette ville, M. Van Paesschen, a également droit à des éloges; c'est avec beaucoup de plaisir qu'on a entendu le morceau de sa composition, qu'il a exécuté sur le piano".

In 1839 solliciteerde Van Paesschen voor de vacante betrekking van organist aan de Sint-Janskathedraal in 's-Hertogenbosch (Nederland). Hij bestempelde zichzelf in zijn sollicitatie als 'professeur de piano à Hasselt', en de Hasseltenaar J.W. Swaans prees hem in een aanbevelingsbrief als "een uitmuntend meester op de piano, (...), algemeen geacht voor zijne bekwaamheden, (...) hij is ook compositeur". Geen melding dus van een (vaste) baan als organist. Toch haalde Van Paesschen het in het vergelijkend examen met glans van zijn tegenstrever, J.N. Bartholomeus, die organist was aan de Sint-Servatiuskerk in Maastricht, en hij werd op 12 augustus 1839 benoemd tot organist van kathedraal van 's-Hertogenbosch. Hij zou hier bijna 50 jaar lang in functie blijven en bouwde zich in die periode een solide reputatie op als organist en improvisator. 

Naast zijn verplichtingen als organist gaf Van Paesschen enkele dagen per week gregoriaans en zangles aan koorknapen en in 1847 richtte hij het kathedraalkoor op. Intussen was hij ook benoemd tot directeur van de Koninklijke Muziekschool (vanaf 1840), waar hij zangles gaf aan het 150-tal leerlingen dat er gratis muziekles mochten volgen: "door Stadsregeering (werd) den 3 July van gemeld jaar de kundige muziekmeester en geniale componist de heer Van Paesschen, organist van de cathedraal van Sint-Jan, daartoe benoemd, die zijn betrekking met ijver aanvaardde, en reeds dat jaar zeer vele goede kweekelingen vormde", aldus R.A. Van Zuylen, in zijn jubileumboek over de Koninklijke Muziekschool (1859). Acht jaar later echter werd de muziekschool gesloten, wegens gebrek aan financiële middelen. In de periode tot 1874 had 's-Hertogenbosch daardoor geen officiële instelling meer voor muziekonderricht. In die periode ontstonden talloze koren en instrumentale verenigingen, waarvan meerdere onder impuls van Pieter Jan Van Paesschen. Daarnaast gaf hij privé-lessen piano, orgel en zang. 

Daarnaast maakte Van Paesschen ook naam als oprichter en dirigent van verschillende succesvolle mannenkoren. Hij nam het initiatief tot de oprichting van de 'Mannen-Zangvereeniging Caecilia' (1847), waarschijnlijk de eerste liedertafel van Noord-Brabant. Het verschijnsel van de liedertafel kwam overgewaaid uit Duitsland, en vond in België en Nederland gretig ingang: gezelligheid was er misschien nóg belangrijker dan (op niveau) musiceren, maar de koren hebben niettemin veel betekend voor de democratisering van de muziekbeoefening. Met dit en andere mannenkoren (zoals 'Oefening en uitspanning') voerde Van Paesschen geregeld eigen composities op. 

Van Paesschen bleef organist aan Sint-Jan tot hij rond Kerstmis 1886 door een beroerte werd getroffen; hij overleed korte tijd later. 

Zijn oeuvre telt een tweehonderdtal composities, bijna alle bewaard in het kathedraalarchief van 's-Hertogenbosch. Het leeuwendeel ervan wordt gevormd door geestelijke gezangen, die hij in de liturgie uitvoerde als organist en dirigent van het kathedraalkoor. Vele van deze werken - o.m. vijf missen, twee Te Deums, tal van lofzangen zoals Ave Maria (20), Tantum Ergo (36) - zijn geschreven in de gangbare romantische stijl van die tijd, in navolging van Mozart, Haydn, Jommelli en Mendelssohn. Volgens R. Bouman laat Van Paesschen zich het best omschrijven als 'een late Haydn met een Beethoveniaanse instrumentatie'. In een latere periode komt de invloed van het Caecilianisme (een beweging die een pleidooi hield voor de herwaardering van de polyfone Palestrina-stijl) naar voren in een strakkere en meer uitgepuurde uitwerking. 

De wereldlijke vocale werken omvatten vaderlandsliederen (zoals De Lentehymnus en Neêrlands Trouw), gezelschapsliederen (o.m. Toast), gelegenheidswerken (De Uitverkorene, Noord en Zuid), werken voor mannenkoor (Saint-Louis en Egypte, L'éducation des Filles), enzovoort. 

Het belang van deze musicus is op de eerste plaats te zoeken in zijn onmiskenbare bijdrage aan de bloei van de mannenzangcultuur in Nederland; als oprichter en dirigent van mannenkoren in 's-Hertogenbosch, en als componist van - soms razend populaire - werken voor mannenkoor. Daarnaast heeft hij er, samen met musici als Henri Cooymans, Léon C. Boumans en Martinus Oigier voor gezorgd dat in 's-Hertogenbosch nieuwe muziek van Liszt en Wagner al vroeg ten gehore werd gebracht. Maar hoewel de meeste van Van Paesschens composities getuigen van grote vakbekwaamheid en muzikaliteit, was hij zeker geen vernieuwer of voortrekker.

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Karolien Selhorst