Componisten menu

ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Verbesselt, August

Willebroek, 22/10/1919 > Bonheiden, 30/07/2012

Biografie

Verbesselt, August

door Annelies Focquaert

August Verbesselt werd geboren in Klein-Willebroek in 1919. Aanvankelijk volgde hij pianoles bij de componist Jozef Schampaert, maar toen hij 11 jaar was, werd hij lid van de plaatselijke harmonie en ging hij fluit spelen. Later volgde hij fluitlessen aan de muziekschool van Willebroek, tot hij naar het atheneum ging in Antwerpen. Ondertussen componeerde Verbesselt zijn eerste werken voor de jeugdharmonie, werken die hij later vernietigde. 

Op zijn achttiende ging hij naar het Conservatorium van Antwerpen, waar hij fluitlessen volgde bij Louis Stoefs, die zijn interesse aanmoedigde voor de eigentijdse muziek. Daarnaast volgde hij ook lessen contrapunt en fuga bij Karel Candael en Renier Van der Velden. Omdat het voor hem ‘niet snel genoeg vooruit ging op het conservatorium’, volgde hij gedurende vier jaar ook een intense privé-cursus harmonie bij pianist en organist Lode Ontrop. In 1942 behaalde hij het hoger diploma voor fluit, waarbij hij de eerste leerling was die zo’n hoger diploma behaalde (nota bene met een eigen compositie). Ook voor zijn eigen examens kamermuziek componeerde hij verschillende werken.

Bij zijn afstuderen in 1942 werd hij eerste fluitist van het orkest van de Vlaamse Opera in Antwerpen, waar hij in dienst bleef tot 1980. Ook het onderwijs hield hem sterk bezig: van 1953 tot 1959 was hij fluitleraar in de muziekacademie van Boom, in 1955 werd hij hulpleraar harmonie aan het Conservatorium van Antwerpen en een jaar later kreeg hij als directeur de leiding van de muziekschool van Niel. In 1964 werd hij in het Antwerpse Conservatorium aangesteld als tijdelijk leraar transpositie. Drie jaar later volgde zijn benoeming als eerste titularis van de nieuwe cursus Muziekanalyse en Vormleer, nog voor er sprake was van een uitgebouwde compositiecursus of een theoretische afdeling. Tot zijn voormalige leerlingen behoren onder meer componisten als Janpieter Biesemans, Alain Craens, Wilfried Westerlinck en Raoul De Smet.

August Verbesselt schreef een zeer gevarieerd oeuvre. Zijn opleiding als fluitist zette hem aan tot het schrijven van verschillende werken voor zijn eigen instrument, waarbij zijn Concerto voor fluit, percussie en orkest (1952) wereldwijd bekend werd, onder meer dankzij de fluitist Jean-Pierre Rampal. Maar ook de andere leden van de blazersfamilie komen ruimschoots voor in zijn werklijst. Zo schreef hij concerti voor hobo en klarinet en een concerto voor klarinetkwartet en kamerorkest. Ook een duo klarinetkwartetten (1985) en houtblaaskwintetten (1994) tonen zijn liefde voor kamermuziek voor houtblazers. 

Wat betreft compositiestijl kan Verbesselts oeuvre in twee afgebakende periodes verdeeld worden. In een eerste periode (1940-1967) schreef hij vooral in een atonale maar vrije stijl, die toch gehecht bleef aan de klassieke structuren zoals de sonate- of liedvorm. Daarbijviel zijn extreem dynamische ritmiek op. De bekendste werken uit deze periode zijn het eerder genoemde Concerto voor fluit, zijn Ballade (1956) en zijn Concerto voor Orkest (1959).

In een tweede periode (1967-1995) gebruikte hij dodecafonische reeksen als basismateriaal voor zijn composities. Het was na een studieverblijf bij de Nederlandse stichting Gaudeamus, samen met collega's als Jacqueline Fontyn, Karel Goeyvaerts, Peter Welffens en Renier Van der Velden, dat August Verbesselt in de ban raakte van de dodecafonie. De dodecafonie zou zijn alles omvattende denkkader worden voor zijn verdere componistenloopbaan.

Verbesselt componeerde steeds met het publiek in het achterhoofd en schreef dus dodecafonische werken gebaseerd op quasi‘tonaal’ klinkende reeksen. Zo zocht hij in zijn twaalftoonsreeksen niet de contrasten op, maar wel de harmonische en melodische herkenbaarheid. Zoals hij het zelf zei: “Ik heb gewoon het dodecafonische systeem gebruikt zoals anderen het tonale systeem hebben aangewend, met de bedoeling muziek te schrijven waarvan zoveel mogelijk mensen de zin kunnen verstaan.” In zijn eerste dodecafonische werk, Triptiek voor orkest uit 1967, slaagde Verbesselt erin een mysterieuze sfeer te scheppen door verschillende, vaak onverwachte klankkleuren met elkaar te combineren en klankgroepen tegen elkaar uit te spelen. In 1975 volgde het orkestwerk Universum, een opdracht van de B.R.T. Hierin vermengde Verbesselt zijn hedendaagse dodecafonische schrijfwijze met de vorm van het symfonisch gedicht.

Ares en Irene uit 1987 illustreert opnieuw Verbesselts gave voor sfeerschepping. In deze compositie gebruikt hij een koor, dat vocaliseert op losse klinkers en klanken. Bovendien wordt er in dit werk een vierstemmig Bachkoraal ingelast. Een dergelijke ingreep was niet nieuw: in 1972 gebruikte Verbesselt reeds oude (barok)muziek als inspiratiebron in Manipulaties rond een thema van Heinrich Schütz voor vier hoorns, vier trompetten, vier trombones, bastuba en slagwerk.

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Annelies Focquaert