Componisten menu

ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Verrees, Emiel Constant

Turnhout, 28/07/1892 > Turnhout, 08/03/1968

Biografie

Verrees, Emiel

door Lien Alaerts

Bij de familie Verrees viel de appel niet ver van de boom. Na zijn drie broers volgde ook Emiel Constant Verrees het voorbeeld van zijn vader - componist Emiel Verrees - en ging hij een muzikale opleiding volgen. Emiel Constant startte zijn lessen aan de muziekschool van Turnhout onder leiding van zijn vader, die er directeur was. Vanaf zijn zestiende ging hij aan het Koninklijk Conservatorium van Antwerpen studeren en volgde hij les bij Edward Verheyden (harmonie), August De Boeck (harmonie) en Arthur de Hovre (orgel). In 1913 behaalde hij zijn diploma harmonie met grootste onderscheiding, het jaar nadien zijn einddiploma orgel en de Joseph Callaertsprijs (toegekend aan de orgelstudent die het beste eindexamen aflegde).

De Eerste Wereldoorlog gooide echter roet in het eten: Verrees was genoodzaakt om zijn studies plotseling stop te zetten en besloot dienst te nemen als oorlogsvrijwilliger. Tussen 1916 en 1918 kon hij aan het Conservatorium van Parijs, in combinatie met zijn legerdienst, zijn kennis van contrapunt verder uitdiepen bij André Gédalge. Na zijn legerdienst keerde hij in 1919 terug naar het Conservatorium van Antwerpen om zijn onderbroken studies voort te zetten. Een jaar later volgde zijn einddiploma contrapunt met grootste onderscheiding, een gouden Staatsmedaille en de prijs ‘Albert De Vleeshouwer’. In de klas van Lodewijk Mortelmans volgde hij verder nog fuga, vormleer, analyse en instrumentatie en in 1922 behaalde hij zijn einddiploma, weerom met grootste onderscheiding en een gouden Staatsmedaille. Hij behaalde in 1925 zelfs een tweede keer de prijs ‘Albert De Vleeshouwer’, met een Aria voor hobo en piano.

Daarnaast was hij een verdienstelijk beiaardier: op zijn achttiende won hij de Internationale Beiaardwedstrijd te Mechelen en een jaar later werd hij tweede op de Internationale Beiaardwedstrijd van Brugge.

Na zijn studies trad Verrees opnieuw in de voetsporen van zijn vader: hij werd in 1922 directeur van de muziekschool van Turnhout die onder zijn beheer bevorderd werd tot muziekacademie in 1928. Vanaf toen zette hij zich sterk in voor de ontwikkeling van het Turnhoutse muziekleven, onder andere met de uitvoering van de Rubenscantate van Peter Benoit in 1924 en zijn eigen driestemmige Missa in honorem B.M.V. omnium gratianum Mediatricis. Vanaf 1928 nam hij op vraag van zijn oud-leraar Lodewijk Mortelmans de functie van harmonieleraar aan het Koninklijk Conservatorium van Antwerpen op zich. Verrees bleef tot aan zijn pensioen in 1957 verbonden aan het Antwerpse Conservatorium. Als leraar publiceerde hij ook Grondbeginselen der toonkunst. Theoretische en Praktische handleiding ten dienst van Maatschappijen, Muziekscholen, Onderwijsgestichten, Pensionnaten, enz.

Verrees componeerde verschillende werken voor solo-instrument met orkest, zoals zijn eerder vermelde Aria voor hobo en orkest, Concertstuk voor bazuin en orkest en Kempische ballade voor piano en orkest. Daarnaast bestaat een aanzienlijk deel van zijn oeuvre uit vocale muziek. Enkele liederen en koorwerken (overwegend voor tweestemmig koor voor sopraan- en altstemmen) zijn op gedichten van Guido Gezelle: Moederken, De Merelaan en ‘k En hoor u nog niet o nachtegaele. Zijn Winter-Cantate componeerde hij op de tekst van Willem Gijssels.

Tot slot schreef hij ook verscheidene werken voor piano (Fantasia, Morgenrood en Sonatines), orgel (Improvisata) en beiaard (Pizzicati, musical divertissement for 23 Bells, 1924). Zijn werken voor piano tonen aan dat Verrees een groot lyricus was. Zijn klavierstijl wordt gekenmerkt door een verfijnde harmonie en een transparante stemvoering. Dat hij als toondichter tot de pastorale kunstenaars behoort, komt sterk tot uiting in zijn Landelijke schetsen. Zijn melodielijnen schetsen het Kempische landschap en het gehele werk toont het kunnen van Verrees op vlak van contrapunt.

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Lien Alaerts