Welffens, Peter

Antwerpen, 07/05/1924 > Deurne, 11/02/2003

Biografie

Welffens, Peter

Lien Alaerts

Peter Welffens werd geboren op 7 mei 1924 in het Sint-Andrieskwartier te Antwerpen, beter gekend als “De parochie van de miserie”. Als zoon van een beroepsmusicus kwam hij al vroeg in contact met muziek. Zijn vader, Louis Welffens (1885-1985), leerde hem de basis notenleer en oefende thuis viool waarbij Peter Welffens hem begeleidde op piano. Op die manier leerde hij spelenderwijs harmonieën kennen. Tussen 1932 en 1939 liep hij school aan het Sint-Jan Berchmanscollege te Antwerpen, vanaf 1935 gecombineerd met lessen aan het Conservatorium van Antwerpen waar hij notenleer, piano en klarinet volgde. Daar de combinatie College en Conservatorium nefast waren voor zijn studies, maakte hij in 1939 de overstap naar het Conservatorium. Dit betekende de aanvang van het “Grote Avontuur” – zoals hij dit zelf noemde. Hij behaalde het diploma harmonie (Jef Van Hoof), piano (Marinus De Jong) en contrapunt (Karel Candael).

Van zijn vader kreeg hij zijn eerste orkestpartituur, de 9e Symfonie van Beethoven en samen zongen ze in het Kathedraalkoor te Antwerpen onder leiding van Lodewijk De Vocht. De eerste keer dat Peter Welffens meezong in de Mattheuspassie van Bach betekende voor hem het startschot van zijn muzikale droom. “Mijn dromen uit die tijd waren reeds “groot-symfonisch” en dat zijn zij trouwens altijd gebleven. Ik was van het typische Vlaamse “kunstlied” in een paar jaar naar het groot symfonisch orkest gedreven. Dat paste nu eenmaal in mijn “Sturm und Drang” periode van destijds.”
Zijn eerste poging, een Lauda Sion, ging echter zijn petje te boven. De emotionele schok van het begin van de oorlog in 1940 mondde dan uit in het Symfonisch Gedicht 1940 (1941). Dit werk werd met hem als dirigent op 12 april 1942 gecreëerd door Symphonie Grisar – een orkest waar hij klarinettist en zijn vader violist was.

In 1943 verkreeg hij een positie als repetent bij de Koninklijke Vlaamse Opera van Gent dankzij Walter Weyler, zijn leraar muziekgeschiedenis. Dit vrijwaarde hem van een verplichte tewerkstelling in Duitsland. In 1944 keerde hij terug naar Antwerpen om daar te werken voor de opera, maar de oorlog besliste daar anders over. Vanaf oktober 1945 startte dan zijn loopbaan bij het Koninklijk Jeugdtheater. Gedurende 44 jaar zou Peter Welffens muziek schrijven bij verschillende toneelstukken. Tussendoor trad hij op als gastcomponist en -dirigent bij de Koninklijke Nederlandse Schouwburg, de Vlaamse Opera en de dansgezelschappen van Lea Daan en de Gezusters Brabants.

Tijdens de jaren 1950 kende Peter Welffens een eerste innerlijke conflict door een affaire met een jongere actrice. Zijn gevoelens voor haar beschreef hij in zijn Symfonie in e (1952). De situatie bleek echter onhoudbaar en in 1959 beëindigde hij de affaire waarna hij zijn Tweede Symfonie (1959) schreef. Zoals hij zelf zegt: “Een wanhoopskreet doorspekt met cynisme en sarcasme.”

Begin jaren 1960 herpakte hij zich als muzikaal adviseur en huiscomponist voor Studio Herman Teirlinck. Ondertussen kreeg hij het gevoel dat zijn talent bij het Jeugdtheater niet meer gebruikt werd, en hij voelde de drang naar iets groters. Dit kwam tot uiting in zijn eerste opera Stroppe la corde (1964). Eind jaren 1960 ging het weer bergaf. Paniekaanvallen, angst om op podium te musiceren en een nieuwe affaire deden hem naar alcohol grijpen. De periode tussen 1970 en 1975 noemde hij dan ook “het zwarte gat”. Na een ontwenningskuur en een tweede identiteitscrisis voelde hij zich weer als herboren met een creatieve explosie en een gevoel van evenwicht als gevolg. Zijn Sturm und Drang periode was voorbij. Zijn werk in het Jeugdtheater verdween naar de achtergrond om plaats te maken voor opdrachten buiten de theaterwereld (o.a. Hoe de slakken een huisje kregen (1976) en Rubens-Diptiek (1976)). Mede omdat hij geen voldoening meer vond – hij voelde zich als scheppend kunstenaar overbodig – en omdat hij te maken kreeg met een generatieconflict. Men ging naar toneel kijken voor de regisseur, niet meer voor de acteur. Ook werd de ziel van het kind ontdekt waardoor de idyllische sprookjeswereld in theater verdween en plaats maakte voor experimentele en morele stukken. “Begrippen als ‘romantiek’ – ‘theater-fictie’ zijn blijkbaar taboe. Het ‘schone om het schone’ – ‘le plaisir d’un son pur’ zijn van geen tel meer.” In 1980 componeerde hij zijn laatste werk voor het Jeugdtheater: Polleke, den Belg voor de opening van de nieuwe Stadsschouwburg van Antwerpen.

Vanaf 1979 vroeg men hem geregeld te zetelen in jury’s van muziekwedstrijden en examens aan het Koninklijk Conservatorium van Antwerpen. In 1981 – hij was al op pensioen bij het Jeugdtheater – vond hij een nieuwe (late) roeping: docent Praktische harmonie in het kader van de Pedagogische afdeling aan het Conservatorium van Antwerpen. Ook de compositieopdrachten bleven komen. Zo schreef hij onder andere nog de dansstukken Wandelen met Eva (1988) en Nuts-Cracker (1989), Musica reservata (1991) voor mandolineorkest en Strijkkwartet nr. 2 (1992). Zijn eerste Strijkkwartet in C dateerde uit 1943, een werk dat Peter Welffens omschreef als een jeugdzonde.

Het laatste werk dat hij componeerde, Ic segh adieu voor orgel, droeg hij op aan Raf Goormans en dateert van 24 april 1997. De jaren voordien werkte hij aan een kroniek over het muzikantenleven in Antwerpen met anekdotes uit zijn leven en dat van zijn vader. Ondanks vele pogingen bleef het tot nu toe onuitgegeven. Na 1997 bleef het windstil rond zijn naam. Hij stierf op 11 februari 2003.