ShareShare | print|
E-mail deze pagina

Nieuwsbrief 61 (oktober 2007)

1. Servais Symposium : een rondreizende cellovirtuoos en zijn omgeving
door Annelies Focquaert

Dat François Servais geboren werd als de zoon van een schoenlapper uit Halle, heeft hem gelukkig niet in de weg gestaan om een schitterende muzikale carrière te maken. Het is immers niet aan iedereen gegeven om op te treden met Franz Liszt, Henri Vieuxtemps en Clara Schumann, om als vriend op bezoek te gaan bij Schumann en Meyerbeer, om op de affiche te staan bij het eerste concert van de Wiener Philharmoniker in 1842, én om door Rossini geroemd te worden als de Paganini van de cello. Servais was niet alleen een cellovirtuoos, hij verschoof de grenzen van de speeltechnieken voor zijn instrument ook zo ver, dat hij als één van de grondleggers van het moderne cellospel kan beschouwd worden.

Het is aan de vzw Servais uit Halle te danken dat er in dit jubileumjaar (Servais werd 200 jaar geleden geboren) heel wat werd aan gedaan om er ook een echt feest van te maken. Na een indrukwekkende reeks concerten waarop werk van Servais te horen was, wijdt deze vzw (in samenwerking met het SVM en andere partners) nu op 8 november een volledige studiedag aan Servais’ leven, werk en betekenis. In de stemmige gebouwen van het Brusselse Paleis der Academieën zal – middels een symposium en aansluitend concert - de hele 19e-eeuwse sfeer van bravoure, panache en virtuositeit waarvan Servais bij uitstek het goede voorbeeld was, weer helemaal tot leven gewekt worden. Of hoe de zoon van een schoenmaker een reus met zevenmijlslaarzen werd.

2. Historische tekst : Necrologie Adrien François Servais

Naar aanleiding van het Servaiscolloquium dat op 8 november in de Koninklijke Academie voor Kunsten wordt georganiseerd, heeft de historische tekst deze keer Servais als onderwerp.

Necrologie: Adrien François Servais

De doods-tijding van den beroemdsten en grootsten violoncel-virtuoos onzes tijds, reeds in het vorige nummer van dit tijdschrift medegedeeld, heeft de muziekale wereld zeer onverwacht en daarom des te smartelijker getroffen. In het buitenland was het niet bekend, dat Servais sedert lang aan eene ziekte leed, die, reeds tijdens zij zich openbaarde, weinig hoop op herstel overliet. Begiftigd met een sterk gestel, scheen hij bestemd om een hoogen ouderdom te bereiken; eene nooglottige reis door Rusland, in den winter des vorigen jaars door hem ondernomen, was de oorzaak van de slooping en vernietiging dier krachtige organisatie. Op een togt van Petersburg naar Moscou werd Servais door eene dier verkoudheden aangetast, welke in Rusland dikwijls tot een bijna plotselingen dood leiden; de kunstenaar bezweek echter niet zoo spoedig, maar kwam, in de laatste dagen van April j.l., als eene schaduw van hetgeen hij geweest was, in zijne, op omtrent drie uren afstand van Brussel gelegene, geboorte- en woonplaats Hal terug. Met den dag nam van toen af zijne vermagering toe en verminderden zijne krachten, die zich tegen den tijd van het jongste concours van het brusselsche conservatoire, waar hij, gelijk bekend is, onderwijzer was, oogenschijnlijk herstelden; zijne ongesteldheid verhief zich echter gedurende de vacantie, en toen hij daarna zijne werkzaamheid wilde hervatten, bleken zijne krachten uitgeput; hij moest sedert het bed houden en overleed op 26 November, ten negen ure des morgens, op het schoone landhuis, dat hij in zijne vaderstad had laten bouwen.

Adrien François Servais werd te Hal op 6 Junij 1807 geboren. [Uit een onderzoek bij den burgerlijken stand te Hal is gebleken, dat de geboortedag is geweest 6, en niet, zooals Fétis opgeeft, 7 Junij.] Zijn vader, een arm schoenmaker, had genoeg muziek geleerd, om zijne viool-partij in de parochie-kerk te kunnen spelen en er in het koor te kunnen zingen; op zon- en feestdagen speelde hij ook in de herbergen viool, bij den dans van de bewoners der kleine stad. Gedurende een groot aantal jaren vervulde hij de drievoudige betrekking van schoenmaker, violist en zanger, waarmede hij toch waarschijnlijk niet zeer ingenomen was; want toen de jeugdige François zijn vader in alles wilde opvolgen, stond deze hem slechts toe…. kleermaker te worden. De tien-jarige knaap onderwierp zich aanvankelijk aan zijns vaders wil, maar gevoelde eene bijzondere neiging voor de muziek en wierp al spoedig naald en schaar weg om de viool te bestuderen. De vader gaf toen aan de begeerte zijns zoons toe en werd zelf zijn eerste leermeester op dat instrument. Toen, bij snelle vorderingen des leerlings, dit onderwijs alras onvoldoende bleek, trok de markies de Sayve, een uitstekend dilettant, die op een nabijgelegen landgoed woonde, zich zijner aan, gaf hem zelf lessen en liet hem vervolgens door C. van der Plancken, eerste violist aan den schouwburg te Brussel, onderwijzen. Op twaalf-jarigen leeftijd speelde Servais reeds, met zijn vader, in de herberg en in de kerk, en vervolgens, alleen, in muziekale kringen. Elk inwoner van Hal herinnert zich het zonderlinge avontuur, dat de jonge musicus had ter gelegenheid van een bal op een der dorpen, waarbij hij, als speelman verkleed, tegenwoordig was. Servais begeleidde op eene contrabas een viool-krasser en bragt daarbij zulke kluchtige geluiden voort, dat een boer, in een aanval van woede, het instrument met een stok aan stukken sloeg. Eenigen tijd later wilde Servais zich op de klarinet toeleggen, waarvoor echter te Hal geen geschikt onderwijzer te vinden was. Inmiddels leerde hij aldaar een kunstvriend, met name J. van der Cammen, kennen, die hem tot een warm beschermer en op de baan der kunst tot een goeden gids werd. Servais gevoelde zijne ware roeping eerst, toen hij eens den violoncellist Platel eene solo had hooren voordragen en wijdde zich van toen af aan de ijverige beoefening der violoncel. [Nicol. Jos. Platel stierf in 1835 te Brussel; hij was onderwijzer der violoncel-klasse aan het conservatorium. Behalve Servais, behoorden ook Batta en Demunck onder zijne leerlingen.] Aan het bezoeken van het conservatoire, waarop hij geplaatst werd, waren voor Servais groote zwarigheden verbonden; spoorwegen bestonden er niet en, daar hij geene middelen bezat om de reis per rijtuig te bekostigen, zag hij zich genoodzaakt, driemaal ’s weeks den weg van Hal naar Brussel en terug te voet, met zijn instrument op den rug, af te leggen. Hij bestreed echter alle zwarigheden met moed en volharding en onder Platel’s leiding ontwikkelde zich zijn aanleg zoo spoedig, dat hij reeds in het eerste jaar al zijne medeleerlingen overtrof en den eersten prijs behaalde. Hij werd spoedig daarna tweede onderwijzer in Platel’s klasse en nam ook naast dezen plaats in het orchest van den grooten schouwburg, waar hij drie jaren bleef, terwijl hij zijn spel steeds volmaakte, zonder dat het hem echter gelukte de openbare aandacht te trekken. Te Brussel was trouwens het muziekale leven destijds gering en Servais begaf zich dus in 1833, op raad en met aanbevelingen van Fétis, naar Parijs, debuteerde er op een concert van Cramer, waar ook Baillot, Tulou en andere celebriteiten optraden, speelde er voorts met groot succes op verschillende andere concerten en werd, ofschoon hij zich de zoo buitengewone technische virtuositeit nog niet had eigen gemaakt, waardoor hij zich later onderscheidde, door de critiek toen reeds in de rij der eerste violoncellisten geplaatst.

In 1834 ging Servais naar Londen, speelde er in de philharmonische concerten, keerde vervolgens naar België terug en wijdde er zich gedurende twee jaren aan de meest volhardende studie, waardoor hij in het mechanismus van het spel geheel nieuwe wegen ontdekte. In dit tijdperk ontwikkelde zich in zijn talent dat schitterende, die stoutheid, dat meesterschap in de uitvoering der moeijelijkste passages, waarin hij door niemand geevenaard werd. Zijne eerste, van dien tijd dagteekenende compositiën onderscheidden zich door de nieuwe moeijelijkheden, waarvan Servais zich de onverwinning ten taak stelde, die hij dan ook gelukkig volbragt. In het begin van 1836 ging hij weder naar Parijs, speelde er op verschillende concerten en maakte in 1837 eene kunstreis door Nederland, die zijn roem tot eene vroeger door hem nog niet bereikte hoogte deed stijgen, waarna de duitsche critiek zijn naam ook in het Noorden bekend maakte. In zijn vaderland teruggekomen, wijdde de kunstenaar zich aan vernieuwde studie en begaf zich voorts in 1839, voorzien van aanbevelingsbrieven aan het russische hof, die de prinses van Oranje, later koningin der Nederlanden, hem verschaft had, over Lubeck en Riga voor het eerst naar Rusland, waar hij eene ongeloofelijke geestdrift wekte. In April 1840 kwam hij, met lauweren en geschenken overladen, in België terug en liet zich te Brussel, Antwerpen, Spa, enz., hooren. In Februari 1841 ging hij ten tweedenmale naar Rusland, speelde te Petersburg en Moscou en bezocht op de terugreis Warschau, Praag en Weenen. Overal wekte hij door zijne verbazende verrigtingen de grootste geestdrift, en van toen af bekleedde hij onbetwistbaar den rang van eersten violoncel-speler in Europa. Na een tweede bezoek aan Nederland, in 1843, deed hij in het volgende jaar zijne eerste groote kunstreis door Duitschland en vond overal, bijzonder te Berlijn, Hamburg en Leipzig, schitterenden bijval. Daarna begaf hij zich ten derden male naar Rusland en strekte zijne reis tot de meest verwijderde aziatische provinciën uit. Een zijner schoonste triomfen behaalde hij in den winter van 1847 te Parijs. Daarna bezocht hij Denemarken, Zweden, Noorwegen en vervolgens de rijn- en groote fransche steden. In 1848 werd hij tot onderwijzer (professor) aan het conservatorium te Brussel benoemd, in welke betrekking hij gedurende achttien jaren werkzaam was en een aantal uitmuntende leerlingen vormde, die de traditie zijner school in en buiten zijn land kunnen overplanten.

Eene uiteenzetting van de hoedanigheden, die hem als virtuoos op zijn instrument kenmerkten en onovertroffen deden zijn, is overbodig te achten; genoeg zij het te herinneren aan zijn onovertrefbaar schoonen toon, de magtigste, aangenaamste, dien men zich denken kan; aan zijne breede streek, zijne onvergelijkelijke technische bekwaamheid, aan het wegslepende en electriserende zijner voordragt en aan de netheid en afgerondheid zijner nuanceringen, bijzonder in de cantilenes; zonder overdrijving mag men zeggen, dat hij soms zijn instrument deed vergeten en dat de begoocheling zoover ging, dat men de schoone stem eens grooten zangers meende te hooren. Servais was reeds in 1840 tot solo-speler van den koning der Belgen benoemd; hij werd vervolgens officier van de Leopoldsorde, ridder van de luxemburgsche orde der eikenkroon, van de saksisch ernestische huis-orde en de Danebrog-orde van Denemarken.

Onder zijne talrijke compositiën, die in het algemeen hoofdzakelijk de strekking hadden om zijne wijze van voordragt en virtuositeit te doen uitkomen [met het oog op den minder beteekenenden gedachten-inhoud zijner compositiën, werd bij het eerste optreden van Servais te Weenen als bon mot gebezigd: "er thut den deutschen Cellisten sehr weh."], vindt men voor violoncel: drie concerten, zestien fantasiën met orchest, zes études-caprices met pianoforte; voorts dertig duetten, over opera-motiven, voor pianoforte en violoncel, geschreven met medewerking van Jos. Gregoir; drie voor viool en violoncel van Servais en Léonard en een van Servais en Vieuxtemps; allen gedrukt bij Schott te Mentz.

Servais trad in 1842 te Petersburg in het huwelijk; hij laat eene dochter na en twee zonen, Francois en Joseph. Laatstgenoemde, mede violoncellist, leerling zijns vaders, vergezelde hem in Februarij 1866 op zijne laatste kunstreis naar Rusland en vond er naast hem veel bijval. De overleden virtuoos wordt niet alleen als zoodanig betreurd, maar evenzeer als mensch, wegens zijne bonhomie, zijn eenvoud, zijne opregtheid, weldadigheid en trouwhartigheid. In België, en vooral in de kleine stad waar hij woonde, was hij in de uitgebreidste beteekenis des woords populair. Dat bleek vooral bij zijne begrafenis, op 29 November jl.; toen alle huizen zonder onderscheid in en nabij Hal gesloten en met zwarte vlaggen en andere rouwteekenen versierd waren en de gansche bevolking der stad den lijkstoet volgde, waarbij alle artistieke, letterkundige en andere notabiliteiten uit Brussel en een aantal beroemde kunstenaars uit Parijs, Londen, Keulen enz. zich hadden aangesloten. Op de kist, door vrienden van den overledene gedragen, lagen, op een zwart fluweelen kussen, zijne ridderordes en eene massive gouden kroon, hem tijdens zijne eerste reis in Rusland vereerd; voorts lag ook de omfloerste strijkstok des meesters op de kist en werd zijne mede met krip versierde violoncel door vier zijner leerlingen achter het lijk gedragen. De slippen van het lijkkleed werden gedragen door den burgemeester van de stad Hal, door den generaal-majoor Goethals, door Fétis, Léonard, Kufferath, enz. De parochiekerk van Hal was te klein om de menigte te bevatten. Nadat er eene mis van Orlando di Lasso gezongen en door leerlingen van den afgestorvene eene compositie van Mercadante uitgevoerd was, begaf men zich naar het kerkhof, waar zes toespraken werden gehouden, onder welke die van Fétis de belangrijkste was en de hulde in zich vereenigde aan den uitstekenden kunstenaar en edelen mensch, wien man onder algemeene deelneming de laatste eer bewees.

Bron
uit Caecilia, Algemeen Muziekaal Tijdschrift van Nederland, jaargang 23, nr. 24, p. 243.