Ga verder naar de inhoud

1. Andante sostenuto – Allegro non troppo
2. Andante
3. Scherzo – Allegro vivo
4. Finale – Adagio maestoso

In zijn enorme productie voor orkest liet Arthur Meulemans zich graag inspireren door de natuur. Naast symfonische gedichten als Het Zwin (een natuurpark aan de Belgische kust) en zelfs concerto’s (het eerste hoornconcerto is getiteld Over de heide), dragen vier van zijn vijftien symfonieën titels die expliciet naar de natuur verwijzen: Dennen-symfonie (nr. 3, 1930), Zeesymfonie (nr. 6, 1938-1940), Zwaneven, een symfonie van de heide (nr. 7, 1940) en Herfstsymfonie (nr. 8, 1942). In sommige van die werken verwijst hij heel duidelijk naar de natuur van zijn geboortestreek, namelijk het Hageland, met zijn dennenbosjes langs de oevers van de Demer. Dat is het geval in zijn derde symfonie, bijgenaamd Dennensymfonie die hij op 4 mei 1933 voltooide. Meulemans gaf de verschillende delen van zijn Dennensymfonie een extra-muzikale uitleg mee, die eerder evocerend dan programmaverklarend werkt. Hij roept beelden op van een dennenbos dat bij nacht mysterieus is en wordt bevolkt door vreemde wezens die verdwijnen eens het stralende ochtendlicht de duisternis verdrijft. Dit is duidelijk gebaseerd op oude Vlaamse volksverhalen die bijvoorbeeld ook Peter Benoit (1834-1901) inspireerden tot zijn merkwaardige pianocyclus Contes et ballades. De vier delen van de symfonie kregen van Meulemans volgende bijschriften:

"1. Maannacht – over de beemden en de Demer hangt zomernevel – de vier boompjes fantastisch verlicht – ruiters in de nacht.
2. De dennenbosjes ruisen zacht in de mysterieuze eenzaamheid.
3. Middernacht – dans van kabouters en nimfen.
4. De morgen – over de dennen het stralend licht
."

Voor deze symfonische natuurevocatie gebruikte Meulemans een omvangrijk orkest, met uitgebreid slagwerk, twee harpen, piano en, aan het slot, een orgel (ad libitum). Dat hanteren van de grote middelen kon alleen maar omdat Meulemans als dirigent van het radio-orkest in Brussel over een groot symfonisch apparaat beschikte. In zijn partituur stipuleerde Meulemans dat de vier delen zonder onderbreking, ‘als een geheel’, gespeeld moeten worden. Het manuscript, bewaard in de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium in Antwerpen, vermeldt 19 minuten als tijdsduur.

Vermeldenswaard is dat Meulemans in 1948 naar de dennenbossen van zijn geboortestreek terugkeerde met het Praeludium voor orkest Op de dennenheuvelen. Bij de creatie in 1949 werd geschreven dat de componist met dit stuk "een gemoedstoestand [wil] uitdrukken , die slechts kan beleefd worden in de zeer eigen atmosfeer van onze dennenstreek, op de heuvelen, in de ijle, klare lucht, wanneer de hemel zeer hoog en wijd staat uitgespannen, in de grote eenzaamheid, met alleen het mysterieuze leven van de dennenbossen en de intensiteit van het menselijk hart. Het is iets wat niet met woorden kan uitgedrukt worden, doch enkel door muziek, door symfonie-orkest." Iets wat ook voor de Dennensymfonie geldt.

Herdruk van een exemplaar uit de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium van Antwerpen die ook het manuscript bewaart. Voor het orkestmateriaal, gelieve u te wenden tot het Arthur Meulemansfonds (Desguinlei 25, BE-2018 Antwerpen). Deze partituur werd gepubliceerd in samenwerking met het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek (www.svm.be).

Dewilde, J.: [Nederlandse inleiding bij Höflich-cataloognummer 546, 2009].