Ga verder naar de inhoud

Marinus de Jong werd in het Nederlandse Oosterhout geboren, maar zou het grootste deel van zijn leven in Vlaanderen doorbrengen. Op zijn vijftiende werd hij toegelaten tot het Koninklijk Vlaams Conservatorium van Antwerpen, waar hij drie jaar later al eerste prijzen behaalde voor fuga (bij Lodewijk Mortelmans) en piano (bij Emile Bosquet). Ondertussen speelde hij als altist in verschillende Antwerpse orkesten. Hij werkte zo hard dat hij oververmoeid raakte. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog keerde hij naar het neutrale Nederland terug, waar hij rust zocht in de Benediktijnerabdij van Oosterhout. Daar bekwaamde hij zich als organist en bestudeerde hij het gregoriaans, dat een van zijn belangrijkste inspiratiebronnen zou worden. In 1915 publiceerde hij zijn opus 1, een eenvoudige tweestemmige Missa Ave Maria. Na de Wapenstilstand keerde hij naar Antwerpen terug, waar hij in 1919 aan het Conservatorium de compositiewedstrijd Albert De Vleeshouwer won met het orgelwerk Prelude en tripelfuga, op. 2 (1917). Na de oorlog integreerde hij zich volledig in het Belgische muziekleven. Hij huwde met de Vlaamse pianiste Johanna Corthals en in 1926 werd hij Belgisch staatsburger.

Aanvankelijk manifesteerde hij zich vooral als pianovirtuoos. In het begin van de jaren ’20 maakte hij tournees door Amerika en Duitsland, maar geleidelijk aan wijdde hij zich steeds meer aan het componeren en het lesgeven. In 1926 volgde hij aan het Lemmeninstituut in Mechelen Mortelmans op als leraar contrapunt en fuga, een functie die hij tot 1963 zou vervullen. Aan het Antwerps Conservatorium werd hij in 1932 pianoleraar en in 1948 leraar contrapunt en fuga. Hij schreef twee didactische werken: het zesdelige Theoretische en praktische harmonieleer en het vijfdelige Het contrapunt (dat onuitgegeven bleef).

Maar de Jong was bovenal componist. Hij liet een uitgebreid en gevarieerd oeuvre na dat onder meer gekenmerkt wordt door het gebruik van oude kerktoonaarden en volksliederen, en door een contrapuntisch meesterschap. Zijn technisch meesterschap etaleerde hij graag in werken als de Prelude and quadruple fugue for organ in dodecaphonic style, op. 99 (1954). Met dit werk wou hij demonstreren dat hij in alle stijlen kon componeren, al bleef hij putten uit de traditie en schuwde hij zelf nieuwlichterij.
Opvallend is dat zijn vroegere werken het meest overtuigen. Tussen de dertien concerto’s die hij schreef, kenden het Eerste pianoconcerto, op. 21 (1924) en het Trompetconcerto, op. 49 (1937) het meeste succes. Ook binnen zijn kamermuziekwerken zijn het vroege werken als de Sonate pacis, doloris et amoris, op. 18 (1927) voor viool en piano, en het Eerste strijkkwartet, op. 20 (1923) die het meest geprogrammeerd werden.

Een van zijn grootste successen behaalde de Jong met het zevendelig oratorium Hiawatha’s lied, op. 37 (1947) op tekst van Henry Wadsworth Longfellow, in de vertaling van priester-dichter Guido Gezelle. Ook binnen het genre van het oratorium konden latere werken als Imitatio Christi, op. 104 (1956), en Kerkhofblommen, op. 108 (1957) het eerste succes niet evenaren. Alleen zijn pianowerken lijken aan die tendens te ontsnappen: zijn pianomuziek behoort als geheel tot het beste wat er in Vlaanderen werd geschreven.

In de jaren ’50 en ‘60 richtte de Jong zich meer naar het theater, met eerst een reeks balletten en later opera’s. Zijn eerste opera schreef hij toen hij de zeventig al voorbij was, maar het was een schot in de roos: De lelijke meisjes van Bagdad, op. 135 (1964) kende in de Koninklijke Vlaamse Opera van Antwerpen zo’n succes, dat het werk het seizoen nadien opnieuw geprogrammeerd werd. Maar zijn latere opera Esmoreit, op. 155 (1969) flopte en Mitsanoboe, op. 124 (1968) raakte zelfs nooit uitgevoerd. De Jong componeerde ook heel wat koormuziek, waaronder veel liturgische muziek. En hij bleef tot op hoge leeftijd componeren. Zo schreef hij na zijn zeventigste nog drie symfonieën; de laatste, die eindigt met een Tripelkoraal en fuga, voltooide hij zelfs toen hij al negentig was.

Marinus de Jong heeft een opmerkelijk oeuvre nagelaten, waarin hij op het snijvlak tussen romantiek en modernisme een eigen taal wist te ontwikkelen. Met het ‘Vlaams humoristisch zangspel’ Proverbia Bruegheliana schreef hij in 1959 een originele en toegankelijke partituur. Naar eigen zeggen vatte hij het idee voor het werk op toen hij samen met collega-componist Staf Nees (1901-1965) en pater Louis Goffinet (1919-1982) op cafébezoek in Mechelen getroffen werd door op de muren geschilderde oude spreuken. Dat bracht de Jong bij het bekende schilderij De spreekwoorden van Pieter I Bruegel (ca. 1527-1659) dat hij in een soort Vlaamse Carmina burana tot klinken wou brengen. Bruegels schilderij, dat in de Gemäldegalerie van de Staatliche Museen zu Berlin hangt, beeldt meer dan honderd spreekwoorden uit die de maatschappij en het menselijk gedrag hekelen.

Voor de tekst ging de Jong te rade bij de dichter Bert Peleman (1915-1995) die zich baseerde op de studie De spreekwoorden van Pieter Bruegel den Oude (1937) van Jan Grauls, aan wie het werk ook is opgedragen. In het eerste deel, De verkeerde wereld, raadt de dichter aan om uit Bruegels spreuken levenswijsheid te puren: ‘Al draait de wereld ook verkeerd: bij Bruegel dient de les geleerd.’ Daarna behandelt hij enkele spreuken, zoals ‘Men moet zich krommen, wil men door de wereld kommen’; ‘Met moet geen rozen (paarlen) voor de zwijnen werpen’ of ‘Als het kalf verdronken is, dempt men de put’. Elke spreuk krijgt drie strofes, waarbij eerst de spreuk wordt voorgesteld, daarna toegelicht om er tenslotte een zedenles uit te puren. Een opvallende passage is de spreuk ‘Ga nooit bij de duivel biechten’ waar de Jong een aanstekelijk foxtrot-ritme vermengt met gregoriaans aandoende melismen.

In het tweede deel, Bruegeliaanse kermis, paraderen dan tal van spreuken alsof ze personages zijn. Tot slot grijpt de auteur terug naar het begin: ‘Doorgrond wat elke spreuk beduidt / Pluk wijselijk het levenskruid / Al draait de wereld ook verkeerd: bij Bruegel dient de les geleerd.’

Zoals in wel meer van zijn werken maakt de Jong hier gretig gebruik van de kerkmodi. En zeker in het tweede deel zijn sommige melodische wendingen sterk door Vlaamse volksliederen gekleurd. De verschillende kleurrijke taferelen verbindt hij via een schalks Bruegelmotief:

De succesvolle wereldcreatie vond op 21 juli – de Belgische nationale feestdag – 1960 plaats in het Casino-Kursaal in Luzern (CH) in het kader van de Belgisch-Zwitserse culturele betrekkingen. Solisten waren de sopraan Claude Noëlle, de tenor Reinier Schweppe en de bariton Max van Egmond. Het Antwerpse oratoriumkoor Arti Vocali en het plaatselijk orkest werden gedirigeerd door Hendrik Rycken (1928-2003). Later dat jaar dirigeerde Rycken het werk ook in Antwerpen, met dezelfde solisten en koor, en het Antwerpse orkest De Philharmonie.

Duurtijd: 40’

Facsimile van een exemplaar uit de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium van Antwerpen (KVC 178799 - 23301).

Dewilde, J.: [Nederlandse inleiding bij Höflich-cataloognummer 2652, 2025].