Ga verder naar de inhoud

Nini Bulterys kreeg haar eerste muzieklessen van Jozef D’Hooghe (1891-1944), koster-organist van de dekenale kerk in haar geboorteplaats Temse. Ze studeerde handel en behaalde in 1947 een diploma voor handelsboekhouden met de grootste onderscheiding. Bij de pianovirtuoze Yvonne Van den Berghe volgde ze privé pianolessen, waarna ze in 1952 aan het Belgisch Muziekcollege in Antwerpen met onderscheiding het diploma ‘piano vervolmakingsgraad’ verkreeg. Pas daarna zette ze de stap naar het officiële hoger muziekonderwijs en ging ze studeren aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium van Antwerpen, waar ze eerste prijzen notenleer bij Marcel Slootmaeckers (1954) en harmonie bij Rosa Granjé (1955) behaalde.

Op aanraden van componist Vic Legley trok ze daarna naar het Conservatoire royal de Bruxelles waar ze in 1957 een eerste prijs contrapunt behaalde bij pianist-componist Jean Louel en twee jaar later een eerste prijs fuga bij componist Jean Absil. Toen Louel in 1959 als leraar compositie aan de Muziekkapel Koningin Elisabeth in Argentueil werd benoemd, volgde ze hem. In die jaren componeerde ze onder meer de cantate De terugkeer van de krijgsgevangene (1959), op tekst van Marcel Coole; een Sonate voor twee violen en piano (1960); een Pianoconcerto (1961), (opgedragen aan Yvonne Van den Berghe die het werk op 8 juni 1962 met het Symfonieorkest van de BRT o.l.v. Daniel Sternefeld creëerde) en een Strijkkwartet (1962). In 1962 behaalde ze aan de Muziekkapel met de cantate Triomf van het bloed, op tekst van Karel Jonckheere, het graduaat compositie met 86%. Haar leraar Louel steunde haar met uitvoeringen van haar werk, als kamermuzikant en dirigent. Zo dirigeerde hij het Radio-orkest in de creatie van haar Mouvement symphonique (1960).

Bulterys bevestigde haar reputatie als beloftevolle componist met een ‘eerste tweede prijs’ in de prestigieuze Prijs van Rome met de cantate Arion, op tekst van Bert Decorte. En in 1965 werd ze met haar Symfonie tweede laureaat van de Internationale Muziekwedstrijd Koningin Elisabeth. Verschillende van haar vroege werken werden opgenomen door de BRT of verschenen op plaat, zoals haar Symfonie die werd opgenomen door het Nationaal Orkest van België o.l.v. Daniel Sternefeld (Hedendaagse Belgische muziek – Cultura/Alpha Brussel, 5071-1).

Het componeren van grote werken viel wel terug toen ze meer les begon te geven, eerst in dag- en muziekscholen (in Temse, Hamme, Vilvoorde en Mechelen) en later in het hoger muziekonderwijs. Een tijdlang was ze lerares harmonie, contrapunt en fuga aan het Lemmensinstituut in Mechelen, maar het was vooral aan het Antwerps Conservatorium waar ze verschillende generaties muziekstudenten zou begeleiden, als docent notenleer, harmonie, contrapunt en fuga. Alhoewel ze de reputatie had dat ze alleen ‘streng contrapunt’ doceerde, blikten verschillende studenten dankbaar terug op hun studietijd bij haar. Zo noemt componist Lucien Posman zijn studietijd bij haar belangrijk in zijn ontwikkeling als componist. In de jaren 1970-1980 componeerde Bulterys alleen nog enkele kamermuziekwerken, stukjes voor harmonium en kleine religieuze koorwerken. In 1987 ging ze vervroegd met pensioen en twee jaar later overleed ze kort na haar zestigste verjaardag.

Dit Pianotrio componeerde Nini Bulterys in 1961 en ze droeg het op aan de componist-dirigent Jean-Paul Vanreppelen. Het werk werd in 1969 bekroond met de prijs ‘Emiel Doehaerd’, een tweejaarlijkse prijs van CeBeDeM (het Belgisch centrum voor muziekdocumentatie); de eminente jury, met componisten Marcel Poot en Eric Feldbusch, pianist Eugène Traey en violist Maurice Raskin, kende haar de prijs unaniem toe. Op 12 november 1969 werd dit expressionistische trio op de Middagconcerten in Brussel gecreëerd door het trio Bell’Arte, met Yvonne van den Berghe, violist Valere Lenaerts en cellist Charles Bartsch. Zij zouden in 1971 ook een radio-opname van het werk maken en in hun uitvoering verscheen het werk in 1973 op lp (Alpha – DBM-V 187).

Het hartstochtelijke, getormenteerde karakter van dit overwegend atonale werk combineert Bulterys met een doorgedreven contrapunt en een doordachte motivische constructie, binnen en over de delen heen. Het openingsdeel (Allegro risoluto) heeft de contouren van een sonatevorm met een sterk ritmisch eerste thema en een lyrisch tweede thema. Het middendeel combineert een overwegend zangerig Adagio met een contrasterend Allegro scherzando, waarna een wild virtuoze finale volgt.

Jean-Paul Vanreppelen omschreef in 1969 dit werk als volgt: ‘Een contrapuntische geest, met sterk ritmische figuren, geeft aan dit werk een strijdlustig en boeiend karakter. Sterk contrasterend na het onstuimig Allegro risoluto, komt het middendeel, dat als het ware een pastelkleurig Perzisch tapijt vormt, vol rijke contrapuntisch uitgewerkte motieven, om zo tenslotte over te gaan met hetzelfde thema in een hoog oplaaiende verbeten dialoog in het derde deel.’

Dit werk werd geëditeerd door Stijn Saveniers op basis van de autografische partituur (KVC 161367) uit de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium Antwerpen.

Dewilde, J.: [Nederlandse inleiding bij Höflich-cataloognummer 2641, 2024].