Ga verder naar de inhoud

Lodewijk De Vocht is vooral als koorcomponist bekend, maar dat doet onrecht aan de orkestwerken die hij heeft nagelaten. Aan het begin van zijn carrière componeerde hij enkele frisse symfonische gedichten, zoals Morgenstemming (1906), Ontwaking (1908), In Ballingschap (1914), Woudgetover (1924) en Naar hoger licht (?). Nadien volgden concertante werken voor cello, viool en blokfluit en ook enkele kamermuziekwerken en instrumentale solowerken.

Na Morgenstemming en Ontwaking is Woudgetover het derde orkestwerk waarin De Vocht zijn betovering door de natuur en haar geluiden wil verklanken. Opvallend in dit impressionistische werk is de densiteit van de klank: werkelijk alle orkestinstrumenten, twee harpen en een celesta incluis, zijn van begin tot eind in de weer, weliswaar in nuances tussen pianissimo en mezzoforte. Slechts bij momenten neemt het volume geleidelijk aan toe, om dan opnieuw af te zwakken tot zachte genuanceerde tinten. Terwijl in het orkest ‘alles beweegt wat leven heeft’ is het klinkende resultaat merkwaardig genoeg een gevoel van roerloosheid. Er wordt dan ook niet gemoduleerd in Woudgetover: E als tonica en B als dominant zijn het hele stuk door de fundamenten waarop alles is gebaseerd.

De Vocht creëerde het werk op 17 maart 1924 in Antwerpen met het Orkest van de Maatschappij der Nieuwe Concerten dat hij van 1921 tot 1933 leidde. Blijkbaar was hij niet tevreden over dit, voor zijn doen, introverte werk; hij zou het werk nooit meer (laten) uitvoeren. In 1986 reviseerde en editeerde Hans Swinnen het werk op basis van het autografisch manuscript en het jaar nadien werd het werk opgenomen door het BRT-Filharmonisch Orkest onder de leiding van Fernand Terby, naar aanleiding van het eeuwfeest van de componist.

Deze uitgave is een facsimile van een handschrift uit de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium van Antwerpen (KCA 135913).

Dewilde, J.: [Nederlandse inleiding bij Höflich-cataloognummer 2650, 2024].