Lunssens, Martin

Sint-Jans-Molenbeek, 16/04/1871 > Etterbeek, 01/02/1944

Biografie

Lunssens, Martin

door Lien Alaerts

Martin Lunssens werd geboren in Sint-Jans-Molenbeek in 1871. Zijn vader was een gewaardeerd ambachtsman van beroep, maar in zijn vrije tijd was hij lid van 'Les Artisans réunis', een koorvereniging. Terwijl vader Lunssens zijn hobby uitoefende, ontdekte hij bij zijn zoon al zeer vroeg een muzikale begaafdheid. In die tijd mochten de Academie en het Conservatorium van Brussel leerlingen al op zeer jonge leeftijd aannemen om hun begaafdheid aan te moedigen. Zo kwam het dus dat Martin Lunssens zijn muzikale opleiding al startte nog voor hij zijn algemeen onderwijs voltooid had.

Aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel kreeg hij van Jean Baptiste Van Volxem de basis voor notenleer mee, Gustave Huberti gaf hem les in de harmonie en Joseph Dupont leerde hem piano. De theoretische studies werden hem bijgebracht door Ferdinand Kufferath, zelf leerling van Mendelssohn geweest. Lunssens behaalde uiteindelijk het diploma voor notenleer (1883), harmonie (Gustave Huberti, 1887) en contrapunt en fuga (Ferdinand Kufferath, 1892). Daarnaast kreeg hij ook les van François-Auguste Gevaert in compositie.

In 1893 en 1895 nam hij deel aan de Prijs van Rome waarbij hij respectievelijk de tweede en de eerste prijs won met zijn cantates Lady Macbeth (1893) en Callirhoé (1895). De reizen die hij daarop ondernam, brachten hem langs München, Bayreuth, Parijs, Firenze en Rome. Deze twee laatste steden gaven hem de inspiratie voor twee van zijn symfonieën: Symphonie Florentine (1898-1916) en Symphonie Romaine (1902-1916).

Bij zijn terugkeer in België ging hij opnieuw naar het Conservatorium van Brussel waar hij de functie als leraar in de harmonie op zich nam voor de komende vierentwintig jaar. Deze betrekking combineerde hij met het directeurschap aan de muziekschool van Kortrijk van 1905 tot 1921, en vervolgens aan het Stedelijk Conservatorium van Leuven. Vanaf 1924 nam hij diezelfde functie waar aan het Koninklijk Conservatorium van Gent, waarbij hij ook contrapunt (tot in 1929) en fuga (tot in 1936) gaf. Bij de leerlingen van het Koninklijk Conservatorium van Brussel was hij gekend om zijn strengheid. Hij was een tirannieke maar correcte harmonieleraar. Van 1916 tot 1924 was hij tevens leraar harmonie, contrapunt en fuga aan het Conservatorium van Charleroi.

Naast zijn werk als componist, leraar en directeur, waren zijn dirigeerkunsten vanaf 1893 over heel België zeer gegeerd. Zo dirigeerde hij concerten in het casino van Blankenberge en organiseerde hij concerten met de conservatoria van Gent en Brussel. Tijdens een van die concerten in Brussel creëerde en dirigeerde hij zijn eigen Symphonie Romaine. Daarnaast was hij dirigent bij de uitvoeringen van Tannhäuser van het Nederlandsch Lyrisch Tooneel in Antwerpen tijdens het seizoen 1901-1902. In 1921-1922 dirigeerde hij twee uitvoeringen van het Franciscusoratorium van Edgar Tinel en schreef en creëerde hij een Vaderlandsche Cantate in de Alhambraschouwburg.

Martin Lunssens was een romantische laatkomer. Zijn grote voorkeur voor Wagner had hij overgenomen van zijn leraren Gustave Huberti en Joseph Dupont, en dit manifesteerde zich in zijn oeuvre. Ook andere Duitse grote meesters zoals Beethoven en Brahms zijn terug te vinden in zijn werk. Mendelssohn en Saint-Saëns vormden eveneens een voorbeeld in de souplesse waarmee Lunssens zijn werk schrijft en in de elegantie van zijn orkestratie. Die wagneriaanse en romantische muzikale elementen maken dat hij als toondichter eerder conservatief is; invloeden van moderne meesters zijn een enkele uitzondering. Die conservatieve kunstopvatting is ook terug te vinden in zijn liederen die eveneens gekenmerkt worden door een getemperde lyriek, vaak ontsierd door aftandse formules. Enkele voorbeelden zijn Seule, La Nuit en Brume du soir.

Daarnaast was hij een meester als symfonicus en gebruikte hij vaak contrapuntiek als basis, wat maakte dat sommige van zijn werken misschien wat abstract en lang zijn. Ook het uitspinnen in het oneindige was een tendens die vaak in Lunssens’ werk terug komt. Dat maakt dat veel van zijn kamermuziek qua vorm eerder tot een symfonisch gedicht gerekend kan worden, hoewel het op vlak van bezetting geen orkestwerk is. Er zijn wel enkele orkestwerken die hij zelf tot dat genre bestempelt: Phèdre (1909), Le Cid (1910), Thimon van Athene (1908-1918) en Romeo en Julia (1907-1917

Lunssens’ oeuvre bestaat uit drie grote groepen: orkestwerken, kamermuziek en vocale muziek. Bij de orkestwerken kan men naast de eerder vermelde symfonieën en symfonische gedichten ook nog vioolconcerto’s, celloconcerto’s en een altvioolconcerto terug vinden. Zijn kamermuziek bestaat uit enkele sonates, romances en strijkkwartetten. Daarnaast schreef hij nog Idylle voor vijf strijkers en Sextuor (1902) voor houtblazers. De vocale muziek omvat naast liederen zoals eerder al vermeld, een aantal cantates en ook koormuziek wordt vertegenwoordigd. Het werk van Lunssens wordt nu nog altijd uitgevoerd.

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Caroline Alaerts