Aeneïs - Symfonisch epos
Pieter Frans Uyttenhove (Gent 7/2/1874 – Gent 22/12/1923) behoort tot de Gentse romantische componisten die na hun dood wellicht al te snel vergeten werden. Weliswaar was zijn productie hoewel hij reeds op vijftienjarige leeftijd begon te componeren, niet zeer omvangrijk en heeft hij geen belangrijke officiële functie in het muziekleven waargenomen. Hij werd geboren in een nederige familie – vader die overleed toen Franz nauwelijks tien jaar was – oefende het beroep van herbergier uit. Uyttenhove begon zijn muzikale opleiding als koorknaap in de Sint-Baafskathedraal van zijn geboortestad. Hij volgde enkel lager onderwijs en studeerde vervolgens aan het Koninklijk Muziekconservatorium van Gent. Zijn voornaamste leraars waren er Gustave Beyer (voor viool), Adolf d’Hulst, Leo Moeremans en de directeur Adolphe Samuel. Waarschijnlijk had hij zijn degelijke technische kunde vooral te danken aan de harmonieleraar Moeremans die een uitstekend pedagoog was; Behalve voor een Eerste Prijs Notenleer die hij in 1890 behaalde, is zijn naam echter niet onder de laureaten aan te treffen.
In 1894 werd Uyttenhove kapelmeester-organist van de Gentse Sint-Jacobskerk, een post die hij in 1914 ruilde voor een gelijkaardige betrekking aan de Jezuïetenkerk. Hij verwierf een zekere faam als improvisator en begeleider, zowel op piano als op orgel. Pogingen om aan het Conservatorium benoemd te worden, mislukten. Om als vader van elf kinderen aan de kost te komen, was hij verplicht in bioscopen op te treden. Ook was hij enige tijd als begeleider verbonden aan het Frans Theater en hij werd mede oprichter van de Gentse “Winterconcerten”.
Het oeuvre van Uyttenhove omvat in de eerste plaats drie opera’s: “Gerda”, “Walda” en vooral “Marike van Nijmegen” op een Libretto van Raf Verhulst. Deze laatste is de enige die, dan nog postuum maar met grote bijval, in 1925 gecreëerd werd in de Koninklijke Vlaamse Opera te Antwerpen, nadat Paul Gilson de orkestratie voltooid had. Dit werk werd later nog enkele malen hernomen. Verder omvat zijn werkenlijst godsdienstige muziek (o.m. twee missen), koorwerken, liederen (waaronder enkele destijds fel opgemerkte kinderliederen) enz… zijn orkestwerken beperken zich tot een viertal belangrijke partituren waaronder een symfonisch gedicht “Aan de Leie” met vioolsolo, en vooral deze “Aaeneïs” die als ondertitel “symfonisch epos” draagt en die meestal “Aneïs-ouverture” geheten wordt.
Naar verluidt zou Uyttenhove tijdens zijn schooljaren – reeds op de lagere school dus – van een van zijn leraars een grote belangstelling voor literatuur hebben meegekregen, en in het bijzonder voor het epos van Vergilius dat hij herhaaldelijk las. De compositie die er de neerslag van werd, verrast door een uitmuntende orkesttechniek, een behendige constructievermogen en een niet alledaagse inspiratie. Lambrecht Lambrechts die altijd een voorvechter was geweest van het werk van Uyttenhove, heeft in een artikel medegedeeld dat het werk volgens sommige “zou ontworpen zijn naar een schitterend model van Tinel’s “Polycucte” waarvoor de Gentse meester een grote bewondering koesterde”. Er is een reden om aan deze bewering te twijfelen daar de opbouw weinig gelijkenis vertoont met de “Ouverture tot Polycucte” van Tinel. Wel heeft Uyttenhove van deze laatste misschien het principe van de herhaling van motieven bij hun voorstelling overgenomen, maar deze trek is toch te weinig kenschetsend om dit te bewijzen. Het lijkt echter duidelijk dat hij niet ongevoelig is geweest voor de werken van Wagner en César Franck.
Een uitgebreide langzame inleiding verloopt in twee onderdelen. Een Adagio (ut klein; 4/4) begint met het korte hoofdthema dat krachtig in unisono door het volledige orkest wordt voorgedragen en dan in pianissimo door het koper herhaald. Het werd door een criticus als het motief van Aeneas bestempeld. Een tweede motief, in hout en cellosolo ingezet, is chromatisch gekleurd en bezit een onrustiger karakter. Een Andante (3/4; Si mol groot, later Sol groot) laat een zangerig derde thema horen in de hobosolo, daarna uitgebreid in een mooie solo voor altviool, die door de strijkers wordt begeleid. Ook de hoofdbeweging is tweeledig. Het Allegro ma non troppo (2/4; ut klein) is voornamelijk gebaseerd op het hoofdthema dat nu eerst in de hoorns weerklinkt en verder vooral aan het koper blijft toegewezen. Hijgende strijkersfiguren en een chromatisch dalend tegenmotiefje scheppen sterke spanningen. Een drukke unisono in violen en altviolen voert naar een tweede onderdeel, een Moderato waarvan het hoofdmotief in de strijkers en beantwoord door hout en carillon afgeleid is uit het thema van de hobosolo. Geheel dit deel is zeer fraai en boeiend georkestreerd. De finale is een Tempo di Marcia (Ut groot) verbeeldt de triomf van Aeneïs in schitterende kleuren.
Ondanks onze opzoekingen is het ons niet gelukt de precieze data van compositie en creatie met zekerheid te achterhalen. De partituur bleef jammer genoeg onuitgegeven en de kopie die berust in de bibliotheek van de B.R.T. geeft geen aanduidingen. Wellicht was de eerste uitvoering deze die gegeven werd tijdens het zomerseizoen 1903 in het Kursaal te Oostende en waarover de “Guide Musicale” van 6 september van dat jaar bericht gaf. Onder de tientallen uitvoeringen die het 120-koppig orkest van het Kursaal onder leiding van Léon Rinskopf, de toenmalige directeur van de Oostendse Muziekschool, elk jaar in de badstad gaf en waarbij de meest beroemde internationale solisten optraden, moest het nochtans opmerkelijke stuk van de nog geen dertigjarige, vrij onbekende componist, tussen de plooien vallen.
Luc Leytens (typoscript, s.a.) - SVM