André Laporte: tachtig en krachtig - inleiding
De eerste keer dat ik zijn naam tegenkwam, was halverwege de jaren 1960. Ik was toen muziekstudentje in Leuven en las de concertkritieken. Onder meer over het Alarius-ensemble voor oude muziek, dat werk van de 'jonge' Belgische componist André Laporte vertolkte. Wat het precies was, weet ik niet meer, maar het zal in elk geval iets voor strijkers geweest zijn, want ook Sigiswald en Wieland Kuijken speelden mee. Het was vóór de periode dat zijn orkestwerk Nachtmuziek begin van de jaren 70 de wereld rondging. Het was toen dat ik André persoonlijk mocht leren kennen als oudere collega-producer op BRT3, later als productieleider en tenslotte als directeur van het BRT-Filharmonisch Orkest. Mijn echt persoonlijk contact met 'mijn baas' André Laporte is slechts langzaam gegroeid. Wellicht speelde het leeftijdsverschil hierin mee. Maar doorheen de jaren heb ik André steeds van dichterbij leren kennen. Eerst in volle bewondering voor zijn enorme muzikale en literaire bagage, later ook verrast door zijn speelse grapjes en zijn onvermoede kennis van de jazz-klassiekers en van werkelijk álles wat met Gershwin te maken had. En ten slotte kwam ik onder de indruk van het 'vanzelfsprekende' feit dat hij als directeur van het BRT-Filharmonisch Orkest altijd zijn deur had openstaan voor eender welke musicus van het orkest. Het waren geen officieel aangevraagde audiënties; een beleefd klopje op de deur was voldoende en André had een luisterend oor voor de probleempjes. Meestal kon hij ze nog verhelpen ook. Hij wist perfect hoe de orkestrepetities verliepen en was aanwezig op élk concert van 'zijn' orkest.
Daarnaast heb ik ook het geluk gehad om in de loop der jaren de creaties van een aantal belangrijke orkestwerken van hem mee te maken.
Nachtmuziek was een belangrijke etappe voor André Laporte. Uiteraard omwille van de weerklank, maar toch vooral omwille van het vanzelfsprekende meesterschap, de verschillende betekenislagen, het speelse en het ironische, het direct verstaanbare en tegelijk ook het transcendente. Het zijn facetten die telkens terug opduiken in elk van zijn latere belangrijke werken. Bijna gelijktijdig met zijn Nachtmuziek (1971) werkte André Laporte aan zijn groots oratorium La Vita non è Sogno (1971-1972) op teksten van Salvatore Quasimodo. Hij vertrok vanuit de bestaande cantate Le Morte Chitarre (1969) om het uit te breiden tot een schrijnend epos over geweld en zinloosheid van oorlog. De teksten van Quasimodo worden één keer afgewisseld met een prozatekst van Marinetti voor het klanknabootsend spreekkoor Bombardimento di Adrianopoli.
Het oratorium La Vita è Sogno werd in 1976 bekroond met de prestigieuze Prix Italia, wat Laporte meteen weer voor het internationale voetlicht bracht. Het trok ook de aandacht van een toenmalige medewerker van het Festival van Vlaanderen, Gerard Mortier. (La Vita non è Sogno werd trouwens in 1972 in het Festival van Vlaanderen-Gent gecreëerd!) Mortier zou later, als intendant van de Munt, aan Laporte de opdracht geven voor een opera.
Het werd Das Schloss. André Laporte greep hiervoor terug naar de novelle van Kafka die hem sinds zijn jeugd altijd is blijven boeien. De compositie nam vijf jaar in beslag (1980-1985) en de opera werd gecreëerd in de Munt in december 1986. De componist Laporte kreeg hiermee zijn definitief etiket: meesterschap over de muzikale materie, eclectisch en synthetisch, gelaagdheid en verborgen citaten, met als grote voorbeelden Wozzeck en Lulu van Alban Berg. Misschien had André Laporte ietwat liever gezien dat men hem in het gezelschap plaatste van Bernd-Alois Zimmermann of György Ligeti, die elk voor zich het traditionele meesterschap combineerden met een soeverein gebruik van hedendaagse componeertechnieken. Inhoudelijk exploreert de kunstenaar Laporte het verlangen naar het onbereikbare, terwijl hij zich er goed van bewust is dat dit verlangen nooit gestild zal zijn, dat niets of niemand zijn voltooiing bereikt, dat wij allen slechts “doorgangers” zijn.
Die thematiek herneemt Laporte ook in zijn indringende Testamento de Otoño uit 1990, het Herfsttestament op tekst van Pablo Neruda voor bariton, strijkers en harp.
Ik heb slechts deze vier werken aangehaald uit het oeuvre van Laporte, omdat ze grosso modo ook de weerspiegeling zijn van zijn ganse artistieke boodschap. Ze zijn ook de leiddraad bij een gesprek dat ik enkele jaren geleden (2003) bij hem thuis had. Want ik laat hem liever zelf aan het woord.