Cantilena (1936)
In Ut groot, voor groot orkest.
Jef Schampaert (Kalfort bij Puurs, 18/2/1899) ontving zijn eerste muzieklessen van zijn vader. Hij werd leerling van het Koninklijk Muziekconservatorium te Brussel, en nadat de verkeersmoeilijkheden die door de Eerste Wereldoorlog waren veroorzaakt hem beletten verder regelmatig naar de hoofdstad te gaan, van het Lemmensinstituut te Mechelen. Het was echter aan het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium van Antwerpen dat hij zijn beste leraars vond: Arthur De Hovre voor orgel, Lodewijk Ontrop en August De Boeck voor harmonie, Lodewijk Mortelmans voor contrapunt en fuga. Na in elk van deze disciplines een eerste prijs te hebben behaald, won hij bovendien de “Compositiewedstrijd Albert De Vleeschhouwer” met een Scherzo voor vier violen. Schampaert ging zich verder vervolmaken voor instrumentatie en compositie als privéleerling van Flor Alpaerts die hem steeds bijzonder is blijven steunen en aanmoedigen. Van 1929 tot 1950 was hij de eerste directeur van de Gemeentelijke Muziekschool van Willebroeck. Van 1942 tot 1964 was hij tevens leraar harmonie aan het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium te Antwerpen
Ondanks een wankele gezondheid heeft Schampaert een aanzienlijk oeuvre tot stand gebracht. Wellicht onder de impuls van Alpaerts ging zijn voor liefde hierbij uit naar het groot orkest. Verschillende partituren op het symfonische domein trokken de aandacht. Te vermelden zijn onder meer: Sotternieën (1928) en Volkstaferelen op Golgotha (1930), beide in drie delen, het ballet De Behekste Bruiloft (1932), Dansencorso (1950) en in het bijzonder Symfonische Psalm (1943) dat door de componist als zijn beste wordt beschouwd.
Een bijzonder bijval genoot Notturno e Danza – (1944) voor fluit en orkest, oorspronkelijk opgevat als wedstrijdstuk aan het Antwerps Conservatorium. Daarentegen bleef een opera in één bedrijf, Mateo Falcone (1939), op een libretto van Marc Tralbaut, wegens moeilijkheden in de rolbezetting, jammer genoeg onuitgevoerd. Andere werken uit zijn productie bewijzen zijn veelzijdigheid: een Suite voor Koperensemble, een Suite voor trompet, hoorn en fagot, werken voor harmonieorkest waaronder zijn laatste compositie Divertimento Rustico (1965), het kleuterballet Lentebal, een Symfonie voor orgelsolo en andere werken voor orgel, diverse instrumentale stukken, pianowerken, liederen waaronder kinderliederen enz.
Cantilena ontstond in 1936 en behaalde een prijs op een wedstrijd georganiseerd door de Maatschappij der Nieuwe Concerten te Antwerpen. Het werk werd echter in dezelfde stad gecreëerd door het Orkest van de Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde onder leiding van Flor Alpaerts.
De toondichter deelde mede dat de compositie, ontstaan bij improvisaties aan de piano, met opzet in een romantische sfeer werd gehouden en bedoeld als een verheerlijking van de zang. Dit verklaart meteen de titel. Het is een vrij uitgebreid Andante in de hoofdtoonaard van Ut groot. In een korte inleiding weerklinken zachte melodische flarden afwisselend in harp, houtblazers, klokken en hoorns, boven de gehouden akkoorden van de strijker. Dan heft de soloviool, begeleid door de andere strijkers ‘cor sordini’, duidelijk het sierlijke hoofdthema aan. Dit thema keert vervolgens herhaaldelijk terug en wordt steeds in de strijkers uitgezongen. Het volledige orkest voert echter enkele malen naar een indrukwekkende climax. Een tweetal episodes op korte nevenmotieven bieden de nodige tegenstelling. De coda laat een laatste maal het hoofthema horen in de eerste violen, weerom van dempers voorzien, dat aldus geheel verstilt en in pianissimo uitdeint.
Luc Leytens (typoscript, s.a.) - SVM