Ga verder naar de inhoud
  1. Allegro resoluto
  2. Andante tranquillo
  3. Finale: Allegro giocoso

(uitgave: Cebedem, Brussel)

Het oeuvre van Marinus de Jong (Oosterhout, Noord Brabant 14/8/1897) is ongemeen omvangrijk en gevarieerd. Het omvat alle genres, van het eenvoudige lied of het intieme pianostuk tot grootse opgevatte oratoria en opera’s. Met taaie en onverminderde werkkracht heeft de componist vanaf zijn opus 1, de tweestemmige Mis “Ave Maria” die uit 1915 dagtekent, tot het voorlopig nieuwste opus 171, de Derde Symfonie van 1976, de Vlaamse muziek aldus op het hoogste merkwaardige wijze verrijkt.

Deze productiviteit is bij Marinus de Jong mogelijk geweest, enerzijds omdat hij zich als uitvoerend musicus, namelijk als pianovirtuoos, zelf precies rekenschap heeft kunnen geven van alle mogelijkheden die het sonore materiaal biedt, en anderzijds omdat hij zich van jongs af aan een benijdenswaardig technisch vakmanschap heeft eigen gemaakt. Niet zonder reden wordt hij ook onder de belangrijkste Vlaamse pedagogen gerekend. Opvallend is bovendien dat zijn composities steeds blijk geven van een uitgesproken musiceervreugde en, tegelijk met een logische opbouw, de expressieve waarden vooraan plaatsen. Er valt in zijn activiteit van meer dan 60 jaren immers een constante aan te stippen: eerbied voor de beste tradities die het verleden heeft opgeleverd, in het bijzonder voor wat betreft de tonaliteit, de melodiek, het contrapunt en de vormleer. Maar Marinus de Jong weet deze beproefde elementen telkens weer te vervullen met zijn persoonlijkheid. Een individueel kenmerk is tevens zijn belangstelling voor de oude modi en het volkslied.

In het symfonisch domein heeft Marinus de Jong zich blijkbaar speciaal aangetrokken gevoeld door het concerto. Een van zijn vroegste successen was het Eerste Pianoconcerto, opus 21, waarvan hij persoonlijk de solopartij in binnen- en buitenland verdedigde. Het concerterend principe is hem blijven boeien omdat het, naast de mogelijkheid voor interessante contrasten, ook een uitdaging vormt voor de toondichter die zich a.h.w. in de ziel van het gekozen instrument moet inleven. Nochtans is de virtuositeit nooit doel op zichzelf maar blijft zij in dienst staan van de muzikale gedachten. Zo ontstonden in de loop van de jaren een dozijn zeer uiteenlopende werken: drie pianoconcerti (op. 21; op. 80; op. 105) en concerti voor respectievelijk viool (op. 103), altviool (op. 111), cello (op. 60), trompet (op. 49), fluit (op. 147), hobo (op. 144), klarinet (op. 148), fagot (op. 146) en hoorn (op. 145).

Deze vijf laatste, voor de instrumenten die samen het traditionele houtblazerskwintet vormen en waarvan de opusnummers elkaar opvolgen, ontstonden in bijzondere omstandigheden. Toen Marinus de Jong namelijk in 1966 gedurende een maand moest verpleegd worden in Stuyvensberggasthuis te Antwerpen, nam hij de gedwongen rust te baat om als het ware in één trek deze vijf partituren af te werken.

Het Hoornconcerto werd voltooid op 20 april 1966. Het illustreert best de bovenvermelde stijlkwaliteiten. Zo eerbiedigt het vormschema de klassieke drieledigheid.

Het eerste deel is in bithematische sonatevorm opgetrokken: een krachtig eerste thema, dat het stuk opent, vertoont een fanfarekarakter en is typisch voor het instrument bedacht, terwijl het tweede thema dat eveneens door de solist wordt voorgesteld, zangerig en gevoelvol klinkt. Doorwerking en reprise leiden volkomen regelmatig naar een coda die een korte solocadens bevat.

Het langzame tweede deel in ut kruis klein, met frygische inslag, heeft de liedvorm A – B – A’. op te merken is dat een fragment van het eerste thema uit het openingsdeel hier even terugkeert. Het is een lyrische bladzijde die de zachte schakeringen van de hoorn uitbaat. In het middenpaneel – poco piu con moto – treft een soort jachtgeschal. Een rustige, maar voor de vertolker veeleisende cadens gaat sierlijk de laatste maten vooraf.

Het derde deel heeft de rondovorm. De thematiek is hier van een heel andere aard. Het refreinthema, in mixolydische toonaard, klinkt na een inleiding van het orkest als een volkslied, al is het volkomen van eigen vinding. Na de terugkeer van inleiding en refrein wordt in de tweede strofe een kort fanfaremotief ontwikkeld, met een opwaarts stuwend triool. De laatste terugkeer van het rondothema, nu gemoduleerd, voert naar een begeleide cadens en een triomfantelijke bekroning.

Luc Leytens (typoscript, s.a.) - SVM