Feest in de Tempel van Jupiter, opus 21 nr. 3 (1881)
(Nr.3 uit “Drie Symfonische Taferelen” voor orkest uit de Tragedie “Polycucte” van Pierre Corneille
- Optocht
- Dansen
- Plotse inval van Polycucte en Nearchus
Edgar Tinel (Sinaai 27/3/1854 – Brussel 28/10/1912) is één van de topfiguren in de generatie van Vlaamse toondichters die onmiddellijk volgde op deze van Peter Benoit. Hij heeft dan ook nog relatief weinig invloed van deze laatste ondergaan hoewel hij zich, net als Benoit, nauwelijks inliet met de klassieke genres en vormen en bij voorkeur vocale muziek schreef. Deze zoon van een eenvoudig dorpsonderwijzer uit het Waasland wist zich door begaafdheid en doorzettingskracht een eersterangs positie te verwerven in het Belgisch muziekleven. Toen hij zijn studies aan het Koninklijk Muziekconservatorium van Brussel, waar hij F.J. Fétis en Fr. Gevaerts onder zijn voornaamste leraars telde, beëindigd had, behaalde hij in 1877 met eenparigheid van stemmen de Eerste Grote Romeprijs voor de cantate “Klokke Roeland”, op. 17. Deze bekroning had een grote weerklank.
In 1881 werd Tinel aangesteld tot directeur van het Instituut voor Kerkmuziek te Mechelen, in opvolging van de stichter van deze school, Jaak Lemmens. In 1889 verving hij Karel Miry als Inspecteur van de Belgische Muziekscholen. Na zijn benoeming in 1896 tot leraar contrapunt en fuga aan het Koninklijk Muziekconservatorium van Brussel, volgde hij in 1909 Fr. Gevaert op als directeur van deze instelling en als dirigent van de toen befaamde Conservatoriumconcerten. Zijn kort directoraat werd gekenmerkt door enkele zeer belangrijke verbeteringen. In 1910 werd hij eveneens Koninklijk Kapelmeester.
Deze vererende opdrachten waren niet enkel gebaseerd op zijn kwaliteiten als pedagoog en organisator, maar evenzeer op zijn faam als componist die ook in het buitenland aanzienlijk was. Deze roem gold in de eerste plaats voor zijn oratorio “Fransiscus”, op. 36 (1886 – 87) dat de wereld rondging, maar ook voor zijn godsdienstige muziek. Tinel had zich inderdaad niet zonder resultaat, tot doel gesteld de katholieke kerkmuziek op een hoger artistiek en tevens op een religieuzer niveau te brengen, waarbij hij de waarde onderstreepte van het Gregoriaans. Onder zijn voornaamste composities zijn eveneens twee werken te rekenen die voor het theater bestemd werden; het muziekdrama “Goddelieve”, op. 43 (1892 – 94) en de dramatische legende “Catharina”, op. 44 (1899 – 1908) die met veel luister in 1909 in de Koninklijke Muntschouwburg te Brussel werd gecreëerd en er dadelijk een reeks van 17 vertoningen haalde.
De stijl van Edgar Tinel werd sterk beïnvloed door de Duitse hoogromantiek. Hij dweepte met Schumann en Brahms en, was zeker niet ongevoelig voor Wagner, al verzette hij zich in geschriften tegen de uitspattingen van het Wagnerisme. Maar hij bewonderde ook Franck en verkoos voor alles Bach. Dit alles verwerkte hij met grote ernst, soms nogal uitgesponnen, maar ook met een uitmuntende technische kunde. De meeste van zijn werken werden uitgegeven te Leipzig bij Breitkopf en Härtel.
Afgezien van de ouvertures van zijn grote werken voor solisten, koor en orkest, vormen de “Drie Symfonische Taferelen” uit “Polycucte” van Corneille zijn enige zuivere orkestmuziek. Ondanks de titel gaat het niet om toneelmuziek, wel om symfonische programmamuziek rond de tragedie die het christelijk geloof als kern heeft. De “Ouverture” was reeds in maart 1880 gecreëerd geworden, toen Tinel besloot ze met twee luiken aan te vullen. Zo ontstonden in december 1880 – januari 1881 “De Droom van Pauline” en in januari – februari 1881 “Feest in de Tempel van Jupiter”. Het waren zeer bewogen maanden in zijn privéleven: vrij onverwacht overleed zijn moeder, en enkele dagen later werd hij benoemd te Mechelen.
De drie stukken zijn verbonden door thematische verwantschap maar kunnen overigens best ook apart worden uitgevoerd. Het sluitstuk is het meest uitgewerkte en het afwisselendste. Het telt drie onderdelen die zonder onderbreking in elkaar overgaan. Na een inleiding (Andantino) die, met een stevig marcato dat unisono in strijkers en fagotten boven de dominant la, het dramatisch karakter aangeeft, ontwikkelt zich de Optocht als een met een soort trio in Si mol groot als middendeel. De herneming van het unisono van de inleiding sluit dit deel af. De nu volgende Dansen zijn in feite twee in aantal: een eerste in 6/8 (Allegretto) in Re groot, een tweede in 2/4 (Allegro) in Fa groot die begint met pizzicati in de strijkers. Zij stellen het heidens element in het drama voor. Geheel dit fragment zou een uitstekend operaballet kunnen zijn en bewijst een typeringsvermogen dat zeker mag beschouwd worden als een eerste stap in de richting van het theater dat Tinel met latere composities zou betreden. De tweede dans wordt even afgewisseld met een meer beschouwende passage in het koper. De finale zet in wanneer de dans bruusk wordt afgebroken door een koraalmotief in de vier trompetten. Het is het hoofdthema dat in de drie stukken van “Polycucte” voorkomt en het geloof symboliseert. Drukke strijkersfiguren verbeelden de verwarring die ontstaat bij de plotse inval van Polycucte en Nearchus in de tempel (Allegro non troppo) waar zij de valse godenbeelden komen verbrijzelen. In een machtige ontplooiing behoudt het stralend koraalthema, nu in het volledige koper, het overwicht. Dit laatste deel is eveneens in re klein.
De fraai opgebouwde partituur, die het doet betreuren dat Tinel niet méér voor orkest schreef, werd opgedragen aan zijn vriend Léon d’Aoust. Joseph Dupont dirigeerde op zondag 3 april 1881 de eerste uitvoering van het “Feest National” te Brussel. De uitgave bij Breitkopf & Härtel volgde in 1892. Het handschrift berust in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel.
Luc Leytens (typoscript, s.a.) - SVM