Ga verder naar de inhoud

- Allegro
- Adagio
- Vivace

Frederik Van Rossum werd op 5 december 1939 te Elsene-Brussel geboren, in een zeer gecultiveerde familie. Zijn grootvader was de bekende Oostendse schilder Léon Spillaert. Hij deed volledige oude humaniora en behaalde aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel een hele reeks van eerste prijzen en onderscheidingen. Zijn leertijd werd in 1965 afgesloten met de Eerste Grote Rome-Prijs. Het was 14 jaar geleden sedert de hoogste onderscheiding in België nog was toegekend geworden. Sedert 1968 is hij leraar contrapunt aan het Koninklijk Conservatorium van Luik.

Vanaf zijn eerste werken heeft Van Rossum zich laten opmerken door een uitzonderlijke begaafdheid om een zeldzame technische beheersing. Toch mag in zijn opvatting de techniek nooit een doel op zichzelf worden, maar moet zij in dienst staan van de uitdrukking.

De Concertante Symfonie is hiervan een duidelijk voorbeeld. Het is duidelijk een compositie van dramatische aard. In dit verband is het misschien niet zonder belang te weten dat Van Rossum erg veel van toneel houdt.

In feite bestaan er van dit werk twee versies. Oorspronkelijk was het getiteld concerto voor hoorn, piano, snaren en slagwerk. De aanleiding tot de compositie was een opdracht van de Vlaamse Televisie voor “Diapason”, een maandelijkse uitzending waarin werken van de Belgische toondichters werden voorgesteld. Alhoewel de toondichter zijn werk voor een groot orkest had willen ontwerpen, had hij zich wegens de eisen van de uitzending tot een tamelijk beperkt ensemble moeten beperken. In die vorm werd het voor het eerst uitgevoerd op 5 februari 1967 onder leiding van Frederik Devreese en met de medewerking van de hoornist Francis Orval; de componist zelf speelde de pianopartij. Meer dan een jaar later kwam hij terug tot het eerste idee en herschreef hij de partituur met toevoeging van hout en koper, om des te beter het beoogde dramatische klimaat te bereiken. Het is deze tweede en definitieve versie die hier werd opgenomen. De bezetting maakt dus naast de grote strijkers gebruik van de houtblazers per drie en van een sterke kopergroep bestaande uit 4 hoorns (onafgezien van de hoornsolo), de 3 bazuinen en tuba. Wegens de grote rol die het volledig orkest vervult, werd de titel gewijzigd in Concertante Symfonie. Aan de verschillende lessenaars wordt immers een flinke virtuositeit vereist die dit werk haast doet uitgroeien tot een soort concerto voor orkest. Nochtans treden de diverse groepen ook dikwijls in blok op. De hoofdrol wordt toebedeeld aan de hoorn, het koperinstrument met zijn vele mogelijkheden en waarvan het timbre zich zo goed aanpast bij de onderscheiden orkestgroepen. De pianopartij heeft voornamelijk een percuterend karakter en sluit als solo-instrument aan bij de uitgebreide slagwerkgroep waarin 5 uitvoerders volgende instrumenten bespelen: pauken, zweep, vijf Chinese blocks, wood-block, drie tom-toms, triangel, tam-tam, Provençaalse trom, grote trom, twee kleine trommen (respectievelijk met en zonder snaren), marimba-xylofoon, vibrafoon en cimbalen.

Dit alles duidt op de zeer grote betekenis die Van Rossum toekent aan de orkestratie, die als een fundamenteel element van de compositie moet beschouwd worden. Andere, niet minder belangrijke bestanddelen zijn: de vaak overrompelende, bijna fysisch aangrijpende ritmiek en de melodiek waarin korte, puntige motieven en obsederende ostinati afwisselen met enkele langere frazen.

Vooral in het eerste gedeelte, Allegro, ondergaat men sterk de aangrijpende kracht die uit het werk spreekt. Het is een sombere maar toch geestdriftige muziek, vol agressieve motieven. Van bij het begin boeien heftige klankuitbarstingen die uitdeinen in onrustige, wriemelende passages, die nooit geheel tot rust komen. Enkel in een kort middengedeelte, Adagio, schijnt het alsof er een ogenblik respijt wordt gegund, maar ook hier overheerst een karakter van onheil. Het Adagio verloopt uieraard meer ingehouden en gedragen, doch de atmosfeer blijft gespannen en is zelfs tragisch. Het is alsof na de strijd van het openingsdeel de nederlaag werd geleden.

Enkel de derde beweging, Vivace, brengt als het ware de verlossing uit deze sombere stemming. Het is een uitbundige jacht, waarin een gepunt ritme overheerst. Geheel deze Concertante Symfonie is een aaneenschakeling van expressieve hoogtepunten die de toehoorder in een magische ban houden. Tegelijk treffen de logica van het verloop en de evenwichtige verhoudingen van de verschillende delen. Maar bovenal is er de overrompelende musiceerdrift die het kenmerk is van een oorspronkelijk en rasechte componistennatuur.

Luc Leytens (typoscript, s.a.) - SVM