Ga verder naar de inhoud

Naar de gewoonte van die tijd kreeg Joseph Callaerts zijn muziekopleiding als koraal in een kerkkoor; in zijn geval was dit in de muziekkapel van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal in Antwerpen. Die muziekkapel werd toen geleid door violist en componist Guillaume Jacques Joseph Kennis (1768-1845), een telg uit een befaamde muzikantenfamilie, die kapelmeester was van 1802 tot 1845. Nadat de kerken na het Concordaat van 15 juli 1801 tussen Napoleon Bonaparte en Pius VII opnieuw hun deuren openden, vormde Kennis in moeilijke omstandigheden een kerkkoor en -orkest. Daarbij kon hij een beroep doen op musici van het operaorkest en van militaire muziekkapellen die in Antwerpen gekazerneerd waren. Kennis bouwde binnen de kathedraal een omvangrijke muziekbibliotheek uit, die nu bewaard wordt in de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium Antwerpen. Zelf componeerde Kennis slechts een beperkt aantal religieuze werken, maar hij arrangeerde veel werken van, onder anderen, W.A. Mozart. Daarbij paste hij de bezetting aan de eigen ensembles aan en in sommige gevallen plaatste hij een religieuze tekst op een profaan werk.

Naast Kennis kwam Joseph Callaerts toen ook in contact met de bas Corneel Schermers (1799-1887), zangmeester van de koralen. Schermers was ook zangleraar aan de stadsscholen en was in 1843 één van de medestichters van de École de Musique in Antwerpen.

Later heeft Callaerts harmonie en contrapunt gestudeerd bij de Antwerpse componist Henri Simon (1783-1861) en hij is ook in de leer geweest bij Edouard Grégoir (1822-1890), een veelzijdig musicus die actief was als pianist, orgelist, componist en musicograaf. In 1855 werd Callaerts benoemd tot plaatsvervangend organist, en twee jaar later als titularis van de Antwerpse kathedraal. Ondertussen behaalde hij in 1856 aan het Conservatoire royal van Brussel een eerste prijs orgel bij Jacques Nicolas Lemmens (1823-1881). Geleidelijk aan trad hij in het Antwerpse muziekleven ook meer op als harmoniumspeler en organist en werd hij ook een druk gesolliciteerd orgelexpert. Het is mee onder zijn stimulans dat in de jaren 1889-1891 in de kathedraal een nieuw orgel werd gebouwd. Al ging Callaerts’ voorkeur uit naar Aristide Cavaillé-Coll, toch werd het orgel gebouwd door de Brusselse firma Schyven.

In 1867 solliciteerde hij tevergeefs naar het directeurschap van de Vlaamsche Muziekschool van Antwerpen, die in 1898 het Koninklijk Vlaams Conservatorium zou worden. Peter Benoit werd de eerste directeur, maar Callaerts werd meteen als orgelleraar aangesteld. Vanaf 1898 zou hij er ook praktische harmonie doceren. Callaerts overleed op 3 maart 1901, maar zijn dood werd overschaduwd door het overlijden van Benoit op 8 maart.

Callaerts liet een rijk en gevarieerd oeuvre na dat over het algemeen gekenmerkt wordt door een groot respect voor de klassieke traditie. Naast een hele reeks orgelwerken (waaronder een concerto en sonates), componeerde hij ook pianowerken, kamermuziek, orkestwerken, liederen, koorwerken, cantates, een opera (Le retour imprévu) en liturgische muziek, meestal bedoeld voor uitvoering in de kathedraal van Antwerpen. Behalve motetten en litanieën schreef Callaerts ook vier missen. Drie missen, geschreven in 1865, 1885 en 1891, zijn bedoeld voor vierstemmig koor, orgel en orkest; de vierde (ongedateerde) mis is voor driestemmig mannenkoor en orgel.

De orkestversie van zijn eerste mis in fa groot (op. 4) wordt in handschrift bewaard in de bibliotheek van het Antwerpse conservatorium; enkel de versie met orgel werd gepubliceerd. Callaerts componeerde dit werk in 1865 en droeg het op aan Jacob J.B. Fuchs, sacristein van de St.-Marien-Kirche in Oldenburg. In tegenstelling tot de tweede en derde mis - beide ‘messes solennelles’ - is deze mis net zoals de vierde (voor mannenkoor) een eerder eenvoudige ‘missa brevis’. Het graduale (‘Benedicta es tu virgo Maria’) en het offertorium (‘Ave Maria gratia plena’) tonen dat Callaerts deze mis bedoelde voor het liturgisch hoogfeest van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria op 8 december. Het is vermoedelijk geen toeval dat Callaerts zijn eerste mis voor een Mariale feestdag componeerde, aangezien de kerk waarin hij titelvoerend organist was, aan Onze Lieve Vrouw is toegewijd.

Callaerts heeft deze mis duidelijk vanuit zijn praktische ervaring op het kerkdoksaal geschreven. Het koor geeft hij een vrij eenvoudige, overwegend homofone behandeling, terwijl de orgelpartij iets ambitieuzer is en met korte voor-, tussen- en naspelen voor een ritmering van het werk zorgt. Door het efficiënt intercaleren van korte vocale solo’s en het afwisselen van begeleide passages en a-capellafragmenten zorgt hij bovendien met eenvoudige middelen voor een gevarieerd klankbeeld.

Herdruk van een partituur uit de bibliotheek van de Sint-Jacobskerk in Antwerpen, bewaard in de bibliotheek van het Koninklijk Vlaams Conservatorium van Antwerpen onder het inventarisnummer 211328-37 / MM-JAC-JACOB-archief-37 en heeft RISM-nummer 702005379. De reliëfstempel op het titelblad toont dat deze partituur eigendom was van de componist (‘Joseph Callaerts, organiste de la Cathédrale d’Anvers’). De uitgave van deze partituur kadert in het Artesis-onderzoeksproject De muziekcollectie van de Sint-Jacobskerk in Antwerpen: een muziekhistorische en -stilistische studie.

Dewilde, J.: [Nederlandse inleiding bij Höflich-cataloognummer 577, 2012].