Höflich-uitgave: Trois tableaux symphoniques tirés de la tragédie “Polyeucte” de P. Corneille, op. 21
Ouverture - Songe de Pauline - Fête dans le temple - Cortège - Danses - Irruption soudaine de Polyeucte et de Néarque
Edgar Tinel heeft geen absolute of autonome symfonische muziek nagelaten: zijn werk voor orkest beperkt zich tot de preludes voor zijn cantates en oratoria, en tot de toneelmuziek die hij bij Polyeucte Martyr van Pierre Corneille (1606-1684) schreef. Polyeuctus was een bekeerling die diende in het Romeinse leger; omdat hij keizer Valerianus’ bevelen negeerde om christenen te vervolgen, werd hij in 259 gemarteld en onthoofd. Zijn bekeringsverhaal en marteldood vormen het onderwerp van Corneilles klassieke tragedie Polyeucte Martyr (1642).
De diepgelovige Tinel was niet de eerste componist die zich, via Corneilles stuk, door de figuur van Polyeuctus liet inspireren. Marc-Antoine Charpentier componeerde een ballet voor een heropvoering van het toneelstuk in 1679; Gaetano Donizetti schreef in 1838 de opera Poliuto (in de Franse herwerking door Eugène Scribe: Les Martyrs); veertig jaar later, in 1878, componeerde ook Charles Gounod een opera over Polyeucte, en in 1891 schreef Paul Dukas een ouverture als inleiding op Corneilles stuk. Maar ook een hedendaagse componist als de Pool Zygmunt Krauze (1938) vond stof in de tragedie: in 2010 ging in Warschau zijn Polieukt in première, een opera die een jaar later in Toulouse hernomen werd en door de Syndicat de la Critique de Theatre de Musique et de Danse bekroond werd.
Misschien kwam Tinel wel via Gounods Polyeucte tot het stuk van Corneille: op 26 januari 1881 vond in Antwerpen een concert plaats waarop enkele van zijn werken geprogrammeerd waren, naast fragmenten uit Gounods opera. Tinel zou aan dit concert meewerken, maar was uiteindelijk door de dood van zijn moeder verhinderd.
Tinel werkte lang aan deze toneelmuziek: de ouverture schreef hij tussen oktober 1878 en juli 1879; het middendeel tussen december 1881 en januari 1882, en de finale tussen januari en mei 1881. In 1889 herorkestreerde hij het volledige werk. Hij droeg de afzonderlijke delen op aan zijn leraars François-Auguste Gevaert (1828-1908) en Joseph Dupont (1838-1899), en aan Léon d’Aoûst. Als opvolger van Jacques Nicolas Lemmens leidde Tinel toen al sinds 1881 het Instituut voor Kerkmuziek in Mechelen.
De ouverture, grotendeels als sonatevorm geconstrueerd, opent met een solemneel vierstemmig koraal, voorgesteld door de trombones en de bastuba. Op het slotakkoord van het koraal begint met een ritmisch figuurtje in de houtblazers een Allegro non troppo dat in een crescendo leidt naar een nieuw thema, waarbij het ritmisch figuurtje als begeleiding fungeert. Na een modulerende transitie stellen de strijkers een derde, gesyncopeerd thema voor. Volgens een analyse van de musicograaf Paul Tinel, zoon van de componist, typeren het tweede en derde thema elk een aspect van Polyeuctus, respectievelijk de menselijke kant van de martelaar en zijn liefde voor zijn vrouw Pauline. Deze thema’s worden getransformeerd en illustreren zo Polyeuctus’ bekering.
Het middendeel (Songe de Pauline) opent met een expressieve melodie in de engelse hoorn, die via een sfeerscheppende inleiding leidt naar het thema dat fortissimo door de houtblazers wordt gepresenteerd. Simultaan spelen de eerste violen het tweede thema. Deze twee thema’s worden gelijktijdig polyfoon verder ontwikkeld en in een Allegro agitato gereëxposeerd. Daarna verwerkt Tinel de verschillende motieven uit de doorwerking in een stretto, om het middendeel met lange akkoorden in de houtblazers, nerveus geaccentueerd door pizzicati in de strijkers, in een decrescendo af te sluiten.
Fête dans le temple, dat een heidens feest evoceert, is het meest theatrale deel. Na een stoet van priesters en priesteressen (Andantino), volgt na een ‘Generalpause’ een reeks dansen (Allegretto) - een ‘galop infernal’ inbegrepen. Een Andantino van acht maten waarin het beginkoraal wordt hernomen (p. 62) leidt dan tenslotte naar het laatste tafereel van het slotdeel: het binnenvallen op de heidense plechtigheid van Polyeuctus en zijn (eveneens bekeerde) vriend Nearchus. Een ontketend orkest verklankt de overwinning van het christelijk geloof op het heidendom.
De drie delen werden elk afzonderlijk in Brussel gecreëerd door Joseph Dupont en zijn orkest van de Concerts Populaires: de ouverture op 14 maart 1880, Fête dans le temple op 3 april 1881 (zonder de mars, wegens de lengte van het programma) en Songe de Pauline op 5 maart 1882.
Zowel de ontstaansgeschiedenis van het werk, als de omvang en de bezetting maken duidelijk dat Tinel deze symfonische taferelen niet bedoelde als zuivere toneelmuziek bij Corneilles tragedie, maar dat hij zich door diens stuk heeft laten inspireren om een driedelig symfonisch gedicht te schrijven, in de rijke traditie van de toneelmuziek, een genre dat in de 19de eeuw welig floreerde.
Bibliografie:
Paul Tinel, Edgar Tinel, (Collection Roland de Lassus, ed. Ernest Closson), Bruxelles: Éditions Universitaires, s.a.
Paul Tinel, Edgar Tinel. Le récit de sa vie et l’exégèse de ses œuvres de 1854 à 1886, Bruxelles: Th. Lombaerts, 1923.
Herdruk van een kopie uit de bibliotheek van het Koninklijk Vlaams Conservatorium van Antwerpen. Voor de partijen, gelieve u te wenden tot de bibliotheek van het Koninklijk Vlaams Conservatorium.
Dewilde, J.: [Nederlandse inleiding bij Höflich-cataloognummer 591, 2014].