Jacqueline Fontyn: Concertante bewegingen voor twee piano's en snaren
1. Lento – Poco piu mosso – Presto – Tempo I°
2. Allegro – Meno mosso – Tempo I° - Poco meno mosso – Allegro del Tempo I°
Weinige hedendaagse Belgische componisten hebben op zo korte tijd een zo groot aanzien verworven als de te Antwerpen geboren Jacqueline Fontyn. Niet alleen kreeg zij in enkele jaren een bijzonder groot aantal prijzen en onderscheidingen toegewezen, zowel in binnen- als buitenland, maar ook de diversiteit in het reeds omvangrijke oeuvre van deze componiste, maakt haar tot een van de zeer opgemerkte figuren in ons huidig muziekleven. Merkwaardig is hierbij dat zij allerminst haar toevlucht moet nemen tot gezochte experimenten. Na haar voornaamste opleiding te hebben ontvangen te Brussel, ging Mevrouw Fontyn zich vervolmaken te Parijs en te Wenen. In 1963 werd zij professor van contrapunt aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium van haar geboortestad. Haar gedegen klassieke vorming bood een tuchtvolle basis voor haar composities. Meteen bezit zij echter ook een grote openheid voor verschillende stromingen van de hedendaagse muziek. Tot heden zijn haar werken voor kamermuziek het talrijkst. Herhaaldelijk heeft zij nochtans bewezen ook grote ensembles met meesterschap te kunnen behandelen.
De “Concertante Bewegingen” liggen naar bezetting tussenin. Het werk werd geschreven in 1957, in opdracht van het toenmalig Antwerps Bachgezelschap, thans Ensemble J.S. Bach van België. De eerste uitvoering vond plaats in het Koninklijk Kunstverbond te Antwerpen op 2 december van dat jaar. De pianisten Lode Backx en Frederik Gevers vertolkten de solistenpartijen, begeleid door de snaren van het Bachgezelschap onder leiding van Georges Octors. De compositie werd nadien ook in Duitsland en Frankrijk ten gehore gebracht. Elk concertant werk stelt een probleem van evenwicht tussen solistische elementen en het geheel. In dit geval zijn het twee groepen die tegenover elkaar worden geplaatst: twee piano’s en een klassiek ingedeelde groep strijkers. In tamelijk sterke bezetting (de componiste schrijft een minimum voor van 21 spelers: 6 eerste en 6 tweede violen, 4 altviolen, 3 celli en 2 contrabassen. De beide klavieren die praktisch steeds gelijktijdig optreden, krijgen duidelijk het hoofdaccent. Het samengaan van deze twee “volledige” instrumenten schept de mogelijkheid tot zeer afwisselende schakeringen.
De eerste beweging is bijna geheel voorbehouden aan de piano’s. Het is een Lento dat in zacht en gebonden spel wordt ingezet met een chromatisch-monodische frase.
Tempo en dynamiek worden weldra opgedreven tot een kort Presto. Eerst daarna, wanneer het aanvangstempo wordt hernomen, treden de strijkers op. De piano’s besluiten de beweging met ritmisch verfijnde arabesken. De altviolen vangen dadelijk het Allegro aan, in een dartele 6/8 maat, gevolgd door de andere snaren “con sordini”. De piano’s nemen de beweging over en zorgen met hun boeiend spel, afwisselend in loopjes en akkoorden, voor sterk ritmische impulsen. Snelle opeenvolgingen in klanksterkte en enkele subtiele maatwisselingen verhogen nog de spanning, die ook door de korte episodes van de strijkers apart wordt onderlijnd. Een stevig crescendo sluit het geheel af.
Indien de algemene klanksfeer ongetwijfeld herinnert aan sommige werken van Bartok, dan blijkt toch reeds overduidelijk de eigen persoonlijkheid van de nog jonge componiste.
Luc Leytens (typoscript, 1968) - SVM