Lodewijk De Vocht: Concerto voor viool en orkest in mi klein (1944)
- Allegro energico
- Andante
- Finale: Vivace
Geheel de loopbaan van Lodewijk De Vocht die te Antwerpen geboren werd op 21 september 1887, heeft zich, met uitzondering van enkele concertreizen als dirigent, afgespeeld in zijn geboortestad. Zijn eerst opleiding ontving hij als zangknaap in de Antwerpse kathedraal onder leiding van Emiel Wambach, die hij trouwens in 1912 als kapelmeester-titularis van deze kerk zou opvolgen, een taak die hij tot in 1950 zou vervullen. Vanaf 1899 bezocht hij het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium waar onder meer Paul Gilson en Lodewijk Mortelmans tot zijn leraars behoorden. In 1903, bij de stichting van de Maatschappij der Nieuwe Concerten, werd hij violist in het orkest van deze vereniging. In 1915 richtte hij de Chorale Caecilia op die hij tot in 1968 onafgebroken onder zijn leiding had. Met dit koor verwierf hij zich een buitengewone faam in geheel het land en zelfs in het buitenland en vaak met een zeer modern repertoire. In 1921 dirigeerde hij het Beethovenfestival van de stad Antwerpen en vestigde definitief zijn faam als orkestleider. Hij werd aangesteld tot dirigent van de “Nieuwe Concerten” en van de Concertvereniging van het Antwerps Conservatorium bij haar oprichting in 1935. Van 1944 tot 1952 was hij bovendien directeur van dit Conservatorium.
Gezien zijn activiteit als koordirigent gedurende meer dan een halve eeuw, is het niet te verwonderen dat een belangrijk deel van zijn composities tot het vocale domein behoort. Nochtans heeft hij het instrumentale vak niet verwaarloosd.
Onder zijn activiteit als koordirigent gedurende meer dan een halve eeuw, is het niet te verwonderen dat een belangrijk deel van zijn composities tot het vocale domein behoort. Nochtans heeft hij het instrumentale vak niet verwaarloosd.
Onder zijn symfonische werken neemt het vioolconcerto een bijzondere plaats in. Het is inderdaad een rijp werk. Het werd gecomponeerd in 1943 en in het voorjaar van 1944 en de orkestratie werd voltooid te ’s Gravenwezel, de woonplaats van de toondichter, op 7 mei van dat jaar. De eerste uitvoering volgde op zaterdag 20 mei 1944 in de zaal van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg tijdens een concert dat integraal gewijd was aan het werk van De Vocht. De componist dirigeerde het orkest van het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium en Carlo Van Neste was de solist.
Niets in dit werk laat vermoeden dat het geschreven werd tijdens de somberste oorlogsmaanden. Het is inderdaad uitermate optimistisch getint. De partituur die opgedragen werd aan Prins Charles-Louis de Croy, zijn petekind, heeft een traditionele drieledige opbouw. Elk van de bewegingen is gebouwd op twee korte thema’s of motieven.
Het Allegro energico (2/4 – mi klein) laat van bij de aanvang het koene en vastberaden eerste thema krachtig in de bassen horen. Het wordt door de solist met forse dubbelgrepen overgenomen en houdt de overhand over het uitbundig tweede motief. Het afwisselend spel voert naar een uitgebreide en dankbare solocadens die op een zacht betoverende wijze uitmondt in de coda, waarin de kracht van het hoofdthema nochtans het laatste woord krijgt. Het Andante (4/4, Ut groot) vormt het expressief hoogtepunt. Na een ingetogen inzet van de strijkers in pizzicati, met wat zal uitgroeien tot het blijde tweede thema, neemt de solopartij de leiding. Als een leeuwerik trekt hij steeds weer de hoogte in. Poëtische droom en subtiele tederheid naast warme […] kenmerken haar dialogen met het orkest. Het einde van dit deel baadt in een zachte gloed van supreem geluk. De melodische wervingen herinneren aan de liedcomponist die De Vocht eveneens is. In de Finale, Vivace (2/4, Mi groot) staat een huppelend motief in contrast met het tweede thema uit de trage beweging, dat hier echter wonderwel is aangepast aan het snelle tempo en als het ware een metamorfose onderging. De blijde en spontane uitgelatenheid klinkt als een ontlading na de lyrische spanning van het voorgaande. Geheel deze beweging zit immers in zekere mate het karakter van een dans, waarbij de solist andermaal in een solocadens de gelegenheid krijgt zijn kunde ten toon te spreiden, zonder dat de virtuositeit ooit gezocht aandoet.
Milde zangerigheid en opgewekte geestdrift zijn de hoofdkenmerken van deze geïnspireerde compositie: zij illustreert treffend de levendige ingesteldheid van de componist voor wie de kunst in dienst staat van geest en gevoel.
(Uitgave: de reductie voor viool en piano bij Salabert, Parijs)
Luc Leytens (typoscript, s.a.) - SVM