Boutmy, Josse
Biografie
Josse Boutmy was een zoon van Jacques (Jacob) Boutmy (1646?–1722) en Barbara de la Plancke, ook vermeld als de la Planche en Delaplancque. Zijn oudere broer Jacques (Judocus) Adrien Boutmy (1683–1719) was organist van de collegiale kerk Sint-Michiel en Sint-Goedele in Brussel. Josse vestigde zich voor 1720 in Brussel, waar hij in 1729 het burgerrecht verwierf.
Op 21 januari 1721 huwde hij in de Brusselse Sint-Niklaaskerk met Katharina Janssens, die in 1735 overleed (Clercx vermeldt verkeerdelijk 1835). Uit dit huwelijk werd op 14 november 1721 een eerste kind geboren, Jean-Baptiste. Na het overlijden van Katharina hertrouwde Josse Boutmy met Katharina de Katzmann, met wie hij elf kinderen kreeg. In totaal had Boutmy zestien kinderen, van wie zeker drie zonen als musici carrière maakten: Guillaume (1723–1791), Jean-Baptiste Joseph (1725–na 1799) en Laurent-François (1756–1838). Hij hield een Livre de raison bij, volgens Clercx ‘bewaard door de Russische tak van de familie’, met genealogische aantekeningen uit de periode 1721–1759 maar zonder muzikale informatie.
Vanaf 1736 was Josse Boutmy als klavecinist in dienst van de prins van Thurn en Taxis. Een jaar later verschijnt hij in de rekeningen van het hof van Arenberg, waar hij klavecimbellessen gaf aan een prinses. Zijn loopbaan in Brussel strekte zich uit over meer dan drie decennia: van 1744 tot 1777 was hij eerste organist van de vorstelijke kapel. In een brief van 1755 aan de raad van Financiën noemt hij zichzelf ‘maître de clavecin de la chambre du Prince’, en in een verzoekschrift van 1756 vermeldt hij dat hij ‘het geluk heeft gehad als leerlingen al de jonge heren en dames van het hof te hebben.’ Hij ging in november 1777 met pensioen en overleed twee jaar later, op 82-jarige leeftijd. Zijn begrafenisdienst vond plaats op 30 november in de hofkapel.
Boutmy was een gerespecteerde figuur in het Brusselse muziekleven. Zijn muzikale netwerk omvatte onder anderen De Croes, Rottembourg, Godecharle en Van Maldere, die afwisselend peter waren van zijn kinderen. Hij was verwant met de families Vicedomini en Loeillet. In latere jaren verzwakten zijn contacten met het Brusselse muziekmilieu; De Croes verhinderde zelfs dat een van zijn zonen een post aan het hof kreeg. Na zijn dood bleef zijn weduwe nog enige tijd in Brussel wonen, maar zij trok uiteindelijk naar Osnabrück, volgens Clercx ‘in volle ellende.’
Josse Boutmy liet drie boeken met klavecimbelwerken na: het Première livre de pièces de clavecin (Parijs, 1738), het Second livre de pièces de clavecin (Parijs, ca. 1740–1744) en het Troisième livre de pièces de clavecin (Brussel, ca. 1750). Eitner vermeldt daarnaast Petites suites de pièces de clavecin (Brussel, 1736–1738) en Six grands concerts pour le clavecin (Amsterdam, Markordt). Van zijn hand is ook een cantate uit circa 1749 bekend, vermoedelijk geschreven ter gelegenheid van de terugkeer van Karel van Lotharingen naar Brussel. Delen uit het eerste en derde klavecimbelboek werden gepubliceerd in Monumenta Musicae Belgicae (1943, zie bibliografie).
Zijn klavecimbelmuziek getuigt van een uitgesproken Franse invloed, vooral van Couperin, Rameau en Dandrieu. De bundels bevatten karakterstukken en huldewerken met beschrijvende titels als La Fanfarinette, La Réveillante, L’Obstinée, Le Bruit de guerre, Le Postillon allemand, La Dandrieux en La Saumis, naast gestileerde dansvormen als allemande, courante, menuet en gigue. De ornamentiek sluit nauw aan bij die van de Franse klavecinisten.
Het eerste boek bestaat uit relatief eenvoudige, tweedelige stukken die volgens de inleidende tekst ‘gemakkelijk uit te voeren en binnen ieders bereik’ zijn. De tweede en derde bundel hebben een dramatischer karakter, met meer beschrijvende titels en het gebruik van vroege sonatevormen. Boutmy’s stijl verenigt Franse verfijning met Italiaanse elementen en Handeliaanse passage-techniek. In zijn latere werk treedt de invloed van Handel en Domenico Scarlatti nog sterker op de voorgrond. Vanaf 1750 klinkt ook de galante stijl door: modulerende formules, verbrokkelde thematiek, Italianismen, echo-effecten, chromatiek en onverwachte harmonische wendingen. Volgens Clercx is het ‘een kunst die zoekt te verbazen, te verrassen.’
Hoewel Josse Boutmy zijn loopbaan grotendeels als organist doorbracht, is geen orgelmuziek van hem overgeleverd. Suzanne Clercx wijt dit aan het improvisatorische karakter van het orgelspel in zijn tijd, in contrast met de geschreven, verfijnde stijl van de klavecimbelmuziek. Boutmy’s oeuvre markeert het overgangspunt tussen de Franse klavecimbelschool en de galante, ‘empfindsame’ stijl van de generatie van Carl Philipp Emanuel Bach (1714-1788).
Audio en video
Suite in d, Op.2/3
Première suite: Ouverture - Vivace
Allemande from 1re Suite (3me livre)
Bibliografie
Anderen over deze componist
- Clercx, S., in Watelet, J.: Josse Boutmy, Werken voor klavecimbel, Monumentae Musicae Belgicae, 5e jaargang, Berchem-Antwerpen, 1943.
- Clercx, S..: Boutmy Familie, in: Finscher, L.: Die Musik in Geschichte und Gegenwart, Kassel, 2003.
- Clercx-Lejeune, S. & L. Reece Baratz: Boutmy family. Grove Music Online. Bezocht 2 oktober 2025.
- Eitner, R.: Biographisch-Bibliographisches Quellen-Lexikon der Musiker und Musikgelehrten der christlicher Zeitrechnung bis Mitte des neunzehnten Jahrhunderts, Graz, 1959.
- Fétis, F.-J.: Biographie universelle des musiciens et bibliographie générale de la musique, Parijs, 1878.
- Levaux, Th., Dictionnaire des compositeurs de Belgique du moyen âge à nos jours, Ohain-Lasne, 2006.
- Robijns, J., & M. Zijlstra: Algemene Muziek Encyclopedie, Haarlem, 1979-1984.
- Vander Straeten, E.: La musique aux pays-bas avant le XIXe siècle, Brussel, 1867.