Ga verder naar de inhoud

Karel Albert studeerde aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium van zijn geboortestad en volgde privélessen bij pianist-componist Marinus de Jong. Na de Eerste Wereldoorlog wierp hij zich samen met August L. Baeyens op tot een van de voorvechters van avant-garde, via concerten, voordrachten, congressen en de publicatie van artikels in tal van tijdschriften. In de jaren 1920 maakte hij naam als componist van toneelmuziek bij producties van Het Vlaamse Volkstoneel en het Théâtre du Marais. Waar zijn toneelmuziek sterk expressionistisch geladen was, evolueerde hij vanaf de tweede helft van de jaren 1920 naar wat hij ‘constructivisme’ noemde: ‘Dat was muziek die absoluut zuiver muziek wou zijn, lijnen die niets anders dan een plastische waarde vertegenwoordigen.’

Nadat hij een tijd les had gegeven aan de Stedelijke Normaalschool in Antwerpen, trad hij in 1933 in dienst van het NIR (Nationaal Instituut voor de Radio-Omroep). Op een onderbreking tijdens Wereldoorlog II na bleef Albert in dienst van de NIR (vanaf 1960 BRT: Belgische Radio en Televisie) tot zijn pensioen in 1961. In die functie engageerde hij zich sterk voor Vlaamse muziek; ook programmeerde hij operettes in Nederlandse vertaling. Vóór WO II schreef hij voor de radio verschillende luisterspelen, te beginnen met De mijnramp.

Tijdens de oorlog, die hij dus werkloos doorbracht, zocht hij naar eigen zeggen ‘in zijn muziek een wereld die hem rust schonk’ en evolueerde hij van een expressionistische naar een versoberde neoklassieke stijl. In die periode componeerde hij onder meer drie symfonieën, een strijkkwartet en het ballet De toverlantaarn dat pas in 1946 in de Koninklijke Vlaamse Opera werd gecreëerd. In zijn opera buffa Europa ontvoerd (1950) blikte Albert nog één keer naar het verleden, maar vanaf het ballet Het tornooi (1953) componeerde hij atonaal en evolueerde hij naar de seriële dodecafonie. Als meest geslaagde werken uit die periode noemde Albert Werkstuk voor altviool en blazerskwintet, Quatuor voor saxofoons, Andante-constructie voor snaren en de Derde sonatine voor piano. Na zijn pensioen sloot hij in 1962 met de suite In den beginne was het woord voor bariton en orkest zijn dodecafonische periode af. Met Kwintet voor houtblazers (1963) en Kwartet voor kopers (1964) exploreerde hij de modi van Olivier Messiaen. Albert kwam geleidelijk tot het inzicht ‘dat elk stelsel zijn bijzondere aspecten en zijn bijzondere kwaliteiten heeft’ en in zijn Symfonie nr. 4 (1966) vermengde hij dan ook verschillende stijlen. Alberts waardevolle en diverse oeuvre wacht op onderzoek en uitvoeringen. Hij was ook zeer actief als musicograaf en liet veel teksten en recensies na.

Het beestenspel is een suite met parodiërende evocaties van circusdieren. De parade van de bijzondere dieren wordt ingeleid door circusachtige muziek die na de dierenparade wordt hernomen. Bijzonder is dat de orkestsuite creatief werd aangepast aan het prille medium dat de radio toen nog was en voorzien werd van een tekst die vóór en tussen de delen door werd gedebiteerd door een circusdirecteur of een spreekstalmeester. Armand Suls (1893-1948), een onderwijzer die teksten voor de jeugd schreef, leverde de Nederlandse tekst, terwijl de journalist en radiopionier Théo Fleischman (1893-1979) de Franse tekst schreef. Beide auteurs schreven ieder een eigen tekst, elk gelardeerd met spitsvondigheden en geestigheden.

De eerste uitvoering werd op 28 november 1993 gespeeld door het Orkest van het NIR onder de leiding van Jean Kumps; Armand Suls bracht toen zijn eigen tekst. Latere uitvoeringen vonden plaats in 1957 door het Kamerorkest van het NIR o.l.v. Jef Verels, in 1973 door het Kamerorkest van de BRT o.l.v. Fernand Terby en op 4 december 1998 door het Vlaams Radio-Orkest o.l.v. David Porcelijn. Na WO II werd het werk ook in enkele Europese landen uitgevoerd. Albert maakte zelf de pianotranscriptie van het werk.

Facsimile van een exemplaar uit de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium van Antwerpen (KVC 114246). Deze uitgave kadert in een erfgoedproject gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap. De orkestpartijen kan u bekomen bij het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek

Dewilde, J.: [Nederlandse inleiding bij Höflich-cataloognummer 2646, 2024].