Duvosel, Lieven

Gent, 14/12/1877 > Sint-Martens-Latem, 20/04/1956

Historische teksten

Lieven Duvosel in Muziek-Warande

door Emiel Hullebroeck

Duvosel is een Gentenaar, zooals ik. Juist dààrom wil ik over hem schrijven. Wij studeerden niet samen. Duvosel begon een paar jaren na mij, meen ik, hoewel hij een weinig ouder is. Wij hebben elkaar niet dikwijls persoonlijk ontmoet, maar we kenden elkaar. We stonden zelfs een tijdje lijnrecht tegenóver elkaar. Het was in het vooroorlogsche bloeitijdperk van den koorzang te Gent. Daar waren De Melomanen, De Vereenigde Werklieden, De Marxkring, mijn Gentsch A Cappellakoor, en er heerschte een geweldige naijver tusschen kringen, zangers, leiders, ... naijver, die trouwens leidde tot grooten bloei en heerlijke vruchtbaarheid. Duvosel specialiseerde zich eenigszins in den mannenkoorzang; hij had spoedig den naam een zeer goed leider te zijn, vol geestdrift en toewijding. Maar hij duldde niet, dat een ander hem in den weg stond. Zijn zelfvertrouwen was zóó groot, dat hij niet aarzelde te verklaren alles aan te durven, en er kranig aan toevoegde, dat niemand het beter kón dan hij.

Zelfoverschatting? Zij was wellicht de oorzaak, dat hij soms een beetje spot had te verduren. Hij componeerde toen nog niet; althans men kende hem nog niet als componist, en niemand kon dus voorspellen wat er eigenlijk in den àl te overmoedigen Gentenaar school. Enkele jaren vóór den oorlog verdween Duvosel uit Gent, zonder aan iemand te zeggen wat hij wilde beginnen. Hij trok naar Parijs, om daar te studeeren, en kwam er onder de leiding van Lenepveu, Caussade en Fauré, aan het Parijsche Conservatorium ... Tot in 1908 ons te Gent het nieuws bereikte van het groote sukses, dat één van Duvosel' s werken in het Trocadero was te beurt gevallen, een kwartet, La Charité, dat gezongen was geworden door artisten der Opera, en dat door de Fransche pers zeer gunstig werd besproken. Naderhand werden nog andere compositiën van hem ten gehoore gebracht, in de Concerts Touche en bij Colonne, doch groote weerklank er van bereikte de Gentenaren niet. Trouwens, Duvosel bleef niet in Frankrijk; hij was wellicht van oordeel, dat een grootere assimilatie der Latijnsche muziek zijn aanleg niet voordeelig zijn kon. Zijn studiën waren, ten andere, tot de verste grenzen doorgezet en dan was het zaak op eigen vleugels te vliegen. Hij kwam terug naar Gent. De oorlogsjaren brachten hem gelegenheid tot uitdieping en bezinking, en toen op een gegeven oogenblik - ik meen einde 1915 - een paar zijner symphonische werken te Gent werden uitgevoerd, begon men Duvosel van een geheel andere wijze te beschouwen en ook te waardeeren.

De geestdriftige natuur, die Duvosel was, kon natuurlijk niet weerstaan aan den drang, om ook, door zijn kunst, mede te werken aan de Vlaamsche levensopwelling, en 't was onder zijn bezielende leiding, dat tijdens de bezetting menige Vlaamsche plechtigheid werd opgeluisterd. De wapenstilstand deed hem de wijk nemen over de grenzen, hoewel hij zich niets te verwijten had. Hij werd trouwens nooit lastig gevallen, wat wellicht wél het geval zou zijn geweest, ware hij te Gent gebleven, want Duvosel was een overtuigd Vlaming en wij weten allen, dat dit voldoende was om in den tijd der franskiljonsche terreur te worden aangepakt. Die uitwijking had een geweldigen nasleep. Duvosel kende met de zijnen de zwartste armoede, maar ook dàt kon hem niet neerdrukken. Met zijn dappere gade bood hij het noodlot manmoedig het hoofd, jaren lang, zwoegend en slavend om zijn beide kinderen groot te brengen; en hij wist er zich zóó door heen te werken, dat ook de erkenning niet uitbleef van zijn groot talent, want, ik verhaast mij het te verklaren: Duvosel is een componist van dusdanig gehalte, dat hij zéér velen, die wij thans laten doorgaan als behoorende tot de besten, volledig in de schaduw zou kunnen stellen. Indien ik mij aan een voorspelling mag wagen, dan zeg ik: er zal een tijd komen, waarop Vlaanderen beschaamd zal zijn, dat het deze opkomende grootheid niet heeft weten te waardeeren. Zijn werk zal den roem onzer Vlaamsche muziek verbreiden en verhoogen, véél meer en véél verder, dan dit tot nog toe het geval was. De bittere strijd voor 't leven bracht Duvosel op den rand van het graf. Hij werd zeer zwaar zenuwziek en meer dan een vol jaar bleef hij in de Kennemerkliniek te Haarlem, onder het voortdurend toezicht van den bekenden zenuwarts, Dr. Dezy. - Hij mocht - God zij dank! - volkomen herstellen; en toen ik hem, korten tijd geleden, terugvond, - na meer dan 20 jaren! - stond hij vóór mij in volle gezondheid, blakend van dezelfde ontembare geestdrift, die hem vroeger kenmerkte. Hij werkt thans weer aan allerlei nieuw-opgezette compositiën; hij staat aan het hoofd van één der beste Nederlandsche mannenkoren, - Zang en Vriendschap, te Haarlem; - hij geeft concerten zonder tal; hij begaf zich met zijn koor naar Londen en zal binnenkort ermede concerteeren te Keulen en te Zürich; hij is bestuurder van Toonkunst te Haarlem; werkt samen met het Residentie- en het Concertgebouworkest en geeft ook een meester-cursus voor componisten en dirigenten, die door een aantal vooraanstaande musici wordt gevolgd. Intusschen werkt hij dapper voort, om al zijn compositiën klaar te maken voor de uitgave, want, behalve enkele, kleinere stukken, voor Vlaanderen en Nederland bestemd, wordt alles uitgegeven, -ook de lijvige orkestpartituren, - door de firma Breitkopf en Haertel te Leipzig. Een zeventigtal werken zullen aldus het licht zien!

Wat een eer, niet waar? Tot nog toe heeft die beroemde firma dat slechts voor één Belg gedaan: Tinel!...

DUVOSEL ALS COMPONIST. - Een bouwer! Een architekt! Wat hij schrijft, staat stoer en vast in vorm en lijn; en dit is een hoedanigheid, die wij gaarne op den voorgrond zien. Hij is verder een geboren melodist, die niet meedoet aan ultra-moderne buitensporigheden, welke in veel gevallen de bedroevendste onkunde moeten bemantelen, doch zijn palet bezit haast alle denkbare kleuren-mengelingen: een rijkdom zonder weerga! Wij roemden hem hooger als specialist in den koorzang, doch de manier, waarop hij zijn thema's uitwerkt, en vóóral de kleurenweelde waarmede hij orkestreert, zullen zijn compositiën tot ongewone volmaaktheid en blijvende waarde weten te brengen. Zijn koorwerken uit den Parijschen tijd (La Charité, La Bataille de Valmy, e. a.), geven blijk van die volledige stemmenbeheersching; maar zij dragen ook reeds in zich de kenmerken van ongewone opvatting en vormschoonheid. Zijn symphonisch werk van lateren datum komt die hoedanigheden versterken; wij vinden hier meer rijpheid, meer bezonkenheid, meer kleurenpracht. Duvosel's standaardwerk is een Leie-Cyclus in vijf deelen: 1. De Morgen (veel in Duitschland uitgevoerd, o. a, te Berlijn, onder R. Hagel; te Leipzig, onder Nikisch; te Hamburg, onder de Hausegger; te Weenen, onder Richard Strauss, enz.); 2. De Leie; 3. De Liefde aan de Leie; 4. Kerstnacht aan de Leie; 5. Het Leieland. Het werk houdt het midden tusschen een oratorium en een symphonisch gedicht en de verzen werden geleverd door den Gentenaar Johan Lefèvre. Het is na de uitvoering van dit werk, dat Nikisch aan de firma Breitkopf schreef: “Duvosel ist ein koloristisches Talent ersten Ranges, mit fantasie und gesmack. Die symfonische Skizze: “De Liefde aan de Leie”, welche ich im letzten Berliner Philharmonischen konzert aufführte, hat mir aüsserordentlich gefallen!”

Is De Morgen reeds veel ten gehoore gebracht, toch denk ik dat nog grooter belangstelling zal gaan naar Kerstnacht aan de Leie (in memoriam Peter Benoit), opgevat voor sopraan, tenor en baryton solo, groot gemengd koor, mannen- en knapenkoor, groot orkest, orgel, celesta, carillon, trompetten, enz. Het is een brok muziek van groote beteekenis. Een werk, dat ongewoon hoog dient te worden aangeschreven, is Sanctus, reeds bij Breitkopf verschenen, een onderdeel van een groote mis, waaraan Duvosel thans werkt. Dit Sanctus is een monument, waarin de toondichter zijn stemmenkennis met ongewone kracht heeft laten spreken. Dat is, zonder overdrijving gezegd, een compositie van meesterlijke vlucht.

Andere groote symphonische werken heeten:
De Navond, symphonisch gedicht (in memoriam G. Gezelle).
Wereldwee, muzikaal tafereel voor bas solo en groot orkest.
Eerste Symphonie (Jeugd, Levensstrijd, Hoop en Vertrouwen), een greep uit eigen leven.
Tweede Symphonie (Het eeuwig Lied der Zee).
Derde Symphonie, Preludium, Choraal en DubbelFuga.
Gilliat, symphonisch gedicht, naar Les Travailleurs de la Mer van Victor Hugo.
Van kleinere werken als liederen, koren, enz., kan hier niet gerept worden. Alléén zou ik nog naar voren willen brengen zijn sublieme verklanking van het gedicht Zee, van August Vermeylen, geschreven voor bas of contralto en groot orkest. Duvosel’s muzikale productie is reeds zóó omvangrijk, dat in een kort bestek als dit opstel niet alles kàn worden aangeraakt, zooveel te meer daar wij nog een woord willen zeggen over: 

DUVOSEL ALS DIRIGENT.- Benevens den componist moet inderdaad ook de dirigent besproken worden. Wij weten, dat niemand beter dan Duvosel de koormassas kan bezielen. De bewijzen daarvan liggen voor 't grijpen, en het enkele feit dat hij, een Vlaming, aan 't hoofd werd geplaatst van de sterkste en meestbefaamde Nederlandsche mannenkoren, legt daarvan een voldoend getuigenis af. Maar wij dienen nog te wijzen op den orkest-dirigent, die voor den koorleider volstrekt niet onderdoet. Hij bezit het geheim om de edelste schakeeringen naar voren te brengen met een uiterst verfijnde subtiliteit; doch daarnevens kan hij zóódanig de orkestmassas bezielen, dat donder en storm oploeien, alles overweldigend. Bezieling! Is dit niet de voornaamste en kostbaarste eigenschap van den dirigent? Bezieling en geestdrift heeft Duvosel te over en hij weet die als geen ander de uitvoerders mede te deelen. In Holland - vooral in de laatste jaren - heeft hij bewezen, dat hij een leider is van de bovenste plank, zoowel voor zuiver orkestwerk als voor oratoria, enz.; en 't zou mij geenszins verwonderen hem morgen of weldra aan 't hoofd te vinden van de beste Nederlandsche orkesten.

Ik moet besluiten. Duvosel viert volgend jaar zijn 40-jarig jubelfeest als componist. Zal men dit hier onopgemerkt laten voorbijgaan? Neen, dat ware een schande! Wij moeten onzen Duvosel binnenhalen én zijn roem op Vlaanderen doen terugstralen. Welaan, Vlaamsche Concerten, Nieuwe Concerten, Dierentuinconcerten, Conservatoria van het Vlaamsche land, breng een of meer werken van dezen Vlaming op uw programma's; of, beter nog, noodigt hem uit zelf te komen leiden. De miskenning heeft lang genoeg geduurd! Helpt den volke verkonden, dat de Vlaamsche muziek leeft, bloeit en levensblij vooruitrukt en opwiekt naar de hoogste toppen en de wijdste verten!

Emiel HULLEBROECK.

Hullebroeck, E.: Lieven Duvosel, in: Muziek-Warande, jrg. 9, nr. 1, januari 1930, p. 1-4.