Ga verder naar de inhoud

XX. - EDWARD KEURVELS, HET "DUVELTJE"

Tot slot een paar opstellen nog over de man die ruim twintig jaar lang zulke vooraanstaande plaats heeft ingenomen in het Antwerps muziekleven over Edward Keurvels, om zijn bruisende vitaliteit, algemeen bekend als het "duveltje".

Het “duveltje” kwam uit de onderste lagen van de Antwerpse samenleving, uit de volkse Boeksteeg van het Sint Andrieskwartier. Daar woonden in een nietig huisje, vader die schoenmaker was, en moeder, naaister, en zag het “duveltje” op 3 maart 1853 het daglicht. Als de vierde of de vijfde uit een reeks van veertien kinderen. Een berooid sukkelaartje zonder toekomst en met veel armoede in het vooruitzicht.

Zoals dat in de volksklas gewoonte was, was ook hier de kleine voorbestemd om de stiel van de vader uit te oefenen. En, eveneens volgens het heersend gebruik, zou hij school mogen lopen tot aan zijn Eerste Communie.

In de buurt echter woonde een zekere Jan Moreel, aangeschreven als komponist. De kleine Keurvels kwam er mee in aanraking en ongetwijfeld ontdekte Moreel in hem een ongewone muzikale aanleg. Wat er van zij, de man gaf het jongetje weldra lessen in orgel en klavier en, vermits ondertussen ontdekt werd dat de kleine van natuur een mooi sopraanstemmetje had meegekregen, werd hij aangeworven als koorzangertje in de Sint Joriskerk.

Daarna is hij zanglessen gaan volgen aan de Antwerpse Muziekschool onder de leiding van Jos Mertens, om ten slotte te belanden bij Peter Benoit die zijn leermeester werd. Ziedaar de jongen uit de Boeksteeg op weg voor een muzikale loopbaan. Een loopbaan nochtans die voorlopig niets bijzonders voorspelde.

Maar de kleine Keurvels had ambities. Hij wou méér worden dan een ondergeschikte, méér dan een der naamloze instrumentisten uit een of ander orkest. En zo wordt hij, op 21 jaar, plots een heus kapelmeester. Van 1874 tot 1875 van de volksmaatschappij "De Ware Sinjoren", gevestigd in het vermaarde lokaal 'In den Sebastiaan' aan de IJzeren Waag.

Rond diezelfde tijd wordt in Antwerpen door Benoit en Van de Ven het eerste 'Nederlandsch Lyrisch Tooneel' gesticht, dat zijn voorstellingen zal geven in de Variétés. Na vier weken is het met deze onderneming afgelopen. Maar in de Antwerpse muziekmiddens blijft men over het lyrisch toneel als kunstuitdrukking piekeren. Velen beschouwen het lyrisch muziekdrama als een genre dat weldra algemeen zal bijgetreden worden, op dat ogenblik reeds een geduchte mededinger van de opera is, uiteindelijk zelfs de opera zal verdringen.

Ongetwijfeld onder de invloed van Benoit, denkt ook de jonge Keurvels er zo over. Weldra zal hij er zich daadwerkelijk kunnen voor inspannen. De Vlaamse Schouwburg hield er toen, en dit sinds jaren, een orkestje op na dat tot taak had de pauzen tijdens de vertoningen op te vrolijken met zijn muzikaal lawaai.

In 1881 speelt de ondernemende Keurvels het klaar aangesteld te worden als leider van dit klein orkest. Het volgende jaar sluit hij zijn eerste kontrakt af als orkestmeester met de bestuurder Van Doeselare.

Hij is er intussen in geslaagd de oude boel op te ruimen en leider te worden van een orkest van niet minder dan vijftig man. Hoe hij dat met de voorzichtige 'Does' heeft klaar gesponnen, blijft een raadsel. Hoe dan ook, het orkest was er en, nog geen dertig jaar oud, is de zoon van het armtierig gezin uit de Boeksteeg, orkestmeester aan de officiële Nederlandse Schouwburg van Antwerpen.

'Den Does' zal weldra ervaren welk een 'duveltje' hij in zijn rustig huis heeft binnengeloodst. Nauwelijks is zijn orkestmeester een tijdje aan slag, of hij komt aangedragen met een lyrisch drama Parisina, een eigen kompositie op een drama van Frans Gittens. Het wordt opgevoerd tijdens het speeljaar 1887-1888.

Een paar jaar nadien, in 1890, weet de rusteloze orkestmeester, de oude Does zo te bepraten, dat deze er in berust een viertal lyrische drama's op het speelplan te brengen, nl. Preciosa, van Weber ; Stella van Waelput ; Jeanne d'Arc, van Gounod, en Charlotte Corday, van Benoit.

Men steekt van wal met Charlotte en, hetgeen niemand had durven verwachten, het werd een triomf. Gans Antwerpen stroomde naar de schouwburg aan de Kipdorpbrug voor Charlotte Corday, met Bouwmeester als Marat, en Julia Cuypers in de titelrol.

Herinneren wij er aan dat tijdens de eerste wereldoorlog dit lyrisch drama van Benoit nogmaals dezelfde bijval kende en een reeks van tien voorstellingen beleefde onder de leiding van Karel Candael.

De rol van Marat werd toen vertolkt door Laroche die ook de regie verzorgde. En, evenals een kwart eeuw vroeger, was het nogmaals Julia Cuypers die als Charlotte optrad. Overigens, een onvergetelijke Charlotte...

Jammer genoeg was het, in 1890, na het sukses van Corday gedaan met de belangstelling van het schouwburgpubliek. Doch, men zou volharden, herbeginnen het volgend speeljaar. En toen werd het een ware ramp. Na een derde voorstelling van een minder bekend werk, kreeg het orkest dat betaald werd op basis van de ontvangsten, amper een som van 215 F te verdelen. Daarop werd de Does bevangen door een panische schrik en zette hij de proefneming niet verder.

Het scheen beslissend gedaan met het lyrisch drama.

Gediend door het lot vond Keurvels er toen wat anders op.

In de 'Royal' was tussen de direkteur en zijn orkest een geschil uitgebroken omwille van een loonkwestie. Men kwam niet akkoord en bijna al de orkestleden besloten er het bijltje bij neer te leggen. Zo kwam, zeer onverwacht, een geschoold orkest beschikbaar. Keurvels bracht het naar de schouwburg der Kipdorpbrug, zette het daar aan het werk in dienst van zijn eeuwig Lyrisch Toneel. Er kon een overeenkomst met Van Doeselare gesloten worden die zich bereid verklaarde zijn zaal beschikbaar te stellen op de maandagavonden (die hem toch niets opbrachten) en desnoods ook nog op de donderdagen, indien het mocht blijken dat de heren met hun lyrisch drama sukses hadden.

Het is hen niet meegevallen. Feitelijk liepen ze van de drop in de regen... De onderneming moest worden opgegeven. Tot in 1893 op een gans andere basis tot een nieuwe poging werd overgegaan. Met naam een Lyrisch Toneel, maar in feite een Opera. Na aanvankelijk met Fontaine de direktie te hebben waargenomen, bleef Keurvels nadien en uitsluitend orkestmeester en artistiek leider. Feitelijk een 'duvel-doet-al', want was bovendien nog regisseur en vertaler van de libretti, onder de schuilnaam van E. Druward. Hij heeft dat volgehouden tot 1899 wanneer hij een eerste maal ontslag nam en als orkestleider werd vervangen door Wambach.

Hij keerde terug in 1902 en bleef tot in 1908 wanneer hij een tweede maal en ditmaal definitief ontslag nam ingevolge velerlei kritiek op zijn werk uitgebracht, en van een onderduimse werking tegen hem gericht, naar het schijnt van de toen in Antwerpen almachtige Duitse kolonie.

Julius J. B. Schrey volgde hem op aan de lessenaar en deed er lange jaren zijn werk als dirigent, gewetensvol en nauwgezet. Een paar jaar na de stichting der Vlaamse Opera, op 24 januari 1895, stelde de Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde die toen tot grootse herbouwingswerken van de Antwerpse Dierentuin overging, Keurvels voor een orkest samen te stellen en te leiden, voor het inrichten van koncerten voor hare leden.

Gedurende de zomermaanden in de tuin en, na voltooiing van de grote feestzaal die in aanbouw was, tijdens de wintermaanden, in deze nieuwe zaal. Het voorstel ging uit van Michel Lhoëst, bijgevoegd direkteur en zoon van de toenmalige bestuurder F. Lhoëst. Het ging hier om het inrichten van harmoniekoncerten. Keurvels ging op het voorstel in. Doch, instede van harmoniekoncerten verkoos hij er symfonische. Lhoëst was het daarmede eens.

Nadat hij in 1895 aangesteld was tot leider van de Dierentuin-koncerten, heeft Keurvels zich beijverd om in deze voor hem nieuwe funktie, het Antwerps koncertleven tot een hoog peil op te voeren. De wekelijkse woensdagavonden werden voor de leden van de Dierentuin als zovele revelaties op muzikaal gebied. Alle komponisten van betekenis kwamen er aan de beurt, en naast een Grieg, een Franck en een Berlioz, schrok Keurvels er niet voor terug, in het Fransgezind midden der toenmalige Zoo de aandacht op te eisen voor Vlamingen als Waelput, Blockx, Wambach, De Mol ...

De nieuwe zaal der Zoo was ondertussen plechtig ingehuldigd op 25 juli 1897 door een luisterrijk koncert, waarvan het eerste deel, onder de direktie van Keurvels, gewijd was aan werk van Gilson, Blockx en Tinel ; en het tweede deel aan een uitvoering der Rubenskantate onder de leiding van Benoit zelf.

Vervolgens had de ondernemende Keurvels het vokaal ensemble Arti Vocali opgericht dat hij tot hoge bloei bracht en dat hem weldra van zulke grote dienst zou zijn voor zijn Benoituitvoeringen. Ongetwijfeld was hij als jonge man nog, reeds in nauw kontakt met Benoit die overigens zijn leermeester was. Zijn leven lang heeft hij hem trouwens onvermoeibaar gediend en... verdedigd.

En de toewijding was wederkerig. Korte tijd nog vóór de dood van de Vlaamse meester, nam Keurvels zelfs op verlangen van Benoit, het ambt van sekretaris van het Konservatorium op zich. En dat was geen sinekuur met een man als Benoit. En slechts een man die in hem volkomen geloofde en voldoende onderlegd was in de kunst van de polemiek, kon zoiets aan. Want voor Benoit, zijn werk en zijn opvattingen moest gedurig gevochten worden. Met het woord en met de pen. Nu, dat was iets voor het immer tot de strijd bereide, vurige Duveltje.

Nauwelijks enkele maanden na Benoit's afsterven stichtte Keurvels het Peter Benoit-Fonds, het genootschap dat openstond voor alle Vlamingen, en dat zich tot doel stelde de uitgave van alle werken van Benoit te verwezenlijken, en jaarlijks in de maand augustus, een van Benoit's werken uit te voeren onder de leiding van Keurvels, in de grote zaal van de Dierentuin.

Ook in dát opzet was nogmaals Michel Lhoëst (intussen direkteur van de Dierentuin geworden), de man waarop honderd procent mocht gerekend worden.

De eerste avond door het Fonds verzorgd, was gewijd aan een uitvoering van De Oorlog. Zij greep plaats voor een tot barstens gevulde, entoeziaste zaal.

En ieder jaar daaropvolgend, telkens op een avond der maand augustus, wanneer achtereenvolgens ander werk van de Meester aan de beurt kwam, werd het een zelfde triomf, voor Benoit en voor de dirigent.

Uit die tijd dateren overigens de grandioze uitvoeringen van de Rubens-kantate, in open lucht, op de Groenplaats. En, enkele weken nog vóór het uitbreken van de eerste wereldoorlog, trok Keurvels voor een uitvoering van diezelfde Rubenskantate, op 20 juli 1914, met een indrukwekkend legertje zangers en instrumentisten, in totaal twaalfhonderd in aantal, naar Brussel, naar de grote zaal van het Feestpaleis aldaar. En weder werd het een triomf. Het Beiaardlied moest zelfs verschillende malen herhaald worden.

Dit festival werd besloten met de uitvoering van Benoit's kinderkantate De Wereld in. Voor het jaarlijks augustusfestival in 1914 was een uitvoering aangekondigd van Lucifer. Oorlogswolken dreven nader, maar Keurvels wou ze niet zien. In de Zoo werd gerepeteerd als gewoonlijk. Nochtans deden enkele orkestleden daar reeds hun werk in militair uniform.

Van Lucifer is niets gekomen.

Met een slag was alle muzikale bedrijvigheid stilgelegd door de inval der Duitsers. Doelloos slenterde het plots werkloos geworden Duveltje door de straten. Niets te doen : dat was hem nog nooit overkomen. Op een van zijn laatste slentertochten, op 8 april 1915, ontmoette hij een vriend bij wie hij zich bekloeg zich ziek te voelen. Een paar dagen later moest hij te bed blijven. Hij woonde toen in de Boudewijnstraat, en de dokter vond het geraadzaam hem naar Hoogboom te zenden waar hij gewoonlijk de zomermaanden doorbracht in een klein landhuisje, het Kersouwken, dat hij er bezat. Weldra scheen het hem beter te gaan. Zijn ogen hadden terug hun levendige glans terwijl hij, gekoesterd door een warm zonnetje, genoeglijk in zijn tuin tussen vrouw en kinderen in zijn leunstoel rustte.

Het bleek slechts een tijdelijke heropflakkering. Fysisch en moreel ondermijnd door de oorlogsgebeurtenissen, werd het een algehele ineenstorting. Hij overleed in de nacht van 23 februari, in de leeftijd van 64 jaar. Een paar dagen nadien werd hij in de donkere avond zijn huisje uitgedragen en naar zijn woning in Antwerpen overgebracht, van waaruit hij de volgende dag, om half drie in de namiddag naar zijn laatste rustplaats op Kielkerkhof zou worden gebracht.

Op het vastgesteld uur lag de dode opgebaard in zijn woonhuis, in een in rouwkapel herschapen kamer, te midden van een berg van bloemen en kronen, waartussen zijn borstbeeld en een portret van Peter Benoit door Jan Van Beers waren opgesteld.

Burgemeester Jan De Vos sprak er in naam van het Antwerpse stadsbestuur, waarna de kist in de lijkwagen werd geschoven en het onder een buitengewone belangstelling van vrienden en bewonderaars naar het Kiel- kerkhof ging, waar nog redevoeringen werden uitgesproken door Louis Bertrijn namens de K.N.S.; Cuperus namens het Muziekconservatorium; Vanden Berghe namens het Peter Benoitfonds, Michel Lhoëst namens de Dierentuin, en H. Ceulemans in naam van het Nederlands Lyrisch Koor, de koristen vanaf het eerste uur en die tot dan toe al het wel en wee van de schouwburg hadden meegemaakt.

Ongetwijfeld stierf Keurvels te vroeg. In het Antwerps koncertleven had hij nog veel kunnen presteren, en in het Benoitfonds was hij nog onvervangbaar. Anderzijds staat het vast dat hem de tijd is gegeven geworden om te volbrengen wat hij kon en wat hij moest.

Alleen als scheppende kunstenaar had hij wellicht méér kunnen geven. Buiten zijn Parisina (dat hij op het laatst van zijn leven nog her- toetste) en het lyrisch drama Hamlet en Rolla, schreef hij enkele kantaten, waaronder Het Hooggetij. Voorts Kindertonelen (met klavier); Nachtzanger (voor orkest en hobo); Kinderideaal (voor cello en orkest), en tal van liederen, o.a. het bekende Wiegeliedje. Alles te samen werk van een gevoelige poëtische natuur. Hij was een onvermoeibaar werker, en meer dan een nacht heeft hem eenzaam in zijn woonkamer gevonden, bij het zwakke schijnsel van een olielampje, nog volop aan het werk, wanneer iedereen sinds lang te bed lag en alle geruchten in de stad waren uitgestorven.

Toen de Vlaamse Opera nog aan de Kipdorpbrug was, heb ik hem 's avonds meermaals aan het einde der voorstelling zich met opgezette jaskraag, haastig langs de Molenbergstraat zien voortspoeden, de hoge hoed ietwat in de nek geschoven en het eeuwig eindje sigaar in de mond.

Eenmaal hoorde ik hem bitsig aan het woord, in het kleine, sindsdien verdwenen Peter Benoitzaaltje tegenover de schouwburg aan de Italiëlei. Een of ander scribent had hem verweten het werk van Benoit te vermoorden. Naast hem op het podium stond zijn trouwe vriend Michel Lhoëst, toen direkteur van de Dierentuin. Keurvels stelde hem lakonisch aan het publiek voor met een "nog ne moordenaar"!

Onvergetelijk is hij me bijgebleven, vooral in zijn laatste levensjaren, toen hij niet meer het "zwarte" duveltje was van voorheen, maar getekend door de jaren. Als leider van de grote Benoit-uitvoeringen in de zaal van de Dierentuin: een nietige, kleine man met witte baard en lange, spierwitte haren, een oude dwerg vóór een leger zangers en zangeressen en een reusachtig orkest voor hem opgesteld op het verhoog, en dat hij tot leven moest brengen en leiden tot de overwinning. Wat een temperament en wat een kracht! Wat een juist begrip der nuances en tempi!

Jammer dat deze Benoit-uitvoeringen onder Keurvels nooit op band zijn genomen. Sommigen van onze huidige dirigenten zouden dan ten minste kunnen horen hoe het moet ... Keurvels was niet alleen een groot werker, doch tevens een begrijpend artist, met een solied vakmanschap. Zonder hem zou de Vlaamse muzikale beweging van vóór de eerste wereldoorlog niet volledig zijn geweest.

In 1953 heeft men te Antwerpen de honderdste verjaring van zijn geboorte herdacht, in het Conservatorium en in de grote zaal van de Zoo, op initiatief van de Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde. Bijna dezelfde dag, op 12 maart, overleed te Hoogboom in het Kersouwken, mevrouw Edward Keurvels, geboren Maria Rademaker, de trouwe gezellin van het 'Duveltje', in de hoge leeftijd van 94 jaar.

de Lattin, A.: XX. Edward Keurvels, het 'Duveltje', in: Antwerpse ephemera: toneel concert & opera, 1860-1920, Antwerpen: De Vlijt, 1960, p. 76-83.