Ga verder naar de inhoud

Gilson, Paul

° Brussel, 15/06/1865 — † Brussel, 3/02/1942

Biografie

Jaak Van Holen

Paul Gilson werd op 15 juni 1865 in Brussel geboren als tweede kind - zijn broer Charles was 10 jaar ouder - van Victor Gilson, bediende, en Jeanette Vander Borght. In mei 1866 verhuisde het gezin Gilson naar het Brabantse Ruisbroek. Daar kreeg hij het eerste muziekonderricht: notenleer, piano en wat harmonieleer van koster-organist en dirigent van kerkkoor en fanfare, Auguste Cantillon. In Ruisbroek schreef hij, wellicht omstreeks 1880, zijn eerste composities: bescheiden werken voor koor en fanfare. Dit vroege contact met het medium fanfare tekende zijn verdere componistenloopbaan: als één der allereersten creëerde Gilson oorspronkelijke en kwalitatief hoogstaande werken voor harmonie en fanfare; terecht wordt hij de "vader van de Belgische blaasmuziek" genoemd. Ook zijn symfonisch oeuvre draagt hiervan de sporen: het is gekenmerkt door een geraffineerd gebruik van de blazerssectie.

In 1882, na de dood van zijn vader, keerde Paul Gilson terug naar Brussel. Hij volgde er les bij Charles Duyck (harmonie en een spoedcursus contrapunt) en eventjes wat compositie aan het Conservatorium, bij François-Auguste Gevaert, maar desondanks bleef hij grotendeels autodidact. In Brussel stortte hij zich leergierig in het concertleven en werd er vooral getroffen door de opera’s van Wagner en door het kleurrijke orkestpalet van de Russische Nationale School. Met César Cui en uitgever Belaieff onderhield hij een drukke correspondentie. Hij ontmoette Rimski-Korsakov, Glazoenov en Skrjabin.

Na een wegens ziekte mislukte eerste poging, behaalde hij in 1889 de Prijs van Rome met de cantate Sinaï. Aangespoord door deze onderscheiding schreef hij in de eerstvolgende jaren een reeks belangwekkende composities: de Six Mélodies (1889-1890); Alla Marcia, Rapsodie voor strijkorkest (1890); Le Démon (1890), een dramatische cantate voor soli, koor en orkest; de Mélodies Ecossaises (1891-1892) voor strijkorkest. Maar vooral na de alom bejubelde creatie van La Mer, Esquisses Symphoniques (Brussel, 20 maart 1892) leek hij zich definitief een plaatsje te hebben verworven op het Belgische concertpodium.

Toch verliep zijn verdere carrière allesbehalve rimpelloos. Met name na de creatie van zijn oratorium Francesca de Rimini (Brussel, 20 januari 1895) rekende de muziekpers hem een slechte tekstkeuze aan en hekelde ze vooral het overwegend beschrijvende, evocatieve van zijn œuvre.

Bovendien was de van huis uit Franstalige Gilson, die in Ruisbroek zeker ook Nederlands leerde, stilaan in contact gekomen met het muziekleven in Vlaanderen. In bepaalde hoofdstedelijke kringen werd hem dat niet in dank afgenomen en kon hij op behoorlijk wat tegenkanting rekenen. Maurice Kufferath, directeur van de Muntschouwburg, deed er bijvoorbeeld alles aan om in 1902 de creatie van La Captive te boycotten.

In 1900 werd Gilson benoemd tot leraar harmonie aan het Brusselse Conservatorium. Twee jaar later kreeg hij eenzelfde opdracht in Antwerpen. Beide functies vervulde hij tot 1909. Toen volgde hij Edgar Tinel op als inspecteur van het Vlaamse muziekonderwijs. In 1912 zou hij er de bevoegdheid voor het muziekonderwijs in Wallonië bij krijgen, in opvolging van Emile Wambach. In de periode van zijn onderwijsopdracht schreef hij o.m. twee Symfonische Ouvertures (1900 ; 1903-04), de Petite Suite Rustique voor piano (1901), het ballet La Captive (1902), de Variations, oorspronkelijk voor groot koperensemble, nadien herwerkt voor symfonieorkest (1903) en de opera’s Prinses Zonneschijn (1901) en Rooversliefde (1902). Terzelfdertijd ontwikkelde hij een gigantische activiteit als musicograaf, muziektheoreticus en criticus. Ook na de beëindiging van zijn onderwijsopdracht aan de Conservatoria van Brussel en Antwerpen bleef hij lesgeven, privé. Zowat de hele Belgische componistengeneratie van het interbellum is bij hem in de leer geweest.

Die overdrukke activiteiten, een zwakke gezondheid en zeker ook de tegenkanting die hij in Brussel bleef ondervinden, veroorzaakten in de periode 1905-1910 een merkbare kentering in zijn compositorisch werk. Met uitzondering van het ballet Les Deux Bossus (1910-1921) schreef hij geen groots opgezette werken meer; de uitgebreide bezettingen ruimden plaats voor een traditioneel vroeg-romantisch orkest, vaker nog beperkte hij zich tot kamerbezetting. Steeds meer schoeide hij zijn werk op een degelijke vakkennis waarin de vonk van de spontane inspiratie wat lijkt te ontbreken. Het betekent geenszins dat hij na 1910 nauwelijks nog waardevolle muziek schreef. Integendeel, periodes van diepe moedeloosheid en steeds weer opflakkerende scheppingsdrang bleven mekaar steeds afwisselen. Maar de beloften die een compositie als De Zee inhield, kon hij ‘op rijpe leeftijd’ niet echt waarmaken.

De meest opvallende opflakkering van zijn scheppingsvermogen valt samen met het uitbreken van ‘de Groote Oorlog’. De ontreddering van het land leidde er immers toe dat de muziekscholen een tijdlang hun deuren moesten sluiten. Pas dan had hij waar hij met de aanvaarding van zijn benoeming tot inspecteur op had gehoopt: tijd om te componeren. In die periode werkte hij o.m. zijn Suite Nocturne voor piano af en schreef hij nog drie van Six Chansons Ecossaises op teksten van Leconte de Lisle. Hij reviseerde zijn boek Le Tutti Orchestral en begon aan een indrukwekkende driedelige Traité d’Harmonie. Zijn betrokkenheid bij het tumult rond de vervanging van de naar het buitenland gevluchte Wambach als directeur van het Koninklijk Vlaams Conservatorium in Antwerpen, bezorgde hem evenwel een zware mentale klap die hij nauwelijks te boven kwam. Een complex kluwen van politieke, Vlaams-nationalistische manoeuvres resulteerde, kort voor het einde van de oorlog, in de benoeming van Gilson door de Duitse bezetter, tot waarnemend directeur van het Koninklijk Vlaams Conservatorium. Op beschuldiging van collaboratie werd hij na de oorlog gedurende drie jaar uit al zijn functies ontzet.

Kort voor zijn zestigste verjaardag lag Gilson mee aan de basis van de oprichting van La Revue Musicale Belge waarvan hij tot het verschijnen van het laatste nummer in december 1939 artistiek directeur bleef. In datzelfde jaar werd hij ook medewerker van Radio Belgique. Hij werd belast met een wekelijkse kroniek van vijf minuten, ‘La Semaine Musicale’, waarin hij een overzicht gaf van het reilen en zeilen in de muziekwereld. Zijn drukke bezigheden als inspecteur, criticus en privéleraar maakten het hem onmogelijk nog veel te componeren. Hij schreef nog hoofdzakelijk voor blazersensembles, vaak gelegenheidswerken voor wedstrijden (zoals Tornacum, Grande Marche du Centenaire als opgelegd werk voor de internationale wedstrijd in Doornik, 1930), al is een compositie als Parafrazen op Vlaamse Volksliederen (1929?) voor symfonieorkest daar een gelukkige uitzondering op.

Met ingang van 1 september 1930 werd hij officieel op rust gesteld. Vijf jaar later werd de viering van zijn zeventigste verjaardag weerom overschaduwd door Vlaams-Waalse tegenstellingen. Na de omvorming van de openbare omroep tot NIR-INR verzorgde hij beurtelings ‘La Quinzaine Musicale’ en ‘De Veertiendaagsche Muziekkroniek’, als voortzetting van ‘La Semaine Musicale’. In het voorjaar van 1935 werd hij onaangekondigd ontslagen en vervangen door Ernest Closson. Er was een interpellatie van Vlaamse senatoren nodig om Gilson, speelbal geworden in het politieke hoenderhok, terug te laten keren bij de omroep. Maar de toegeving van Minister Spaak was wellicht bedoeld om fundamenteler eisen van de Vlamingen (een eigen Vlaamse zender) te ontzenuwen, eerder dan om Gilson zelf in eer te herstellen.

Componeren deed hij steeds minder, al staakte hij die werkzaamheid nooit helemaal: muziek voor strijkorkest voor de film Le Mas d’Icare van Carlo Queeckers (1934); duo’s voor blaasinstrument en piano: de Romantische werkjes (1934-1936); Aria di Timpani con 6 Variazioni (1940); vermoedelijk dateert ook de muziek voor het treurspel Elijah van Cyriel Verschaeve uit deze periode.

Op 1 april 1937 huwde Gilson in Londen met Celina Stoops, zangeres en zanglerares met wie hij wellicht reeds van voor de Eerste Wereldoorlog samenwoonde. Steeds meer liet zijn gezondheidstoestand intussen te wensen over: levercirrose, diabetes, een tumor.

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog is hij noodgedwongen zo goed als helemaal gestopt met het geven van privélessen. In het uitstalraam van de Brusselse uitgever Joris Vriamont hing deze advertentie: “Compositeur, Premier Grand Prix de Rome, accepte tous travaux de copie; s’adresser 33, Rue Voltaire”. Volgens getuigenissen eerder een teken van mentale depressie dan van echte financiële nood.

Paul Gilson overleed in zijn woning in Schaarbeek op Goede Vrijdag 3 april 1942.

Archief Bibliotheek Conservatorium Antwerpen.

Audio en video

La prière

Rapsodie

Ouverture de pirat

Bibliografie

Eigen werk

  • Gilson, P.: Les compositeurs belges, in: Série française n° 8 - Emissions musicales A, NIR-INR (Brussel, 1936).
  • Gilson, P.: Notes de musique et Souvenirs, Brussel, 1942.
  • Gilson, P.: Le Sacre du Printemps d’I. Strawinsky, in: La Belgique musicale, jrg. 1, nr. 10, 30 mei 1923, p. 149-152.

Anderen over deze componist

  • Blangenois, J.: Jubilé Paul Gilson, in: La Revue Musicale Belge, jrg.1, nr.7, 1925-1926, p. 8.
  • Brenta, G.: Les Synthétistes, in: Music. Revue de la musique, de la danse et du théâtre, jrg. 7, nr. 63, 1930, p. 278-280.
  • Brenta, G.: Paul Gilson, Brussel, 1965.
  • Brenta, G.: Paul Gilson en de sintetisten, in: De Nationale Muziekraad, Voorlichtingsblad van het Belgisch Muziekleven, 1966, p. 17-19.
  • Brenta, G.: Paul Gilson. Esquisse monographique et analytique. Sa carrière, son art, ses Oeuvres, sa philosophie, Brussel, 1926.
  • Brenta, G., Painparé, E., Poot, M., e.a.: Numéro Spécial [Paul Gilson], in: La Revue Musicale Belge, jrg. 11, 16.06.1935.
  • Buyssens, M.: Gilson, Paul, in: Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, dl. 1, o.l.v. J. Deleu, Tielt-Utrecht, 1973, p. 598.
  • Caspers, A.: Paul Gilson, in: Ons Tooneel, jrg. 4, nr. 23, p. 297-300.
  • CeBeDeM: Paul Gilson, in: Muziek in België, Brussel, 1967, p. 80-82.
  • Celis, F.: August de Boeck en Paul Gilson. Proeve tot vergelijkende synthese bij het eeuwfeest van hun geboorte, toespraak gehouden bij de opening van de tentoonstelling 'August de Boeck en Paul Gilson', AMVC, 8 mei 1965, gepubliceerd in: Antwerpen, jrg. 11, nr. 3, 1965, p. 85-89.
  • Celis, F.: Bij de honderdste verjaardag van de geboorte van Paul Gilson, in: De Toerist, jrg. 45, nr. 45-46, 1965, p. 725-729, en in: De Autotoerist, jrg. 25, nr. 25-26, 1965, p. 1213-1217.
  • Closson, E.: Paul Gilson, in: La Libre Critique, jrg. 3, nr. 22, 1893, p. 177-184 en nr. 23, 1893, p. 193-196.
  • Cooremans, K.: Paul Gilson, in: Twintig eeuwen Vlaanderen, dl. 14, Vlaamse Figuren 11, Hasselt, 1976, p. 15-20.
  • Corbet, A.: Gilson, Paul, in: Die Musik in Geschichte und Gegenwart, dl. 5, Kassel-Bazel, 1956, kol. 133-134.
  • Corbet, A.: Paul Gilson : Flemish Composer, in: Music and Letters, jrg. 27, nr. 2, 1946, p. 71-73.
  • Corbet, A. en Sternefeld, D.: Gilson, Paul, in: Algemene Muziek Encyclopedie, dl. 3, Haarlem, 1980, p. 396-398.
  • Cui, C.: Twee buitenlandse componisten, deel 2, Paul Gilson, in: De Artiest, nr. 35, 1894, p. 117-120 (in het Russisch).
  • D'Haricourt: Jubilé Paul Gilson, in: La Revue Musicale Belge, jrg. 1 nr. 2, 1925, p. 8.
  • Daneau, N.: Les oeuvres symphoniques et théâtrales de Paul Gilson, in: L'Aurore, jrg. 2, nr. 31, 1925, p. 103-104.
  • Daneau, N.: Paul Gilson, in: Gazette Musicale de Belgique et Revue de tous les Arts, jrg. 1, nr. 3, 1933, p. 5-7.
  • Daneau, S.: Paul Gilson, leven en oeuvre, in: Het Toneel en het Antwerps Toneel, jrg. 63, nr. 7, 1965, p. 2; jrg. 63, nr. 8, 1965, p. 2.
  • Daneau, S. e.a.: Manifestation Paul Gilson 1865-1935, Brussel, 1935.
  • De Klerk, J.: Paul Gilson, grote vriend en ijveraar voor de blaasmuziek, een eeuw geleden geboren, in: Sint-Cecilia, 1965, p. 340-342.
  • De Schrijver, K.: Paul Gilson, in: Levende componisten uit Vlaanderen, deel 1, 1865-1900, Leuven, 1954, p. 11-18.
  • De Wever, F.: Paul Gilson et les Synthétistes, Brussel, 1949.
  • Dewilde, J.: Gilson, Paul, in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, dl. 2, Tielt, 1998, p. 1323.
  • Dubois, J.: Le 70ième anniversaire de Maître Paul Gilson, in: Libra lllustré, jrg. 3, nr. 111, 1935, p. 12-13.
  • Dufour, V.: Gilson, Paul, in: Die Musik in Geschichte und Gegenwart, o.l.v. L. Finscher, Personenteil 7, Kassel-Bazel, 2002, p. 970-971.
  • Gijssels, W.: Onze toondichters: Paul Gilson, in: Vlaamsch Leven, jrg. 2, nr. 32, 1917, p. 500.
  • Gijssels, W.: Prinses Zonneschijn, in: Lucifer, jrg. 5, nr. 3, 1905, p. 78-81.
  • Gijssels, W.: Prinses Zonneschijn van Pol de Mont en Paul Gilson, in: Vlaamsch Leven, jrg. 4, nr. 2, 1918, p. 20-21.
  • Hadermann, J.: Paul Gilson wordt gevierd, in: De Illustratie, 02.06.1937.
  • Hullebroeck, E.: Een onderhoud met Paul Gilson, in: Muziek-Warande, jrg. 4, nr. 9, 1925, p. 202-205.
  • J. D. B.: Francesca da Rimini, in: De Vlaamsche School (Nieuwe Reeks), jrg. 8, 1895, p.17-18.
  • Justus: Koninklijke Vlaamsche Opera. Rond de herneming van Paul Gilson's "Zeevolk", in: Het Handelsblad van Antwerpen, jrg. 84, nr. 58, 1928, p. 1.
  • Kufferath, M. en Chadfield, E.: Gilson, Paul, in: Grove's Dictionary of Music and Musicians, o.l.v. E. Blom, dl. 3, Londen, 1976, p. 644-645.
  • Leytens, L.: Bij een dubbele verjaardag. Paul Gilson (1865-1942), in: Kaderblad Jeugd en Muziek Vlaanderen, nr. 173, 1992, p. 5-18.
  • Liebrecht, H.: Paul Gilson. Médaillon musical, in: Nos Musiciens. Notes Biographiques, jrg. 1, nr. 4, Brussel, 1916.
  • Maddens, J.: Paul Gilson, in: Vlaanderen, jrg. 15, nr. 90, november 1966, p. 382-385.
  • Meulemans, A.: Anecdoten - Paul Gilson, Antwerpen, s.d.
  • Meulemans, A.: Paul Gilson, in: Muziek-Warande, jrg. 1, nr. 1, 1 januari 1922, p. 3-6.
  • Meulemans, A.: Paul Gilson (1865-1942), in: Mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, Klasse der Schone Kunsten, jrg. 17, nr. 1, Brussel, 1955.
  • Moulckers, J.: Recueil de chants patriotiques des maîtres de l’art musical belge - 75e anniversaire de l’indépendance nationale 1830-1905 / Vaderlandsche zangen der meesters van de Belgische toonkunst - 75ste verjaring der nationale onafhankelijkheid, Lier, 1905, p. 142.
  • M. R.: Paul Gilson, in: L'Art Moderne, jrg. 15, nr. 43, 1895, p. 341-342.
  • N.N.: Francesca da Rimini. Paroles de Jules Guilliaume. Musique de Paul Gilson, in: Le Guide Musical, jrg. 41, nr. 2, 1895, p. 31-35.
  • N.N.: La Guirlande de Paul Gilson, in: L'Aurore, jrg. 2, nr. 31, 1925, p. 107-111.
  • N.N.: Maîtres Contemporains. Paul Gilson, in: Le Guide Musical, jrg. 39, nr. 4, 1893, p. 46-47.
  • N.N.: Paul Gilson, in: Pourqoui Pas?, jrg. 22, nr. 948, 1932, p. 2448-2451.
  • N.N.: Paul Gilson, le musicien indépendant, in: Voilà, jrg. 2, nr. 14, 1941, p. 627-630.
  • Nuten, P.: Toondichter Paul Gilson, in: Wetenschap in Vlaanderen, jrg. 4, juli-augustus 1939, kol. 315-318.
  • Ontrop, L.: Over "Prinses Zonneschijn". Een zangspel van P. Gilson, op woorden van P. de Mont, in: Vlaanderen, jrg. 1, nr. 12, 1903, p. 569-574.
  • Palos, C.: Les cas Gilson, in: Haro!, nr. 6, 20.09.1919, p. 45-46.
  • Pierné, G. en Woollett, H.: Histoire de l'orchestration. Belgique, in: Encyclopédie de la Musique et Dictionnaire du Conservatoire, o.l.v. A. Lavignac, dl. 2, Technique, Esthétique, Pédagogie, vol. 4, Orchestration. Musique liturgique des différentes cultes, Parijs, 1929, p. 2661-2666.
  • Pieters, F.: Blaasmuziek en Harmonies-Fanfares, in: SABAM 75. 1922-1997, Brussel, 1997, p. 372-391 en p. 392-409.
  • Pieters, F.: Gilson en de blaasmuziek, in: Fedekamnieuws, jrg. 24, nr. 2, 1979, p. 96-99.
  • Pieters, F.: Paul Gilson: Father of Belgian Wind Band Music, in: Kongressbericht IGEB Banska Bystrica 1998 (Alta Musica, dl. 22), Tutzing, 2000, p. 307-324.
  • Pieters, F.: Paul Gilson, in: The Heritage Encyclopedia of Band Music, dl. 3, o.l.v. W. Rehrig, Westerville Ohio, 1996, p. 311-312.
  • Poot, M.: Een volksvriend. Paul Gilson, in: Winterhulp, nr. 5, 1942, p. 13-14.
  • Poot, M.: Paul Gilson, in: De Vlaamse muziek sedert Benoit, Antwerpen, 1951, p. 30-33.
  • Poot, M.: Paul Gilson, Professeur, in: L'Aurore, jrg. 2, nr. 31, 1925, p. 104.
  • Quitin, J.: Douze lettres inédites de Guillaume Lekeu à Paul Gilson, in: Bulletin de la Société Liégeoise de Musicologie, jrg. 6, nr. 19, 1977, p. 1-7.
  • Riessauw, A.: De toonzetting van Pol de Monts gedicht '0 kom met mij in den lentenacht' door Paul Gilson en Frank van der Stucken. Vergelijkend onderzoek naar de musico-literaire verhoudingen, in: Liber amicorum J. L. Broeckx, Gent, 1986, p. 263-296.
  • Schoemaeker, M.: Brelan de Festivals Gilson à la Société de Zoologie, in: La Revue Musicale Belge, jrg. 1, nr. 9, 1926, p. 11 -12.
  • Van Den Bos, G.: Vlaamse balletkomponisten, in: Gamma, jrg. 28, nr. 1, 1976, p. 9-12.
  • Van Deuren, A.: Prinses Zonneschijn van Pol de Mont - Paul Gilson, in: Vlaamsche Muziek, nr. 2, Antwerpen, s.d., p. 21-24.
  • Van Etsen, G.: Paul Gilson, in: Muzikale Ommegang, o.l.v. G. Van Ravenzwaaij, Amsterdam, 1948, p. 418-419.
  • Van Holen, J.: De orgelmuziek van Paul Gilson (1865-1942). Componeren ten dienste van ... , in: Orgelkunst, jrg. 20, nr. 2, 1997, p. 26-30.
  • Van Holen, J.: Gilson, Paul, in: Nationaal Biografisch Woordenboek, o.l.v. J. Maton, dl. 9, Brussel, 1981, kol. 303-312.
  • Van Holen, J.: Marines in klanken, in: Vlaanderen, jrg. 49, nr. 3, 2000, p. 188-193.
  • Van Holen, J.: Paul Gilson, De Zee. Studie naar de muzikaal-technische aspekten, onuitgegeven verhandeling tot het bekomen van de graad van licentiaat in de Oudheidkunde en Kunstgeschiedenis, afdeling Muziekwetenschap; K.U. Leuven, 1979.
  • Van Holen, J.: Paul Gilson. Bezettings-bestuurder voor twee maanden, in: Koninklijk Vlaams Conservatorium Antwerpen. 1898 - 1998.Traditie en vernieuwing, o.l.v. G. Persoons, Antwerpen, 1998, p. 281-284.
  • Van Holen, J.: Paul Gilson in Amsterdam, in: Nieuwe Vlaamse Muziekrevue, jrg. 8, nr. 3, 2001, p. 63-65 en nr. 5, 2001, p. 54-56.
  • Van Hoof, J.: Gedachten van Jef van Hoof. Over Paul Gilson, in: Harop, jrg. 21, nr. 5, 1969, p. 149-150.
  • Van Hoof, J.: Paul Gilson, de kunstenaar en zijn werk, in: Vlaamsch Leven, jrg. 2, nr. 32, 1917, p. 501-503.
  • Vander Linden, A.: Claude Debussy, Octave Maus et Paul Gilson, in: Belgisch Tijdschrift voor Muziekwetenschap / Revue Belge de Musicologie, jrg. 16, nr. 1-4, 1962, p. 107-116.
  • Vanhulst, H.: Gilson, Paul, in: The New Grove Dictionary of Music and Musicians, o.l.v. S. Sadie, dl. 7, Londen, 1980, p. 384-385.
  • Vanhulst, H.: Gilson, Paul, in: The New Grove Dictionary of Music and Musicians. Second edition, o.l.v. S. Sadie, dl. 9, Londen, 2001, p. 871-872.
  • Vanhulst, H.: Gilson, Paul, in: The New Grove Dictionary of Opera, o.l.v. S. Sadie, dl. 2, Londen, 1992, p. 418-419.
  • Verheyden, E.: Paul Gilson, in: Ons Volk Ontwaakt, jrg. 3, nr. 3, 1913, p. 1-2.
  • Verleye, A.: Paul Gilson, een blijvende waarde, in: Flandrianieuws, jrg. 12, nr. 9, 1991, p. 21-26.
  • Weyler, W.: In memoriam Paul Gilson, in: De Vlag, jrg. 4, nr. 11, 1942, p. 533-534.
  • Weyler, W.: Paul Gilson und seine Oper "Prinses Zonneschijn", in: Die Musik, jrg. 31, nr. 3, 1938, p. 179-183.

Artikels

Höflich-uitgave: Alla Marcia. Rhapsodie pour orchestre d'instrument à cordes (1890)

Jan Dewilde

Nederlandse inleiding bij Höflich-cataloognummer 2604

Höflich-uitgave: Suite nocturne for piano solo

Liselotte Sels

Nederlandse inleiding bij Höflich-cataloognummer 2558

Höflich-uitgave: Mélodies Ecossaises (1891-1892)

Jaak Van Holen

Nederlandse inleiding bij Höflich-cataloognummer 540

Höflich-uitgave: Werken voor strijkorkest

Jaak Van Holen

Nederlandse inleiding bij Höflich-cataloognummer 528

Höflich-uitgave: Francesca da Rimini

Jaak Van Holen

Nederlandse inleiding bij Höflich-cataloognummer 518

Höflich-uitgave: La mer

Jan Dewilde

Nederlandse inleiding bij Höflich-cataloognummer 504

Historische teksten

Paul Gilson

Jef Van Hoof

Vraagt iemand mij: wie is Vlaanderens grootste toondichter, dan antwoord ik dadelijk: Paul Gilson. Vraagt men verder — wat altijd gebeurt — waarom? dan antwoord ik onomwonden: om zijn volledigheid. Volledigheid van muzikaal standpunt uit; en volledigheid omdat dit werk is doordacht, doorvoeld en doorwrocht.

Le Sacre du Printemps d’I. Strawinsky

Paul Gilson

Le Sacre du Printemps débute presque naïvement, par le 1er basson, qui entonne tout seul une phrase d'apparence pasto­rale, mais à laquelle l'émission pénible et comme maladive de l'instrument (il joue à des hauteurs invraisemblables), donne une teinte voilée, singulière, presque inquiétante.

Fox-Trot

Paul Gilson

La vogue extraordinaire de la musique nègre incita, cela va s’en dire, tous les compositeurs amateurs à délaisser la Valse lente pour le Fox-trot et le Shimmy. Cela nous valut une collection sans cesse accrue de musique "que ce n’est pas la peine", comme disait Chabrier.

Paul Gilson en de sintetisten

Gaston Brenta

De componist en muziekcriticus Gaston Brenta (1902-1969), leerling van Gilson en lid van de Synthetisten, publiceerde in 1966 volgende tekst in het tijdschrift van de Belgische muziekraad.

Arthur Meulemans over Paul Gilson

Arthur Meulemans

Paul Gilson aanzien wij als het hoofd der huidige muziek-expressie in Vlaanderen, - wat hij feitelijk ook is voor heel het land. Daarom nu wil het Vlaamsch Tijdschrift De Muziek-Warande in het eerste nummer en met deze regelen, hulde brengen aan den Meester; hulde die, dankzij klein-landsche bekrompenheid en afgunst, niet is wat ze zou moeten zijn: algemeen en een apotheose van hartelijke sympathie en eerbiedige waardeering.

Heb je een vraag of heb je een foutje opgemerkt? Zoek je een partituur?

Of heb je zelf nog meer informatie over deze persoon, contacteer ons dan.